Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om een aanvullende schadevergoeding na een eerdere compensatie van € 32.818. De dienst kende aanvankelijk een aanvullende vergoeding van € 23.567 toe, later verhoogd naar € 28.415 na bezwaar. Eiseres stelde dat de vergoeding onvoldoende was, met name voor vervangende opvangkosten, inkomensschade door studievertraging en gemaakte bezwaarkosten.
De rechtbank oordeelt dat de dienst terecht geen hogere vergoeding toekende voor vervangende opvangkosten, omdat eiseres tijdens de betreffende periode geen kosten voor vervangende opvang had. Voor de inkomensschade is een extern financieel deskundige geraadpleegd die een bedrag van € 28.258 berekende, wat de rechtbank als zorgvuldig en begrijpelijk beoordeelt. Eiseres bracht geen concrete bezwaren tegen dit advies naar voren.
Ten aanzien van de in bezwaar gemaakte kosten wijst de rechtbank het verzoek af, omdat het besluit niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, maar vanwege wijziging van wetgeving. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.