ECLI:NL:RBGEL:2026:4575

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/5406
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Wevers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag omzetbelasting tweede kwartaal 2023

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) van €4.246 over het tweede kwartaal van 2023, opgelegd door de inspecteur. Tevens was een verzuimboete van €127 opgelegd, die later door de inspecteur werd vernietigd. Belanghebbende stelde dat er geen OB verschuldigd was, maar juist een teruggaaf van €53.

De inspecteur heeft een suppletie ingediend die een teruggaaf van €4.299 betrof, waardoor het saldo per saldo negatief was. De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag en de teruggaafbeschikking correct zijn vastgesteld en dat belanghebbende geen belang heeft bij het beroep.

De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014 over het vereiste van procesbelang bij bezwaar en beroep. Omdat belanghebbende met het beroep niet in een betere positie kan komen, wordt het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5406

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 februari 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tweede kwartaal van het jaar 2023 een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) opgelegd van € 4.246.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 127 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard en de verzuimboete vernietigd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Daarbij zijn partijen in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken indien zij alsnog wensen ter zitting te worden gehoord. Nu geen van partijen om een zitting heeft verzocht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en doet de rechtbank zonder zitting uitspraak. [1]

Feiten

1. Op 12 juli 2023 heeft belanghebbende haar aangifte OB ingediend over het tweede kwartaal van het jaar 2023. Op grond van de aangifte is belanghebbende een bedrag van € 4.246 aan OB verschuldigd.
2. Op 18 augustus 2023 heeft belanghebbende een suppletie OB ingediend over het tweede kwartaal van het jaar 2023. De suppletie betreft een teruggaaf van € 4.299, zodat de verschuldigde OB over het tweede kwartaal van het jaar 2023 per saldo uitkomt op een bedrag van € 53 negatief.
3. Met dagtekening 30 augustus 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag OB over het tweede kwartaal van het jaar 2023 opgelegd aan belanghebbende van € 4.246 en een verzuimboete van € 127 (tezamen € 4.373). Belanghebbende heeft de OB die zij op grond van de aangifte van 12 juli 2023 verschuldigd was namelijk niet betaald. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Met dagtekening 1 september 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een teruggaafbeschikking OB van € 4.299 gegeven over het tweede kwartaal van het jaar 2023. Dit in verband met de suppletie van 18 augustus 2023.
5. Op 2 februari 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin heeft de inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag OB toegewezen ten aanzien van de verzuimboete. De verzuimboete heeft de inspecteur verminderd naar nihil.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur de naheffingsaanslag onterecht heeft opgelegd. Er was namelijk geen sprake van een door belanghebbende te betalen bedrag aan OB, maar van een te ontvangen bedrag van € 53. ET hET wVoor zover de Belastingdienst met de naheffingsaanslag heeft beoogd om een onterechte uitbetaling te herstellen, is dat niet mogelijk door middel van een naheffingsaanslag. Belanghebbende wijst er ten slotte op dat zij niet op de hoogte was van het bedrag dat de Belastingdienst heeft uitbetaald, omdat alle teruggaven die door één van de holdings worden ontvangen, worden gestort op de rekening van de dochteronderneming.
8. De inspecteur is van mening dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar beroep vanwege het ontbreken van een procesbelang. Het saldo aan OB over het tweede kwartaal van het jaar 2023 is vastgesteld op € 53 te ontvangen, hetgeen in overeenstemming is met de suppletie die belanghebbende heeft ingediend en met de motivering van het beroepschrift. De inspecteur wijst daarbij op een cijfermatig overzicht van het tweede kwartaal van het jaar 2023 uit de applicatie Klantbeheer. De inspecteur vraagt zich af wat belanghebbende wil bereiken met haar beroep. Het vastgestelde bedrag aan OB dat op de naheffingsaanslag staat, is verminderd door middel van de teruggaafbeschikking van 1 september 2023. Daarnaast is de verzuimboete met de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2024 geheel verminderd vanwege de suppletie die belanghebbende heeft ingediend.
9. De rechtbank neemt in acht dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 april 2014 het volgende heeft overwogen:
“ 3.4.2 Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is.” [2]
10. De rechtbank heeft onderzoek gedaan naar de gronden die belanghebbende heeft aangevoerd, en komt tot het oordeel dat die gronden er niet toe leiden dat de naheffingsaanslag lager vastgesteld had moeten worden. Vaststaat dat de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag OB van € 4.246 heeft opgelegd en daarnaast, naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende suppletie, een teruggaafbeschikking van € 4.299 aan belanghebbende heeft gegeven. De verzuimboete van € 127 heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar verminderd tot nihil. Per saldo leidt dit ertoe dat belanghebbende een bedrag van € 53 ontvangt. Dit sluit aan bij de door belanghebbende ingediende suppletie en bij het resultaat dat zij met haar beroepschrift wenst te bereiken. Verder heeft belanghebbende geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van de naheffingsaanslag.
11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 10 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Hoge Raad, 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.