Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4563

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
AWB - 25_ 5363 & AWB - 25 _ 5495
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging begunstigingstermijn last onder dwangsom door college toegestaan

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van eisers tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst om de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom opgelegd aan een derde-partij te verlengen tot zes weken na de uitspraak op het beroep tegen die last.

Eisers betwisten de redelijkheid van deze verlenging en voeren onder meer aan dat sprake is van een herhaald verzoek, dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt en dat de begunstigingstermijn onbepaald en te lang is. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college nieuwe feiten en omstandigheden aanvoert en dat er nog geen onherroepelijke last onder dwangsom is, waardoor de situatie niet gelijk is aan eerdere zaken.

De voorzieningenrechter overweegt dat de verlenging niet onredelijk is, mede gezien de omvang van de te verwijderen bouwwerken en het ontbreken van een spoedeisend belang bij eisers. De belangenafweging door het college is voldoende gemotiveerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de begunstigingstermijn wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/5363 (voorlopige voorziening) en 25/5495 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening

in de zaken tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. I.P.A. van Heijst),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst

(gemachtigde: M. Klein Gebbink).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij], uit [plaats]

(gemachtigde: mr. D. Pool).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de begunstigingstermijn van de aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom te verlengen tot zes weken na de uitspraak op het beroep tegen de last onder dwangsom. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben daarom beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek en het beroep van eisers.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de begunstigingstermijn mocht verlengen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 2 september 2025 heeft het college, opnieuw beslissend op het bezwaar van de derde-partij tegen een handhavingsbesluit van 6 september 2023, aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. Op 21 oktober 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken nadat uitspraak gedaan is op het beroep van de derde-partij (het verlengingsbesluit).
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit en de voorzieningenrechter verzocht om het besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college samen met [persoon A] en [persoon B], de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig op zitting behandeld met de procedures ARN 25/3495, ARN 25/3497 en ARN 25/4657.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij ook op het beroep van eisers daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij woont aan de [locatie 1] in [plaats]. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van eisers, woonachtig aan de [locatie 2] in [plaats], heeft het college op 6 september 2023 aan de derde-partij acht lasten onder dwangsom opgelegd. Hierin heeft het college de derde-partij gelast om:
i. de bij de paardrijbak geplaatste spiegelwand te verwijderen en verwijderd te houden,
ii. de gerealiseerde schuilgelegenheid te verwijderen en verwijderd te houden,
iii. de geplaatste afrastering te verwijderen en verwijderd te houden,
iv. de bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming ‘Wonen-1’ terug te brengen tot maximaal 150 m².
v. het klinkerpad naar de paardrijbak te verwijderen en verwijderd houden,
vi. de gerealiseerde uitrit te verwijderen en verwijderd te houden,
vii. de parkeerplekken bij het kantoor te verwijderen en verwijderd te houden, en
viii. de landschapsinrichting uit te voeren zoals in 2022 is vergund.
3.1.
Met de eerste beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 heeft het college de lasten gedeeltelijk ingetrokken. De lasten zijn gehandhaafd voor zover deze zien op de gerealiseerde schuilgelegenheid, de bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming Wonen – 1 en de uitweg. Verder heeft het college de derde-partij gelast om de paardenstal te verwijderen of zo aan te passen dat alle bebouwing buiten het bouwvlak wordt verwijderd.
3.2.
Tegen de beslissing op bezwaar hebben eisers en de derde-partij beroep ingesteld.
3.3.
Met de uitspraak van 4 maart 2025 [2] heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. De rechtbank heeft beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 vernietigd, met uitzondering van het deel van de last dat bepaalt dat eisers de tweede uitweg moeten verwijderen en verwijderd houden.
3.4.
Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 heeft het college, opnieuw beslissend op het bezwaar, besloten dat er geen overtreding meer is voor wat betreft de schuilstal, omdat het college daarvoor op 10 juli 2025 een omgevingsvergunning heeft verleend. Voor een aantal overtredingen heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan de derde-partij. De derde-partij heeft hiertegen beroep ingesteld. Hierover gaat de procedure met zaaknummer ARN 25/4627.
3.5.
Met het verlengingsbesluit van 21 oktober 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep van de derde-partij. [3]
3.6.
Tegen het verlengingsbesluit hebben eisers beroep ingesteld en gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening.
Heeft het college in redelijkheid de begunstigingstermijn kunnen verlengen?
Herhaald verzoek
4. Eisers betogen dat sprake is van een herhaald verzoek als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De derde-partij heeft twee keer eerder verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn. Dit is destijds beide keren door het college afgewezen.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit het besluit blijkt dat volgens het college sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Er was bij de eerste twee verzoeken nog geen beroep ingesteld tegen de last onder dwangsom door de derde-partij. In zoverre is er geen sprake van een herhaald verzoek. Bovendien rust op het college geen verplichting om bij gebreke van nieuw gebleken feiten of omstandigheden de herhaalde aanvraag af te wijzen. Uit artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, volgt namelijk dat het college in geval van een herhaald verzoek de aanvraag
