Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4578

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24_8714
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Schuurman-Kleijberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd met ingang van 19 juni 2023, maar het UWV heeft dit geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen deze weigering behandeld en beoordeeld of het UWV terecht heeft gehandeld.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Hoewel eiseres in augustus 2024 de diagnose ADHD heeft gekregen, was deze diagnose ten tijde van het medisch onderzoek in bezwaar nog niet bekend en is deze niet tijdig aan het UWV gemeld. De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met de beschikbare medische gegevens en de behandeling die op dat moment liep. De aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bevestigen dat de diagnose ADHD geen aanleiding geeft tot het aannemen van extra beperkingen.

Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd toegelicht dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Ook de door eiseres genoemde psychische aandoeningen en medicatiegebruik leiden niet tot een zwaardere beperking op de datum in geding. De arbeidsdeskundige heeft bevestigd dat eiseres de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen.

De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiseres in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van het UWV voor een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8714

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. O. Kaya-Yazici).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om eiseres met ingang van 19 juni 2023 (de datum in geding) in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht geweigerd heeft om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV dit terecht heeft gedaan. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 7 september 2023 heeft het UWV geweigerd om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullende reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). Eiseres heeft een nadere reactie ingebracht waar door de verzekeringsarts b&b op is gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft voor het laatst vanaf 1 augustus 2018 gewerkt als logistiek medewerker OK bij [naam bedrijf] B.V. voor gemiddeld 27,18 uur per week. Zij heeft zich hiervoor ziekgemeld met ingang van 21 juni 2021 vanwege psychische klachten. Op 30 maart 2023 heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
Het UWV heeft geweigerd om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. De besluiten zijn gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige onderzoeken.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig uitgevoerd?
4. Eiseres voert in de eerste plaats aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Volgens eiseres is ten onrechte geen rekening gehouden met de bij haar in augustus 2024 vastgestelde diagnose van ADHD. Eiseres wijst er op dat actuele medische informatie daarover beschikbaar is bij haar behandelend psychiater en moet worden meegewogen. Het bestreden besluit is nu gebaseerd op niet actuele gezondheidsgegevens. Ook is niet meegenomen dat haar behandelaar heeft geconstateerd dat bij de diagnose van ADHD bepaalde werksoorten contra-indicatief zijn, zoals eenvoudig werk met een geestdodend, herhalend karakter omdat de hersenen hier averechts op reageren.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Ten tijde van het medisch onderzoek in bezwaar was de gestelde diagnose van ADHD nog niet bekend. Dat die diagnose is gesteld, is voorafgaand aan het bestreden besluit ook niet door eiseres naar voren gebracht. Het UWV heeft daar dus, ten tijde van het bestreden besluit, ook geen rekening mee kunnen houden. Verder is het zo dat het vaste rechtspraak is van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat raadpleging van de behandelend sector is aangewezen als een behandeling in gang is gezet of zal worden ingezet die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. [1] Uit de stukken blijkt niet dat dit het geval was per de datum in geding. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b van 27 maart 2024 blijkt wel dat eiseres op dat moment onder behandeling was van een psycholoog/psychiater en dat deze behandeling is aangevangen rond eind november, begin december 2023. De verzekeringsarts b&b heeft rekening gehouden met wat eiseres over die behandeling naar voren heeft gebracht en uit het rapport blijkt ook dat er in gezamenlijk overleg is besloten om geen medische informatie op te vragen, omdat eiseres de klachten en behandeling goed kon verwoorden, er voldoende (medische) informatie aanwezig was en ook rekening is gehouden met de gegevens verkregen tijdens het medisch spreekuur. Er is toen ook niet door eiseres gezegd dat de behandelaren een beredeneerd afwijkend standpunt hadden over de beperkingen van eiseres. De verzekeringsarts b&b heeft verder meegewogen dat eiseres met de medicatie meer rust ervaart in haar hoofd en dat bij zijn onderzoek sprake was van een goede concentratie. Bovendien is in beroep alsnog rekening gehouden met de diagnose van ADHD en is door de verzekeringsarts b&b in zijn aanvullende rapporten uitgebreid toegelicht waarom dit geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. In zijn laatste aanvullende rapport heeft de verzekeringsarts b&b ook gereageerd op wat eiseres naar voren heeft gebracht over het contra-indicatief zijn van bepaalde werksoorten. Er is dus geen aanleiding om aan te nemen dat aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres per de datum in geding, zijn gemist. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de medische beperkingen voor arbeid juist vastgesteld?
