ECLI:NL:RBGEL:2026:4753

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2181 + 26_1920
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 24.2.6 planregelsArt. 1.67 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom terecht opgelegd voor bouwen zonder vergunning op perceel

Eiser heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen vanwege het realiseren van een opbouw op een bijgebouw, het overschrijden van het toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en het bouwen van een carport in het voorerf zonder omgevingsvergunning. Na controles door het college werden deze overtredingen vastgesteld en is eiser gelast deze te beëindigen.

Eiser ging in bezwaar tegen de last, maar het college handhaafde deze. Vervolgens stelde eiser beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat eiser anders dwangsommen verbeurt.

De voorzieningenrechter beoordeelde de beroepsgronden, waaronder de vraag of de garage en overkapping meegeteld mochten worden bij het overschrijden van het toegestane oppervlak. De garage werd terecht als bijbehorend bouwwerk meegeteld, en de overkapping was niet vergunningvrij omdat deze meerdere wanden heeft. Ook was er geen concreet zicht op legalisatie van de carport, omdat het college aangaf de vergunning te zullen weigeren.

De last werd niet als disproportioneel beoordeeld, omdat eiser voldoende ruimte kreeg om te bepalen hoe hij aan de last voldoet. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, en de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De last onder dwangsom is terecht opgelegd en het beroep en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen met verlenging van de begunstigingstermijn tot zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/2181 (verzoek) en 26/1920 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal

