Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4664

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
26/2693
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Regeling opvang ontheemden OekraïneArt. 3 Regeling opvang ontheemden OekraïneArt. 2 Regeling opvang ontheemden OekraïneArt. 8:81 AwbArtikel 28 Richtlijn tijdelijke bescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging gemeentelijke opvang Oekraïense ontheemden

Verzoekers, een Oekraïens gezin met twee minderjarige gehandicapte kinderen, verzochten het college van Doetinchem om gemeentelijke noodopvang. Na tijdelijke opvang en een aangeboden locatie in een andere gemeente die zij afwezen wegens ongeschiktheid, beëindigde het college hun recht op opvang. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) een resultaatsverplichting heeft om opvang te bieden, ongeacht het gebrek aan opvangplaatsen. Artikel 4 RooO Pro, waarop het college zich baseerde, biedt geen grondslag voor beëindiging van opvang wegens weigering van een toegewezen opvangplaats.

De rechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak benadrukt de verplichting van gemeenten om opvang te blijven bieden en dat alternatieve opvang mogelijk is als de reguliere opvang vol is.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de gemeentelijke opvang wordt geschorst en het college moet opvang blijven bieden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2693

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], verzoekers

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem

(gemachtigden: R.P.J. Hengeveld en J.T.H. Struker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar gaat over het besluit van het college om het recht van verzoekers enop gemeentelijke noodopvang binnen de gemeente Doetinchem te beëindigen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voeren zij een aantal gronden aan.
1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Op het college rust een resultaatsverplichting om opvang te bieden aan ontheemde Oekraïners. Het gebrek aan opvangcapaciteit ontslaat het college niet van die verplichting. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft het college het recht van verzoekers op opvang in de gemeentelijke noodopvang voor Oekraïense vluchtelingen beëindigd. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1], mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekers en hun twee minderjarige gehandicapte kinderen zijn afkomstig uit Oekraïne. Zij hebben zich op 12 mei 2026 (via de gemachtigde) bij het college gemeld en verzocht hen toegang tot de gemeentelijke opvang voor Oekraïners te geven. Op dat moment verbleven zij bij de moeder van verzoekster in de opvang [naam opvang] in [plaats 1].
3.1.
Het college heeft hen vervolgens tijdelijk opgevangen in een noodkamer. Op 21 mei 2026 is verzoekers via het Regionaal Coördinatiepunt Spreiding (RCVS) opvang aangeboden in de gemeente Apeldoorn. Op 23 mei 2026 hebben verzoekers zich gemeld bij de opvanglocatie aan de [locatie] in [plaats 2]. Omdat zij deze opvanglocatie niet geschikt vonden voor hun gehandicapte kinderen hebben zij de kamer niet geaccepteerd en zijn zij teruggekeerd naar [plaats 1].
3.2.
Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft het college het recht op gemeentelijke opvang in de gemeente Doetinchem beëindigd omdat verzoekers passende opvang in [plaats 2] hebben geweigerd. Het weigeren van een passende toegewezen opvangplaats wordt beschouwd als het niet meewerken aan de gemeentelijke opvang. In samenhang met de bevoegdheid tot beëindiging van opvang op grond van artikel 4 van Pro de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) [1] leidt dit er volgens het college toe dat het recht op gemeentelijke opvang komt te vervallen. In [plaats 1] is verder ook geen ruimte om verzoekers en hun gezin op te vangen. Alle opvangvoorzieningen zijn vol. Verzoekers verblijven nu noodgedwongen in de bibliotheek, maar dat is geen geschikte locatie.
3.3.
Verzoekers betwisten dat zij passende opvang hebben geweigerd. De opvanglocatie aan de [locatie] in [plaats 2] is ongeschikt, zelfs voor korte tijd.
