Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4738

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2512
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:2 WhtArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op aanvraag aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de Dienst Toeslagen op haar aanvraag voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. De aanvraag werd op 12 november 2024 ontvangen, waarna de dienst de beslistermijn eenmaal verlengde tot 12 november 2025. Na het verstrijken van deze termijn stelde eiseres de dienst op 6 januari 2026 in gebreke.

De rechtbank ontving het beroepschrift op 18 mei 2026 en constateert dat de dienst ook na de ingebrekestelling niet heeft beslist. De rechtbank volgt de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026, waarin is bepaald dat in dergelijke zaken een beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak geldt. De rechtbank legt deze termijn op en stelt de dwangsom op nihil, conform de lijn van de Afdeling.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de dienst op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt de dienst veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot afwijking van deze beslistermijn of dwangsom.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de Dienst Toeslagen wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen zonder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2512

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. van Leeuwen),
en

de Dienst Toeslagen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat de dienst volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 12 november 2024 om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag.
1.1.
Met de brief van 6 januari 2026 heeft eiseres de dienst in gebreke gesteld. De rechtbank heeft op 18 mei 2026 het beroep van eiseres tegen het niet op tijd nemen van een besluit ontvangen. Eiseres stelt dat de dienst niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op haar verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft beslist.
1.2.
De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Het is niet nodig dat partijen op een zitting worden gehoord. Het beroep is namelijk kennelijk ontvankelijk en gegrond. Daarom sluit de rechtbank het onderzoek en doet zij zonder zitting uitspraak. [1] De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaarschrift (de zogenoemde ingebrekestelling). Als het bestuursorgaan na die twee weken nog steeds geen besluit heeft genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. De dienst moet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek een beslissing hierop nemen. [3] De dienst mag deze termijn één keer – zonder overleg met of toestemming van eiseres – verlengen met zes maanden. Uit de brief van 9 april 2025 blijkt dat de dienst van deze verlengingsmogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Uit die brief volgt ook dat de dienst het verzoek van eiseres om aanvullende schadevergoeding op 12 november 2024 heeft ontvangen. Dit betekent dat de beslistermijn eindigde op 12 november 2025.
3.1.
Partijen zijn het erover eens dat de dienst niet binnen de beslistermijn heeft beslist. Na afloop van de beslistermijn heeft eiseres de dienst in gebreke gesteld. Het beroepschrift heeft de rechtbank meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat de dienst niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 6 januari 2026 op het verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de dienst worden opgelegd?
4. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [4] Deze nadere beslistermijn voor bijzondere gevallen mag niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn.
4.1.
In haar uitspraak van 3 juni 2026 [5] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) neergelegd hoe zij vanaf die uitspraak omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen voor aanvullende schadevergoeding bij de CWS in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. Daarin oordeelt de Afdeling dat er gezien de huidige omstandigheden geen mogelijkheid is om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. De Afdeling bepaalt daarom dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. Onder de huidige omstandigheden is er ook geen reden om vooraf uitzonderingen te maken voor de tijd die nodig is voor alternatieve hersteltrajecten of bedenktijd.
4.2.
De rechtbank ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden, zodat de rechtbank de dienst daarom opdraagt om uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van eiseres bekend te maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op aan de dienst?
5. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. [6] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter hiervan afwijken. [7] In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat en toegelicht waarom onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak wordt verbonden op nihil moet worden gesteld. De rechtbank past in deze zaak ook op dit punt de lijn van deze uitspraak van de Afdeling toe. Omdat de dwangsom op nihil wordt gesteld, bepaalt de rechtbank niet dat de dienst een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat de dienst in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De rechtbank ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de dienst de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de dienst de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, moet de dienst het griffierecht aan eiseres vergoeden. Daarbij krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. De dienst moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de dienst de beslistermijn heeft overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de dienst op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek om aanvullende schadevergoeding aan eiseres bekend te maken;
  • bepaalt dat de dienst het griffierecht van € 54 aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de dienst tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Beijerinck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 6.2, eerste lid, van de Wht.
4.Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5.ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192.
6.Dit volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
7.Dit volgt uit artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.