(gemachtigde: S. Thijssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom vanwege het realiseren van een opbouw op een bijgebouw, het bebouwen van een te groot oppervlakte met bijbehorende bouwwerken en het realiseren van een carport in het voorerf op de percelen met het adres [adres] in [plaats] (het perceel), dit alles zonder omgevingsvergunning.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd aan eiser. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter heeft wel aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 27 oktober 2025 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 24 maart 2026 op het bezwaar van eiser heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college hebben deelgenomen aan de zitting.
2.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter zet hieronder eerst kort uiteen waar deze zaak over gaat. Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter of het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Waar gaat deze zaak over?
4. Op 1, 2 en 16 april en op 20 mei 2025 hebben toezichthouders van het college controles uitgevoerd op het perceel. Tijdens de controles is geconstateerd dat eiser een opbouw op een bijgebouw in de achtertuin heeft gebouwd, dat het maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (100 m2) wordt overschreden en dat eiser een carport in het voorerf heeft gerealiseerd. Eiser is gelast om de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van dwangsommen van respectievelijk € 10.000,- ineens (last 1), € 10.000 ineens (last 2) en € 5.000,- ineens (last 3).
4.1.
Eiser is tegen de last onder dwangsom in bezwaar gegaan. Voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het advies ingewonnen bij de bezwaarschriftencommissie. Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de last onder dwangsom in navolging van het advies van de commissie in stand gelaten.
4.2.
Bij besluit van 21 april 2026 heeft het college het verzoek om de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de uitspraak in beroep voor lasten 1 en 2 afgewezen. Bij datzelfde besluit heeft het college de last met betrekking tot de carport verlengd tot zes weken na verzending van de beslissing op de aanvraag voor een (legaliserende) omgevingsvergunning.
4.3.
Bij besluit van 1 mei 2026 heeft het college de begunstigstermijnen van alle drie de lasten verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van Pro Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het college voert in dat kader aan dat de last niet onrechtmatig is en dat verzoeker al een tijd wist dat hij aan de last moet voldoen.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat wel sprake is van een spoedeisend belang. Eiser kan de uitkomst in de beroepszaak namelijk niet afwachten, omdat hij vóór die tijd bouwwerken moet afbreken of aanpassen of anders een dwangsom verbeurt. Reeds daarom is er sprake van een spoedeisend belang.
Is sprake van een overtreding?
6. Eiser voert aan dat de garage dient te worden aangemerkt als onderdeel van het hoofdgebouw. De garage beslaat 25 m2. Deze vierkante meters mogen niet worden betrokken bij het aantal vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken op het perceel. Verder mag ook de (bijna) 30 m2 van de overkapping volgens eiser niet worden meegeteld bij de berekening van het aantal m2, omdat de overkapping op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als vergunningsvrij moet worden aangemerkt.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat eiser niet heeft betwist dat sprake is van een overtreding voor zover het de lasten 1 en 3 betreft. Eiser heeft wel concreet betwist dat sprake is van een overtreding voor zover de last onder dwangsom betrekking heeft op het toegestane oppervlak aan bijbehorende bouwwerken. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom alleen of sprake is van een overtreding ten aanzien van last 2.
6.2.
Niet in geschil is dat op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Het college gaat ervan uit dat eiser 25,9 m2 teveel aan bijbehorende bouwwerken heeft gebouwd. Eiser stelt dat dit aantal lager zou moeten uitvallen omdat het college twee bouwwerken (de garage en de overkapping) niet mag meetellen. De voorzieningenrechter bespreekt deze twee bouwwerken hieronder afzonderlijk van elkaar.
Garage
6.3.
Eiser stelt dat het college ten onrechte de garage heeft meegerekend als bijbehorend bouwwerken. De voorzieningenrechter overweegt dat onder bijbehorend bouwwerk op basis van het bestemmingsplan “Dorpen. Actualisatie 2021”, dat onderdeel uitmaakt van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, onder andere de uitbreiding van een hoofdgebouw wordt verstaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestaat een hoofdgebouw, na uitbreiding ervan, per definitie gedeeltelijk (voor zover het de uitbreiding betreft) uit een bijbehorend bouwwerk. [2] De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de garage geen onderdeel uitmaakt van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Het college heeft daarom de garage mee mogen nemen bij de berekening van het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Dat eiser de garage nu gebruikt als (bij)keuken en wasruimte, maakt dat niet anders. Hoe het bouwwerk gebruikt wordt is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van belang voor de vraag of de garage als bijbehorend bouwwerk gekwalificeerd kan worden. Het enkele feit dat het hoofdgebouw is uitgebreid rechtvaardigt namelijk al de conclusie dat sprake is van een bijbehorend bouwwerk.
Overkapping
7. Eiser voert aan dat de overkapping op grond van het bestemmingsplan “Dorpen. Actualisatie 2021”, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, vergunningvrij is omdat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 24.2.6 van de planregels. Artikel 24.2.6, sub b, van de planregels bepaalt voor overkappingen dat deze niet hoger mogen zijn dan 3 meter en maximaal 30m2 oppervlakte mogen beslaan. De overkapping is niet hoger dan 3 meter en heeft een oppervlakte van 29,29 m2, aldus eiser.
7.1.
De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. De voorzieningenrechter is namelijk met het college van oordeel dat de overkapping geen overkapping is als bedoeld in het bestemmingsplan en daarom ook niet vergunningvrij kan zijn op grond van artikel 24.2.6 van de planregels. Volgens artikel 1.67 van de planregels is een overkapping een bijbehorend bouwwerk, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak. De voorzieningenrechter stelt vast dat de overkapping meerdere wanden heeft. Dit is goed te zien op de foto’s die eiser in zijn aanvullend beroepschrift heeft opgenomen. Eiser heeft op zitting enkel benoemd dat het om een cosmetische wand gaat. Wat daar ook van zij, het bouwwerk is voorzien van meerdere wanden. Reeds daarom gaat het betoog van eiser niet op dat de overkapping op grond van artikel 24.2.6 van de planregels vergunningvrij is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
8. Als sprake is van een overtreding, dan is het college bevoegd om daar handhavend tegen op te treden. Als uitgangspunt geldt dat het college ook gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving.
8.1.
In bepaalde gevallen mag van het college toch worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval als handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel zijn.
Is handhavend optreden onevenredig vanwege concreet zicht op legalisatie voor wat betreft de carport?
9. Eiser voert aan dat hij een omgevingsvergunning heeft aangevraagd ter legalisatie van de carport. Eiser wijst erop dat dit tot vergunningverlening moet leiden. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond zo dat eiser meent dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.
9.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie bij planologisch strijdig gebruik er in de eerste plaats ten tijde van het bestreden besluit een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet zijn ingediend. Niet in geschil is dat eiser, voordat het bestreden besluit is genomen, een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Het enkele feit dat er aanvraag is ingediend is echter niet voldoende om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Als (zoals in dit geval) de reguliere procedure van toepassing is, is van concreet zicht op legalisatie geen sprake als het college aan heeft gegeven niet bereid te zijn om een omgevingsvergunning te verlenen. Op zitting heeft het college toegelicht dat er nog geen besluit is genomen, maar dat de aanvraag geweigerd gaat worden. Nu er geen bereidheid bestaat bij het college om de legaliserende omgevingsvergunning te verlenen, is er om die reden geen sprake van concreet zicht op legalisatie.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last disproportioneel?
10. Eiser voert aan dat de last disproportioneel is. Hij wijst erop dat de last inhoudt dat de opbouw geheel verwijderd moet worden, terwijl het college akkoord is gegaan met een aanpassing van de opbouw.
10.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de last niet disproportioneel is. De last houdt simpel gezegd in dat eiser de overtredingen moet beëindigen en beëindigd moet houden. Dit kan hij op verschillende manieren doen, bijvoorbeeld door (een deel van de) bouwwerken) af te breken. Zoals de bezwaarschriftencommissie heeft overwogen, heeft het college eiser de ruimte gelaten om te bepalen hoe hij aan de last wil voldoen. In het bestreden besluit staan een aantal mogelijke herstelmaatregelen, maar dit is geen limitatieve opsomming. Dat hoeft en mag ook niet. Herstelmaatregelen mogen namelijk niet dwingend voorgeschreven zijn. De overtreder moet de vrijheid hebben om alternatieve oplossingen te kiezen, zolang hij maar aan de last voldoet. [3] Eiser betwist dat hem voldoende mogelijkheden zijn geboden, omdat de last niets zegt over het in overeenstemming brengen met de regels van het vergunningvrij bouwen. De last dient volgens eiser te zien op het ongedaan maken van het bouwplan en niet op het geheel verwijderen van de opbouw. De voorzieningenrechter is echter, anders dan eiser, van oordeel dat het college wel voldoende alternatieven heeft geboden. In het bestreden besluit is bijvoorbeeld ook uitdrukkelijk opgemerkt dat eiser de opbouw in oude staat kan terugbrengen, mits hij voldoet aan last 2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
11.1.
Op dit moment verstrijkt de begunstigingstermijn twee weken na deze uitspraak. De voorzieningenrechter heeft op zitting aangegeven in deze uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en de begunstigingsstermijn (uit coulance) te verlengen. Op zitting heeft verzoeker aangegeven zes maanden nodig te hebben om aan de lasten te voldoen. De voorzieningenrechter acht een dergelijke termijn te lang. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt geldt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen. [4] De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om aan te sluiten bij de oorspronkelijke begunstigingstermijn die het college had opgenomen in de last onder dwangsom. De voorzieningenrechter verlengt daarom de begunstigingstermijn tot zes weken na verzending van deze uitspraak.
11.2.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding, omdat de begunstigingstermijn uit coulance wordt verlengd en deze verlenging geen verband houdt met de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- verlengt bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn tot zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
2.ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:238.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1791.