5.1.De primaire verzekeringsarts heeft in het rapport van 20 maart 2024 overwogen dat uit het relaas van eiseres blijkt dat zij al langer last had van haar klachten. Ze heeft met deze klachten tijdens haar laatste dienstverband doorgewerkt, maar leverde onvoldoende output, waardoor – in overleg met haar werkgever – is besloten om uit dienst te treden per 1 juli 2023, na het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst. In de periode hierna, heeft eiseres zich eerst gericht op rust en ontspanning, waarna ze vervolgens zelfstandig weer aan de slag is gegaan met werkgerelateerde activiteiten, totdat veranderingen optraden in haar woonsituatie. Haar huisbaas kondigde in november 2023 een grootschalige verbouwing aan, waardoor eiseres psychische klachten ervoer. Om deze reden is zij in februari 2024 naar de huisarts gegaan, die haar slaapmedicatie heeft voorgeschreven. De verzekeringsarts concludeert dat op dat moment een verslechtering is ontstaan in de gezondheidssituatie van eiseres, en dat het aannemelijk is dat zij op dat moment beperkingen heeft als gevolg van ziekte of gebrek, waardoor zij niet naar behoren haar eigen werk zou kunnen uitvoeren. De verzekeringsarts b&b stelt in het rapport van 10 mei 2024 geen aanleiding te zien om van het oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken. Er zijn geen medische objectiveerbare feiten en omstandigheden vastgesteld, waarmee kan worden onderbouwd dat eiseres al per 20 mei 2023 arbeidsongeschikt zou zijn voor haar eigen werk.
6. Eiseres voert aan dat zij per de datum in geding niet geschikt was voor haar eigen werk. Zij verwijst daarbij naar verklaringen van haar haptotherapeut van 7 en 24 mei 2024 waarin staat dat eiseres op 26 mei 2023 burn-outklachten had en hiervoor onder behandeling is. Zij kon zich namelijk niet meer concentreren op het werk, was erg moe, sliep slecht, was snel overprikkeld, piekerde veel en was enorm gespannen. Na een aanvankelijk herstel, viel eiseres door stress rondom haar woonsituatie terug. Daarnaast verwijst eiseres naar informatie van haar huisarts, waarin staat dat eiseres in het verleden kortduren temazepam heeft gebruikt, en dat dit op 20 februari 2024 opnieuw is voorgeschreven. Deze verklaringen en deze informatie gevoegd bij wat al bekend was over de medische situatie van eiseres, maken dat er (wel) medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat eiseres haar eigen werk (al) op 20 mei 2023 niet naar behoren kon verrichten.
In reactie op het verweerschrift van het UWV is door eiseres nog aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts ten onrechte stelt dat eiseres al klachten had sinds 2018, na het overlijden van haar moeder, die zijn verergerd in de coronaperiode. Eiseres betwist dit. Haar klachten zijn ontstaan door veranderende en verzwaarde werkomstandigheden. Zij heeft geen Covid gehad, maar heeft wel veel last gehad van de veranderde werkomstandigheden (in een eerdere dienstbetrekking) tijdens de coronaperiode. Vanwege collegialiteit, verantwoordelijkheidsgevoel en het stellen van hoge eisen aan zichzelf is eiseres blijven werken en heeft zij zich niet ziekgemeld. Eiseres heeft ter onderbouwing nog een stuk overgelegd, waarin zij in haar eigen bewoordingen beschrijft hoe haar klachten zijn ontstaan.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV voldoende gemotiveerd dat eiseres op de datum in geding niet ten gevolge van rechtstreeks op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen ongeschikt was voor haar eigen werk. De rechtbank merkt daarbij op dat – zoals in 4.1 overwogen – sprake is van een laattijdige aanvraag, wat betekent dat het aan eiseres is om feiten en omstandigheden aan te dragen, die kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd is en daardoor onjuist is. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het UWV dat eiseres hierin niet is geslaagd. Het UWV stelt terecht dat de stelling van eiseres dat zij al ziek zou zijn geweest tijdens haar voorlaatste en haar laatste dienstverband, niet kan worden gevolgd. Ze heeft zich immers niet ziekgemeld bij haar werkgevers en is daarom nooit gezien door een bedrijfsarts. Daardoor is onvoldoende aannemelijk geworden dat zij vanwege ziekte (gedurende langere tijd en ook nog) op de datum in geding buiten staat was om haar eigen werk te verrichten. Eiseres is kennelijk in deze periode slechts eenmaal bij haar huisarts geweest vanwege haar klachten en heeft blijkbaar evenmin een andere behandelaar geraadpleegd dan de haptotherapeut bij wie zij sinds mei/juni 2023 weer onder behandeling was. De door eiseres overgelegde verklaringen van deze haptotherapeut over de klachten van eiseres, missen een medisch objectieve onderbouwing en leggen daarom onvoldoende gewicht in de schaal. Een haptotherapeut is immers geen medicus en daarom niet gekwalificeerd om vast te stellen of er bij eiseres objectief medisch gezien sprake was van ziekte of gebreken, althans van beperkingen die haar geheel of gedeeltelijk ongeschikt maakten voor haar eigen werk. De rechtbank wijst er nog op, dat de eigen en daarom subjectieve beleving van eiseres omtrent de aard en de ernst van haar klachten in dit verband ook geen rol speelt. De beroepsgronden slagen daarom niet.