Mocht het college de opvang beëindigen?4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college, hoewel het op de zitting twijfels heeft geuit over het recht van verzoekers op opvang, feitelijk toepassing heeft gegeven aan de RooO door opvang te verlenen. Het college baseert zijn besluit tot beëindigen van de opvang op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de RooO. Dit artikel bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders een ontheemde kan uitsluiten van de opvang, bedoeld in het artikel 2, eerste lid, indien (a) de ontheemde rechtens van zijn vrijheid is ontnomen, (b) door de Minister belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 is geoordeeld dat betrokkene tijdelijke bescherming wordt geweigerd vanwege het bepaalde in artikel 28 van Pro de Richtlijn, of (c) de ontheemde tevens de Nederlandse nationaliteit bezit. Deze omstandigheden zijn niet aan de orde: het weigeren van andere opvang valt daar niet onder. Het college kon zijn besluit dan ook niet op dit artikel baseren.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij begrijpt dat het college voor een grote uitdaging staat om de ontheemden die zich melden opvang te bieden. Hij begrijpt ook dat gemeenten van elkaar en van het rijk afhankelijk zijn om de opvangproblematiek op te lossen. Uit de Europese Richtlijn tijdelijke bescherming vloeit echter voort dat elke lidstaat een resultaatsverplichting heeft om opvang te bieden aan ontheemden uit Oekraïne. In de nationale wet- en regelgeving is het college met die taak belast en om die reden kan het college aan die resultaatsverplichting gehouden worden. Het college kan daarom niet van de opvang van ontheemden uit Oekraïne af zien: het moet zorg dragen voor opvang van ontheemden. De bepalingen in de RooO bieden geen grondslag voor het beëindigen van opvang omdat er geen opvangplaatsen zijn.
4.2.
Als de opvang vol is, kan tijdelijk alternatieve opvang worden geboden, zo staat in artikel 3 van Pro de RooO. Artikel 3 van Pro de Regeling bepaalt dat het college in uitzonderingsgevallen kan voorzien in alternatieve opvang. Hierbij gaat het om opvang anders dan in de gemeentelijke opvangvoorziening en waarvoor het college dan de kosten draagt. Ook kan het college financiële middelen ter beschikking stellen zodat de ontheemde zelf opvang kan regelen en betalen.
4.3.
Artikel 3 van Pro de RooO bevat dus een uitzondering op de hoofdregel en betekent niet dat het college opvang kan weigeren. Deze bepaling maakt het uitsluitend mogelijk om de opvangverplichting op een alternatieve wijze in te vullen als aan de hoofdregel van artikel 2 van Pro de RooO niet kan worden voldaan. [2]
4.4.
Gelet op het voorgaande is het college niet bevoegd iedere vorm van opvang te beëindigen. Het betoog van verzoekers slaagt.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek daarom toe. Het besluit de noodopvang te beëindigen zal worden geschorst tot zes weken na de door het college te nemen beslissing op bezwaar.
5.1. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te bepalen dat het college de bijzondere opvangbehoefte in kaart moet brengen, eventueel door advies te vragen aan een medisch adviseur of het spreidingscentrum. Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. De materiële connexiteit houdt in dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken ook betrekking moet hebben op de inhoud van dat besluit. Het bestreden besluit houdt beëindiging van de noodopvang in. Het verzoek om de bijzondere opvangbehoefte in kaart te brengen gaat de materiële connexiteit dan ook te buiten. Alleen al daarom kan dit verzoek niet worden toegewezen.
7.2. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Ook krijgen zij een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 907 per proceshandeling. Omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen leidt dit tot een totaal van € 1.814.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 26 mei 2026 tot zes weken na de door het college te nemen beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht van € 200 aan hen dient te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraakte ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 april 2022, nummer 3936963, houdende regels voor de huisvesting en verzorging van ontheemden als gevolg van het oorlogsgeweld in Oekraïne (Regeling opvang ontheemden Oekraïne), Staatscourant 2022, 9469
2.Zie rechtbank Noord-Nederland 6 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4074, bevestigd in ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2356.