ECLI:NL:CRVB:2023:2108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand tandartskosten wegens voorliggende voorziening en ontbreken zeer dringende redenen
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor tandartskosten ter hoogte van €842,16. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een toereikende voorliggende voorziening is voor medische kosten, waaronder tandartskosten. Een uitzondering op deze hoofdregel kan alleen worden gemaakt bij zeer dringende redenen, die in deze zaak niet zijn aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit. Appellante stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en dat de tandarts de behandeling noodzakelijk achtte. De Raad oordeelde dat het college geen onderzoek hoefde te doen naar de noodzaak van de kosten als er een voorliggende voorziening is en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een acute noodsituatie of zeer dringende redenen.
De Raad benadrukte dat zeer dringende redenen een schrijnende situatie vereisen waarbij het niet verlenen van bijstand tot ernstige gezondheidsgevolgen leidt. De enkele stelling van de tandarts dat de behandeling noodzakelijk is, volstaat niet. Het hoger beroep werd afgewezen, de afwijzing van de aanvraag bleef in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor tandartskosten wordt bevestigd wegens aanwezigheid van een voorliggende voorziening en ontbreken van zeer dringende redenen.