Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem
Samenvatting
1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1. Op 12 mei heeft het college verzoekster en haar gezin tijdelijk opgevangen in de noodopvang. Het Regionaal Coördinatiepunt Spreiding (RCVS) heeft vervolgens hen op 13 mei 2026 een opvangplek toegewezen in de gemeente Apeldoorn. Deze opvang heeft verzoekster niet geaccepteerd, waarna zij is teruggekeerd naar [plaats 1] waar zij verblijven bij de moeder van verzoekster.
3.2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft het college het recht op gemeentelijke opvang in de gemeente Doetinchem beëindigd omdat verzoekster passende opvang in [plaats 2] heeft geweigerd. Het weigeren van een passende toegewezen opvangplaats wordt beschouwd als het niet meewerken aan de gemeentelijke opvang. In samenhang met de bevoegdheid tot beëindiging van opvang op grond van artikel 4 van Pro de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) [2] leidt dit er volgens het college toe dat het recht op gemeentelijke opvang komt te vervallen. In [plaats 1] is verder ook geen ruimte om verzoekster en haar gezin op te vangen. Alle opvangvoorzieningen zijn vol.
Conclusie en gevolgen
5.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 907 per proceshandeling. Omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen leidt dit tot een totaal van € 1.814.
Beslissing
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814.