Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4577

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24_8691
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PwArt. 16 PwArt. 7:15 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens voorliggende voorziening en ontbreken zeer dringende redenen

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter hoogte van €3.400 voor tandartskosten, specifiek voor het plaatsen van een beugel. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees deze aanvraag af omdat deze niet tijdig was ingediend en later omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt.

Eiseres stelde dat het college onzorgvuldig had gehandeld door geen onderzoek te doen naar de noodzaak van de kosten, en dat er sprake was van zeer dringende redenen die bijstand toch rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat de Zvw een toereikende en passende voorliggende voorziening is, ook als deze niet alle kosten dekt, en dat het college daarom terecht geen onderzoek naar de noodzaak heeft gedaan.

Verder stelde de rechtbank dat zeer dringende redenen alleen aan de orde zijn bij een acute noodsituatie met ernstige gevolgen voor de gezondheid, wat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook de vordering tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen omdat het primaire besluit niet is herroepen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand en wees de verzoeken tot terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en handhaaft de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor tandartskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8691

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor tandartskosten ter hoogte van € 3.400 op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor tandartskosten terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor tandartskosten (plaatsen van een beugel) ten bedrage van € 3.400. [1] Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juli 2024 afgewezen omdat de aanvraag niet tijdig is ingediend. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, maar dan op de grondslag dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is. [2]
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Is het onderzoek van het college onzorgvuldig geweest?
3. Eiseres voert aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door geen onderzoek te doen naar het bestaan van de noodzaak van de kosten. De toestand van de tanden van eiseres was dusdanig slecht dat een ingreep noodzakelijk was. Dit is bevestigd door de tandheelkundige.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat de Zvw een voorliggende voorziening is. De Zvw is in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. Dit is ook zo als de gemaakte kosten ‒ zoals ook in het geval van eiseres ‒ niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [4] Dat de Zvw voor haar een toereikende en passende voorliggende voorziening is, is door eiseres ook niet betwist. Als dit er is, bestaat op grond van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) geen recht op bijstand. Als deze afwijzingsgrond zich voordoet, wordt aan de beoordeling van artikel 35, eerste lid, van de Pw, - waaronder de vraag of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd noodzakelijk zijn, zoals door het college in het bestreden besluit ook is vermeld - niet toegekomen. [5] Het college heeft hier dus terecht geen onderzoek naar gedaan.
Had het college toch bijstand moeten verlenen vanwege zeer dringende redenen?
4. Eiseres voert aan dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw op grond waarvan het college toch bijstand had moeten verlenen, omdat eiseres zonder de bijzondere bijstand in financiële problemen zal raken.
4.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het weigeren bijstand te verlenen voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het is aan eiseres om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden van artikel 16, eerste lid, van de Pw, is voldaan. Dit alles is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [6] Met de enkele stelling dat eiseres zonder de bijstand in financiële problemen zal raken, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zich zeer dringende redenen voordoen. Bovendien volgt uit het dossier dat eiseres met haar behandelend tandarts een betalingsregeling heeft afgesproken.
Had het college de proceskosten van bezwaar van eiseres moeten vergoeden?
5. Eiseres voert aan dat het college haar proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden, omdat het college bij het bestreden besluit de grondslag van de afwijzing van de aanvraag heeft gewijzigd.
5.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt immers dat voor een vergoeding van de proceskosten van bezwaar onder meer nodig is dat het primaire besluit wordt herroepen. Dat is hier niet gebeurd. De afwijzing van de aanvraag is immers bij het bestreden besluit gehandhaafd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiseres heeft een factuur overgelegd van Tandartspraktijk [naam praktijk] van 11 januari 2024 (voor een bedrag van in totaal € 3.681,28).
2.Verwezen is naar artikel 15 van Pro de Pw.
3.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2108.
5.Zie de uitspraak genoemd in noot 4.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1337.