5. Eiseres voert aan dat zij niet in staat is regulier werk te verrichten. Bij haar is eerder als diagnose gesteld: ASS, net als een chronische posttraumatische stressstoornis, een depressieve stoornis, maar ook een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken (differentiaal diagnostische angststoornis). Zij heeft hiervoor jarenlang medicatie voorgeschreven gekregen die, naar inmiddels blijkt, verkeerd en te zwaar was. Eiseres vermoedt dat zij zich hierdoor en door haar psychische gesteldheid heel moeilijk kon concentreren. Zij heeft nu een nieuw medicijn erbij gekregen, maar dit werkt een beperkt aantal uren per dag, dus daar buitenom heeft ze nog dezelfde concentratieproblemen. Bovendien maken de overgangen (wel-niet die werking) en de dubbele medicatie het extra zwaar voor haar en is ze al acht kilo aan gewicht verloren. Ook door haar ADHD kan zij zich niet op gezette tijden concentreren. Eiseres voelt zich psychisch en fysiek veel minder sterk dan tien jaar terug toen zij werkte. Verder heeft haar psychiater ook gezegd dat geestdodend werk voor haar contra-indicatief is en zij meer uitdaging nodig heeft. Ook zal het, door de door het UWV ernstig vertraagde procedure en het ruim 1,5 jaar niet gewerkt hebben, moeilijk zijn om weer regulier werk te gaan doen. Daarnaast heeft zij geen rijbewijs en is het openbaar vervoer zo slecht dat zij 30 tot 50% van haar werktijd zal missen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b op overtuigende wijze heeft toegelicht in hoeverre eiseres belast kan worden met werk. Er is voldoende gemotiveerd dat niet voldaan wordt aan de medische criteria voor het ontbreken van benutbare mogelijkheden. [2] Verder is rekening gehouden met de op de datum in geding bestaande diagnoses van een depressieve episode (niet ernstig en met een aanpassingscomponent), een chronische posttraumatische stressstoornis (niet ernstig en met aanpassingscomponent) en cluster B persoonskenmerken. Ook is rekening gehouden met de medicatie ten tijde van de datum in geding. Wat eiseres nu heeft genoemd over de nieuwe medicatie en de gevolgen daarvan, ziet niet op de datum in geding en kan daarom niet worden meegewogen bij de beoordeling. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 27 maart 2024 aangegeven dat de diagnose van ASS nog niet gesteld is, onderzoek daarnaar nog gaande is en heeft hij gemotiveerd overwogen dat zijn onderzoeksbevindingen niet duiden op een ernstig mentaal toestandsbeeld zoals bijvoorbeeld een ernstige ASS, ernstige depressieve stoornis, ernstige PTSS of ernstige persoonlijkheidsstoornis. Dit geeft daarom geen aanleiding om een beperking aan te nemen op het item 1.1 (vasthouden van de aandacht). Zoals in het CBBS [3] is overwogen zal een afwijking in het vasthouden van de aandacht in het dagelijks functioneren over het algemeen alleen voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis. Ten aanzien van de concentratie is verder nog van belang dat de verzekeringsarts b&b heeft overwogen, dat eiseres met de medicatie meer rust ervaart in haar hoofd en dat bij zijn onderzoek sprake was van een goede concentratie. Daarnaast is door de verzekeringsarts b&b in zijn aanvullend rapport van 13 januari 2025 terecht gewezen op de omstandigheid dat eiseres haar werk, ook met haar ADHD en medicatie, al geruime tijd verrichtte. Ook verder heeft hij in dat rapport uitgebreid toegelicht waarom de ADHD ook voor het overige geen aanleiding geeft om, naast de al gestelde beperkingen, aanvullende beperkingen aan te nemen. Eiseres heeft verder ook geen informatie ingebracht die aanleiding geeft om aan de conclusies van de verzekeringsarts b&b te twijfelen. De verzekeringsarts b&b heeft er in zijn aanvullend rapport van 31 maart 2025 ook rekening mee gehouden dat volledig voorgestructureerd werk bij ADHD gecontra-indiceerd kan zijn en er terecht op gewezen dat dit in de FML ook niet beperkt is geacht. Uit de toelichting gegeven in het CBBS op het item 1.9 (mate van zelfstandigheid) volgt namelijk dat op dit item een sterke beperking wordt aangenomen als iemand aangewezen is op volledig voorgestructureerd werk. In de FML is eiseres op dit item niet beperkt geacht.
5.1.1.
Dat het, na lange tijd niet gewerkt te hebben, voor eiseres moeilijk zal zijn om weer aan het werk te gaan is begrijpelijk maar niet iets waarmee volgens de geldende wet- en regelgeving bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling rekening gehouden kan worden. Datzelfde geldt voor wat eiseres gesteld heeft over de problemen met het openbaar vervoer. Ook dit slaagt daarom niet.
5.2.
Eiseres moet op de datum in geding daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die past bij de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 maart 2024.
Mate van arbeidsongeschiktheid
6. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft het UWV vervolgens terecht geconcludeerd dat eiseres de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen. De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn rapportage van 30 mei 2024 en in het resultaat functiebeoordeling van diezelfde datum de medische geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor eiseres voldoende toegelicht. Eiseres heeft hiertegen ook geen gronden ingediend.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht geweigerd heeft om eiseres met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:167, ro. 4.3.
2.Daarvoor wordt verwezen naar artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
3.CBBS = Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.