ECLI:NL:CRVB:2026:272

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/531 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 1a:1 WajongCompendium Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen

Appellante heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering, die telkens zijn afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat zij vanaf 1 mei 2005 duurzaam geen arbeidsvermogen had. Het Uwv baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen die concludeerden dat er wel perioden waren met arbeidsongeschiktheid, maar niet duurzaam en aaneengesloten over tien jaar.

De rechtbank en de Raad oordeelden dat de medische informatie die appellante aanvoerde geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte die een herziening van het eerdere besluit rechtvaardigen. Ook werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij een dossieronderzoek volstond.

Appellante stelde dat haar arbeidsvermogen duurzaam ontbrak en dat het onderzoek onzorgvuldig was, maar de Raad verwierp deze stellingen. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij appellante ligt en dat de medische gegevens geen duidelijkheid geven over een duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen over de vereiste periode.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek op 11 maart 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen en het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/531 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 februari 2025, 22/2422 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante vindt dat het Uwv had moeten terugkomen van het eerdere besluit van 10 juli 2017 waarbij haar een Wajong-uitkering is geweigerd. Appellante heeft gesteld dat uit de door haar ingebrachte informatie en levensloop blijkt dat zij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt en om die reden als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Namens appellante is mr. Gans verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1984, heeft met een door het Uwv op 10 mei 2017 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 10 juli 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 3 augustus 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juli 2017 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de arts gevolgd in zijn conclusie dat appellante op haar achttiende jaar bij arbeid beperkingen had ten gevolge van ziekte of gebrek. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan uit de beschikbare gegevens worden afgeleid dat er perioden zijn geweest met langdurige psychische klachten, maar ook perioden met wisselende klachten. Hieruit volgt dat aannemelijk is dat er vanaf (arbitrair) 1 mei 2005 periodes zijn geweest dat appellante geen arbeidsvermogen had, maar op grond van de beschikbare gegevens kan niet worden vastgesteld dat sindsdien sprake is geweest van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, noch dat het ontbreken van arbeidsvermogen tien jaar zou hebben voortgeduurd. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de arts gevolgd in de conclusie dat appellante op 8 mei 2017 geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is.
1.3.
Het beroep van appellante tegen het besluit van 3 augustus 2018 heeft de rechtbank bij uitspraak van 15 april 2019 [1] ongegrond verklaard. De Raad heeft het oordeel van de rechtbank bij uitspraak van 1 juli 2021 [2] bevestigd.
1.4.
Met een door het Uwv op 2 november 2021 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Met een besluit van 24 januari 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die het terugkomen van de eerdere besluitvorming rechtvaardigen.
1.5.
Bij besluit van 6 september 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Een groot deel van de medische informatie die appellante in deze procedure heeft ingebracht, dateert van voor het besluit van 10 juli 2017 en voor de uitspraak van de Raad van 1 juli 2021 en levert om die reden geen nieuwe feiten of omstandigheden op. Appellante had die informatie namelijk al eerder kunnen inbrengen. Dat appellante er klaarblijkelijk niet in is geslaagd om de medische informatie boven tafel te krijgen in de voorgaande procedures doet daar niets aan af. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder terecht overwogen dat veel van de aangedragen medische informatie niet ziet op de voor de Wajong relevante periode en te maken heeft met de gewijzigde medische situatie naar aanleiding van een auto-ongeluk in 2016, met de klachten die appellante tot nu toe hiervan ervaart. Verder wordt volgens de arts informatie aangedragen die ziet op korte medische klachten (acute kiespijn) en medische ontwikkelingen na 2007, die niet zijn te relateren aan aandoeningen die ook al op achttienjarige leeftijd speelden. Er is dan ook geen sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen de vijfjaarstermijn.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat ook indien de nu aangedragen medische informatie destijds aanwezig was geweest, niet tot een andere conclusie was gekomen. Omdat appellante haar arbeidsvermogen is verloren op 1 mei 2005 vangt de termijn van tien jaren op deze datum aan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de grote hoeveelheid beschikbare informatie nog steeds geen duidelijkheid kan worden verkregen over het functioneren van appellante in de periode van december 2002 tot en met december 2007. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat het arbeidsvermogen in die periode duurzaam heeft ontbroken. Uit de ontvangen informatie wordt niet evident duidelijk dat er gedurende tien jaar aaneengesloten sprake zou zijn van het ontbreken van arbeidsvermogen. De stelling van appellante dat zij in de periodes tussen haar opnames minimaal heeft gefunctioneerd, wordt niet ondersteund door (medische) informatie en een concrete motivering. Dat appellante meermaals is opgenomen vanwege middelenmisbruik is bekend en is ook meegewogen door de verzekeringsartsen van het Uwv. Dat appellante gedurende langere tijd in het ziekenhuis heeft verbleven alsook haar verblijf in het moeder/kind huis na haar achttiende jaar, is reeds betrokken door de Raad in de uitspraak van 1 juli 2021. Verder betekent het ontvangen van een bijstandsuitkering niet dat appellante destijds niet beschikte over arbeidsvermogen. Appellante is er onvoldoende in geslaagd om gemotiveerd en ondersteund door daarvoor geschikte informatie, te onderbouwen in welke mate haar medische problematiek tot arbeidsbeperkingen heeft geleid. Omdat er in het geval van appellante sprake is van een herhaalde laattijdige aanvraag voor een Wajong-uitkering komt dit voor haar rekening en risico.