ECLI:NL:RBGEL:2026:478

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ARN 23/7626
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Einduitspraak over de beslissing op bezwaar inzake handhavingsverzoek voor kapwerkzaamheden

In deze einduitspraak oordeelt de Rechtbank Gelderland dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard met een aanvullende motivering het eerder geconstateerde gebrek in de beslissing op bezwaar heeft hersteld. Het beroep van eisers, die een handhavingsverzoek hadden ingediend wegens illegaal kappen van bomen, is gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek. Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand, wat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek blijft bestaan. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken het college opgedragen om het gebrek te herstellen, wat het college heeft gedaan door inzicht te geven in de werkzaamheden die hebben plaatsgevonden. De rechtbank concludeert dat er geen vergunningplichtige werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat de eisers niet hebben aangetoond dat er andere werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor al een vergunning was verleend. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2023, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Tevens wordt het college veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht en proceskosten aan de eisers.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7626

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser], uit [plaats 1], eisers

(gemachtigde: mr. M.A. Patandin),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard

(gemachtigde: M.C. Staring).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel [derde-partij] te [plaats 2].

Samenvatting

1. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Het beroep is gegrond omdat er een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar zit. Toch maakt dit de uitkomst niet anders omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 26 oktober 2023 in stand laat. Dat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 21 april 2021 een verzoek om handhaving ingediend. Het handhavingsverzoek ziet op het illegaal kappen van bomen. Met het besluit van 7 mei 2021 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 16 november 2021 heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 augustus 2023 [1] de beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
2.2.
Met de tweede beslissing op bezwaar van 24 oktober 2023 is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college samen met [persoon A] en de derde-partij. Het beroep is gelijktijdig op zitting behandeld met de zaak ARN 24/3029 (over de omgevingsvergunning voor het kappen van drie wilgen).
2.5.
In de tussenuitspraak van 29 augustus 2025 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen.
2.6.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 7 oktober 2025 een aanvullende motivering ingediend.
2.7.
Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd. De derde-partij heeft niet gereageerd.
2.8.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 december 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Volgens vaste rechtspraak [2] mag de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechtbank blijft daarom bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
Welk gebrek heeft de rechtbank geconstateerd?
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college niet inzichtelijk gemaakt heeft welke werkzaamheden hebben plaatsgevonden op het moment van het handhavingsverzoek. Daarmee is niet duidelijk geworden of de betreffende werkzaamheden vallen onder de vergunningplicht van het bestemmingsplan “Park Lingezegen”, en zo ja, of er een uitzondering op de vergunningplicht aan de orde is. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het college in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen moest het college inzichtelijk maken welke werkzaamheden hebben plaatsgevonden op het moment van het handhavingsverzoek. Het college kon het advies van NLadviseurs daarbij als leidraad nemen. Ook moest het college inzichtelijk maken of er andere bomen dan genoemd in het advies gekapt zijn.
Heeft het college het gebrek hersteld?
3. Eisers betogen dat het college wederom niet inzichtelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden er hebben plaatsgevonden. Het college heeft zich beperkt tot het advies van NLadviseurs. Volgens eisers gaat het college daardoor voorbij aan andere feitelijke werkzaamheden. Dit wordt ook bevestigd in de brief van de Omgevingsdienst regio Arnhem (ODRA) van 31 mei 2021:
“zoals ook in het besluit – en in de brief van 21 april 2021 – is vermeld, zijn er op 22 april 2021 werkzaamheden uitgevoerd aan bomen in de houtsingel tussen water en privétuin van [locatie] in [plaats 1]. De werkzaamheden bestonden uit het snoeien en innemen van bomen om veiligheidsredenen en het rooien (dunnen) van diverse bomen die in slechte staat verkeren, dan wel geen toekomstwaarde hebben. U vraagt om een lijst van gerooide bomen. Deze lijst is er niet, dus kan ik u ook niet toezenden. Het onderhout bestond uit het verwijderen van dood hout bij diverse wilgen, het innemen van een kroon van een wilg i.v.m. veiligheid, het afzagen van een gebroken wilg onder de stambreuk en het omvormen van twee wilgen tot knotwilgen.”