kanafwijzen. Het gebruik van het woord ‘kan’ impliceert dat dit geen verplichting van het college is, maar dat het er ook voor kan kiezen wel een inhoudelijk op het herhaalde verzoek te beslissen. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
5. Eisers betogen dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. Het college heeft in 2023 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd voor het aanleggen van een werkpad en het aanplanten van een aantal notenbomen en een beukenhaag. Bij hen wilde het college niet de begunstigingstermijn verlengen in afwachting van de procedure over de legalisering van de overtredingen. Eisers verwijzen daarvoor ook naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2023, waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van voldoende spoedeisend belang om de begunstigingstermijn verder te verlengen. [4] Dat is volgens eisers in de nu voorliggende procedure niet anders.
5.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een gelijk geval dat gelijk behandeld moet worden. In de procedure bij de voorzieningenrechter waar eisers naar verwijzen, was er sprake van een onherroepelijke last onder dwangsom. Daarmee stonden de overtredingen in rechte vast. In de nu voorliggende procedure is nog geen sprake van een onherroepelijke last onder dwangsom. De overtredingen staan dus nog niet in rechte vast. Het verlengen van een begunstigingstermijn in afwachting van eventuele legalisatie is niet gelijk te stellen met het verlengen van de begunstigingstermijn in afwachting van de inhoudelijke beoordeling van de last onder dwangsom in beroep. Het college heeft daarom niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Duur van de begunstigingstermijn
6. Eisers betogen dat het college ten onrechte de begunstigingstermijn voor onbepaalde tijd heeft verlengd. De begunstigingstermijn is een termijn die de overtreder redelijkerwijs nodig heeft om de overtreding ongedaan te maken. De derde-partij heeft volgens eisers sinds de lasten onder dwangsom zijn opgelegd geen concrete actie ondernomen om hieraan te voldoen. Er was daarom volgens eisers geen aanleiding om de begunstigingstermijn toch te verlengen. Tot slot menen eisers dat het college op geen enkele wijze kenbaar het algemeen belang en de belangen van eisers hebben betrokken bij het verlengen van de begunstigingstermijn. Zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat de overtredingen door het college al ruim twee jaar geleden zijn geconstateerd.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de omstandigheden van het geval maken dat de termijn kan worden verlengd. Er is hier sprake van overtredingen die zich al enkele jaren voordoen. Er is geen sprake van een spoedeisende of gevaarlijke situatie. De aard van de overtreding verzet zich volgens het college niet tegen het verlengen van de begunstigingstermijn. Over de belangenafweging stelt het college zich op het standpunt dat het college niet gebleken is van een zodanig zwaarwegend belang bij eisers, dat de uitkomst van beroep niet kan worden afgewacht. Het belang van handhaving in het algemeen betekent volgens het college niet dat sprake is van een spoedeisend belang. Er is geen sprake van overlast of een ander spoedeisend belang. Daar tegenover staat volgens het college het (financiële) belang van de overtreder en daarmee samenhangend die van het college. Er is sprake van een last die relatief ingrijpend is voor de overtreders. Hoewel het vanzelfsprekend is dat het voor hun rekening en risico komt dat zij zonder de nodige omgevingsvergunningen activiteiten hebben verricht, is het volgens het college wel redelijk om in deze specifieke situatie de beroepsprocedure af te wachten.
6.2.
De aan een last verbonden begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen. Als uitgangspunt voor de lengte van de begunstigingstermijn geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Volgens vaste rechtspraak kan de begunstigingstermijn onder omstandigheden worden verlengd in afwachting van de uitkomst van een procedure. Of dat in een concreet geval mogelijk is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals onder andere de aard van de overtreding, de duur van de met regelgeving strijdige situatie, de vraag of een vergunning is aangevraagd voor de strijdige activiteiten, en wat de belangen van de overtreder en andere betrokken belangen zijn. [5]
6.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat geen sprake is van een verlenging van de begunstigingstermijn voor onbepaalde tijd. De termijn is namelijk verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep tegen de last onder dwangsom. De begunstigingstermijn is daarmee voldoende concreet. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college in dit geval in redelijkheid de begunstigingstermijn mocht verlengen tot zes weken na het beroep tegen de last onder dwangsom. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de derde-partij volgens de lasten onder dwangsom ongeveer 205 m2 aan bijbehorende bouwwerken moet afbreken, tot er maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken op het perceel resteert. De impact daarvan is groot. De voorzieningenrechter ziet in dit geval ook niet in dat het belang van eisers onevenredig geschaad wordt door de beroepsprocedure af te wachten. Het is niet gebleken dat eisers zodanig veel overlast ervaren door de aanwezigheid van de bouwwerken dat de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht. Dat verzoekers zich ergeren aan de bebouwing op het perceel van de derde-partij en daarop zicht hebben vanaf hun eigen perceel, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter oordeelt dat het uit het besluit voldoende blijkt dat het college de belangen van eisers, maar ook het algemeen belang, heeft afgewogen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zaaknummers 24/5930, 24/5438 en 24/5981, niet gepubliceerd.
3.Op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb.
4.Zaaknummer ARN 23/1860, niet gepubliceerd.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2231 en van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3831.