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat deze onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank heeft de besproken levensloop van appellante onvoldoende betrokken bij het oordeel. Uit de levensloop en het feitencomplex volgt dat het arbeidsvermogen van appellante duurzaam ontbreekt. Verder heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is, omdat zij niet is gezien door een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige. Volgens appellante is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de relevante wijzigingen die zich na het oorspronkelijke besluit van 10 juli 2017 tot aan het bestreden besluit van 24 januari 2022 hebben voorgedaan. Deze informatie is niet meegenomen door de Raad in de uitspraak van 1 juli 2021, want deze was niet eerder voorhanden en deze informatie ziet op de voor de Wajong relevante periode. Ook blijkt uit de informatie dat tussen 2006 en 2008 sprake is geweest van een toename van de psychische klachten en dus van toegenomen klachten binnen vijf jaar. Appellante vindt dat met de door haar in deze procedure ingebrachte informatie tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Appellante heeft aangevoerd dat geen toename van de functionele mogelijkheden en ontwikkeling door behandeling en begeleiding kan worden verwacht. Uit de informatie van Mondriaan blijkt dat EMDR-therapie niet mogelijk was en zal zijn vanwege (te) actief middelengebruik en dat zij door het letsel als gevolg van het ongeval in 2016 nooit helemaal opiaatvrij zal zijn. Er is sprake van een uitbehandelde situatie. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd welke behandeling appellante kan volgen en welke resultaten binnen welke termijn kunnen worden verwacht. Bovendien is er al tien jaar geen arbeidsvermogen, zodat het arbeidsvermogen duurzaam ontbreekt. Dat sprake is geweest van wisselende klachten doet daar niet aan af. Appellante had geen arbeidsvermogen op 8 mei 2017, op 1 november 2021 en 6 september 2022. Uit de overgelegde informatie blijkt dat er geen periode is geweest waarin appellante normaal heeft gefunctioneerd. Appellante was ofwel in behandeling al dan niet met opname, dan wel in afwachting van een behandeling. Traumatische life events verhinderen de ontwikkeling van arbeidsvermogen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte de REA-toetsing niet betrokken bij de beoordeling. Hiermee heeft het Uwv duidelijkheid kunnen verkrijgen over het functioneren van appellante in de voor de Wajong relevante periode. Verder blijkt uit de overgelegde informatie dat appellante tussen haar zevende en tiende levensjaar al in behandeling was voor psychische klachten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Zorgvuldigheid onderzoek
5.1.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig te achten omdat hij heeft volstaan met een dossieronderzoek. Het gaat in dit geval om een beoordeling of sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ten opzichte van de besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordeling in 2017. Uit vaste rechtspraak volgt dat een (persoonlijk) onderzoek in de zin van een spreekuurcontact door een verzekeringsarts daarbij niet noodzakelijk is. [3]
Terugkomen van het besluit van 10 juli 2017
5.2.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 10 juli 2017 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [4] Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De Raad heeft in de uitspraak van 1 juli 2021 [5] de REA-toets en informatie van Mondriaan uit 2018 betrokken, zodat deze informatie niet nieuw is en verder geen bespreking behoeft.
Beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid, beoordeling duurzaamheid
5.4.
Niet in geschil is dat appellante op 1 mei 2005 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) had, wat betekent dat op grond van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong sprake zou zijn van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen als zij gedurende het tijdvak van tien jaar daarna, dus tot 1 mei 2015, duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad.
5.5.
De Raad heeft in de uitspraak van 1 juli 2021 vastgesteld dat uit de beschikbare (medische) informatie weliswaar kan worden afgeleid dat het arbeidsvermogen van appellante in de vijf jaar na haar achttiende verjaardag in periodes heeft ontbroken – zoals ten tijde van intensieve therapie – maar dat niet kan worden vastgesteld dat die situatie ook duurzaam was of dat het ontbreken van arbeidsvermogen sindsdien tien jaar aaneengesloten heeft voortgeduurd. Ook op basis van de in dit geding ingebrachte informatie kan niet worden vastgesteld dat het arbeidsvermogen van appellante tot 1 mei 2015 ononderbroken heeft ontbroken. De door appellante overgelegde informatie geeft geen inzicht in de gevolgen voor de duurzaamheid van de beperkingen vanaf 1 mei 2005, zodat hieruit niet blijkt dat tot een ander oordeel was gekomen als deze informatie bekend was geweest. Anders dan appellante stelt, volgt uit de informatie ook niet dat sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen vanaf 1 mei 2005 of in de tien jaar daarna. De bewijslast ligt bij een verzoek om terug te komen van een laattijdige aanvraag bij appellante.
5.6.
Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het besluit van 10 juli 2017.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Artikel 4:6, van de Awb
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. (…).
Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong
De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.Rb. Limburg 15 april 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:3445.
2.CRvB 1 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1583.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:548.
4.Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
5.CRvB 1 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1583.