Eisers verwijzen ook naar de foto’s en filmbeelden die bij het bezwaarschrift zijn gevoegd. Hieruit blijkt volgens eisers onmiskenbaar dat er wezenlijk andere werkzaamheden zijn verricht.
3.1.
Het college heeft in de aanvullende motivering uiteengezet welke werkzaamheden hebben plaatsgevonden op het moment van het handhavingsverzoek. Op 10 september 2025 heeft een toezichthouder van het college een inspectie uitgevoerd. Bij het inspectieverslag zijn foto’s gevoegd van de bomen 3, 5, 6 en 8. [3] Het college is nagegaan of het advies van NLadviseurs voor boom 3 is opgevolgd, door de kroon in te nemen. Uit de foto van het inspectieverslag blijkt dat de kroon weer is uitgegroeid tot de omvang die het in 2021 had. Bomen 5 en 6 zijn in overeenstemming met het advies van NLadviseurs gesnoeid op 1,80 meter en zijn als geknotte bomen weer helemaal uitgelopen. Van boom 8 was de stam gebroken. NLadviseurs heeft destijds geadviseerd om de boom onder de stambreuk af te zagen. Dit advies is niet opgevolgd. Alleen het afgebroken deel van boom 8 blijkt te zijn verwijderd. Vervolgens is de stam weer uitgelopen. Het college heeft verder de luchtfoto uit het advies van NLadviseurs vergeleken met de luchtfoto van 12 mei 2025. De luchtfoto van 12 mei 2025 laat zien dat de struik- en kroonbedekking volledig gesloten is. Er zijn geen lege plekken zichtbaar waar mogelijk andere bomen hebben gestaan die buiten het advies van NLadviseurs om zijn gekapt. Het doel van het stimuleren van de groei van elzen en struiken is volgens het college met dit onderhoud bereikt.
3.2.
De rechtbank oordeelt dat het college met de aanvullende motivering voldoende inzichtelijk gemaakt heeft welke werkzaamheden op 21 april 2021 hebben plaatsgevonden. Het college heeft dit met een beschrijving van de werkzaamheden en foto’s uiteengezet. Uit deze motivering volgt dat geen bomen gekapt zijn, anders dan die waar al een omgevingsvergunning voor is verleend. [4] Er is daarom geen sprake van vergunningplichtige werkzaamheden op grond van artikel 13.3.1. van het bestemmingsplan “Park Lingezegen”. Het is ook niet gebleken dat er andere werkzaamheden hebben plaatsgevonden die onder de vergunningplicht vallen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van het bestemmingsplan “Tweede herziening Park Lingezegen”. Eisers hebben geen tegenrapportage ingediend, terwijl zij dat in hun verzoek om uitstel van de reactietermijn van 27 oktober 2025 wel als reden hebben opgegeven waarom een verlenging van de reactietermijn noodzakelijk is. De rechtbank kan uit de brief van de ODRA van 31 mei 2021, waar eisers naar verwijzen, niet opmaken dat meer werkzaamheden hebben plaatsgevonden dan door het college is geconstateerd. Voor zover eisers verwijzen naar foto’s en beeldmateriaal bij het bezwaarschrift, overweegt de rechtbank dat in de uitspraak van 10 augustus 2023 [5] al is geoordeeld dat eisers niet duidelijk hebben gemaakt welke beelden relevant zijn en niet inzichtelijk hebben gemaakt wat de betekenis is van het beeldmateriaal. Dat hebben eisers wederom niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Nieuwe beroepsgronden
3. Eisers betogen in hun zienswijze dat het college onzorgvuldig gehandeld heeft door informatie achter te houden over de directe woon- en leefomgeving van eisers. Verder ontbreekt volgens eisers de zorgplicht voor de natuur. Ook betogen eisers dat de wijze van toetsing niet klopt. Het college toetst alleen aan het bestemmingsplan, terwijl volgens eisers ook aan de beheervoorwaarden uit de koopakte tussen de gemeente Lingewaard en de derde-partij getoetst moet worden. Ook heeft het college niet getoetst aan de NNN-status [6] van het gebied. Volgens eisers heeft het college ook niet gekeken of het om het broedseizoen gaat en of het kavelnummer wel correct is.
3.3.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het geding zoals dat na die tussenuitspraak kan worden gevoerd in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in die tussenuitspraak en zoals die tot dan toe zijn aangevoerd. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat zij het in beginsel in strijd met de goede procesorde zal achten als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. Met de beroepsgronden die zien op de zorgplicht en de wijze van toetsing door het college voeren eisers wel nieuwe gronden aan. De reactie van het college op de tussenuitspraak geeft geen aanleiding voor het nu aanvoeren van deze nieuwe beroepsgronden. Ook verder ziet de rechtbank in wat eisers in de zienswijze geen aanleiding af te wijken van het in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. De rechtbank bespreekt daarom deze beroepsgronden niet inhoudelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2023. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2023 in stand.
4.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 26 oktober 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3481.
3.De nummering van de bomen volgt uit het advies van NLadviseurs.
4.Zie hiervoor de uitspraak van deze rechtbank van 29 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7253.
6.NNN staat voor Natuurnetwerk Nederland.