ECLI:NL:RBGEL:2026:479

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ARN 25/2004
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing verzoek aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslagaffaire

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om een aanvullende schadevergoeding na een eerdere compensatie van € 32.818. De dienst kende aanvankelijk een aanvullende vergoeding van € 23.567 toe, later verhoogd naar € 28.415 na bezwaar. Eiseres stelde dat de vergoeding onvoldoende was, met name voor vervangende opvangkosten, inkomensschade door studievertraging en gemaakte bezwaarkosten.

De rechtbank oordeelt dat de dienst terecht geen hogere vergoeding toekende voor vervangende opvangkosten, omdat eiseres tijdens de betreffende periode geen kosten voor vervangende opvang had. Voor de inkomensschade is een extern financieel deskundige geraadpleegd die een bedrag van € 28.258 berekende, wat de rechtbank als zorgvuldig en begrijpelijk beoordeelt. Eiseres bracht geen concrete bezwaren tegen dit advies naar voren.

Ten aanzien van de in bezwaar gemaakte kosten wijst de rechtbank het verzoek af, omdat het besluit niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, maar vanwege wijziging van wetgeving. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aanvullende schadevergoeding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2004

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. O.E. Usma),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiseres tot een aanvullende schadevergoeding als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiseres is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst de hoogte van de aanvullende schadevergoeding correct heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Aan eiseres is een compensatie toegekend van € 32.818. Vervolgens heeft eiseres op 5 november 2021 de Commissie Werkelijke Schade (CWS) verzocht om een aanvullende vergoeding voor haar geleden schade.
2.1.
Met het besluit van 21 augustus 2023 heeft de dienst een aanvullende schadevergoeding van € 23.567 aan eiseres toegekend. Met het bestreden besluit van
20 maart 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de dienst nog een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 28.415.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de dienst.

Beoordeling door de rechtbank

Had de dienst een hogere schadevergoeding moeten toekennen wegens vervangende opvangkosten?
3. Eiseres stelt dat de dienst een hogere schadevergoeding had moeten toekennen wegens vervangende opvangkosten voor de periode van 2014 tot 2020. Eiseres had in die periode recht op opvang. Volgens het schadekader van CWS dient de kostenopgave van een gedupeerde leidend te zijn. Eiseres heeft een bedrag van € 5.000 verzocht, maar de dienst kent, zonder nadere motivering, een symbolisch bedrag van € 2.000 toe.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de dienst geen schadevergoeding heeft hoeven toekennen wegens vervangende opvangkosten in de gestelde periode. De vergoeding van de vervangende opvangkosten is bedoeld voor ouders die recht op kinderopvangtoeslag hebben gehad, maar door problemen met de kinderopvangtoeslag op vervangende opvang waren aangewezen. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat zij van 2014 tot en met 2020 een bijstandsuitkering ontving, dat zij daarvoor werkzaamheden verrichtte maar dat dit tijdens de schooltijden van haar kinderen was. Dit betekent dat eiseres voor deze periode geen vervangende opvang nodig had waar kosten aan waren verbonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de dienst een hogere schadevergoeding moeten toekennen aan inkomensschade?
4. Eiseres stelt dat de dienst € 145.200 had moeten toekennen aan inkomensschade vanwege haar studievertraging. In het advies van CWS is ook erkend dat eiseres schade heeft geleden door studievertraging. Het toegekende bedrag van € 16.000 is echter gebaseerd op één jaar studievertraging terwijl haar studievertraging ziet op een periode van vijf jaar. Eiseres stelt dat overeenkomstig de Richtlijn Studievertraging van de Letselschaderaad (Richtlijn studievertraging) € 18.150 per jaar had moeten worden toegekend.
4.1.
De dienst heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat, anders dan in het primaire besluit, niet meer wordt aangesloten bij de Richtlijn Studievertraging van de Letselschaderaad, maar dat wordt gekeken naar het individuele geval. Dit is vastgelegd in het nieuwe schadekader. Conform dit nieuwe schadekader is een extern financieel deskundige ingeschakeld om de inkomensschade van eiseres te berekenen. Een bestuursorgaan mag afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [1] Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd. [2]
4.2.
De externe financieel deskundige heeft een advies opgesteld waaruit blijkt dat eiseres € 28.258 aan inkomensschade heeft geleden. Daarbij is gekeken naar de hypothetische situatie dat eiseres per 1 februari 2015 tot de arbeidsmarkt zou zijn toegetreden op basis van de mbo-opleiding Helpende Zorg & Welzijn, niveau 2. Ook is rekening gehouden met de CAO-stijgingen, de functiestappen en de misgelopen pensioenbijdrage van een werkgever.
4.3.
Het advies van de extern financieel deskundige is naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen en de redenering daarin is begrijpelijk. Eiseres heeft verder ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waarom het advies van de extern financieel deskundige onjuist zou zijn. Op de zitting is niet gesteld dat de financieel deskundige is uitgegaan van een onjuiste hypothetische situatie of dat hij andere factoren had moeten betrekken in zijn berekening. Op de zitting is wel gesteld dat ook een deel van de immateriële schade moet worden vergoed. Inkomensschade valt echter onder de materiele schade. De eventuele immateriële schade van een studiestop dient te worden meegenomen binnen de berekening van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Dit is in dat element ook meegenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dienst terecht geen hogere schadevergoeding heeft toegekend voor de inkomensschade van eiseres.
Had de dienst de in bezwaar gemaakte kosten moeten vergoeden?
5. Eiseres stelt dat de dienst de in bezwaar gemaakte kosten had moeten vergoeden. Anders dan de bezwaarschriftenadviescommissie adviseert, wijst de dienst het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten af. Het feit dat het schadekader van CWS is gewijzigd, betekent dat het eerdere schadekader onrechtmatig was. Daarbij komt dat door het herroepen van het eerdere besluit de dienst erkent dat eiseres in eerste instantie niet volledig schadeloos is gesteld. Hierdoor is sprake van een onrechtmatig besluit.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat dat de dienst de in bezwaar gemaakte kosten terecht niet heeft vergoed. Kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [3] In het geval van eiseres is het besluit herroepen wegens wijziging van toepasselijke wetgeving. Die situatie is niet aan te merken als een herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [4] Dat het eerdere schadekader onrechtmatig was, zoals door de gemachtigde gesteld, is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de dienst de hoogte van de aanvullende schadevergoeding correct heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van de artikelen 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:566.
3.Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
4.CRvB, 5 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1755.