Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4934

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
205020-25; 186555-25 en 286824-25 (gev. ttz.)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44bis SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor medeplegen poging tot afpersing met discriminatoir oogmerk en openlijk geweld in vereniging

Op 2 juli 2025 heeft verdachte samen met anderen geprobeerd een man in Apeldoorn af te persen met discriminatoir oogmerk, waarbij geweld werd gebruikt, een vuurwapen werd gericht en een touw werd ingezet. Verdachte was nauw betrokken bij de voorbereiding en uitvoering, waaronder het slaan van het slachtoffer. Op 30 juni 2025 was verdachte betrokken bij openlijk geweld tegen een ander slachtoffer, waarbij hij filmde en zo bijdroeg aan de ontremming van het geweld.

Verdachte werd ook verdacht van schuldheling van twee scooters, waarvan hij voor één scooter werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs van het vermoeden van diefstal. Voor de andere scooter werd schuldheling bewezen verklaard.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en oordeelde dat sprake was van medeplegen. Het discriminatoir oogmerk was gericht tegen de seksuele geaardheid van het slachtoffer, wat de ernst van de feiten verhoogde. Verdachte werd in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht vanwege psychische problematiek en een gedragsstoornis.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 103 dagen op, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 100 uur. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer dagbesteding en medewerking aan hulpverlening. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. Het vonnis werd uitgesproken op 9 juni 2026 door de rechtbank Gelderland.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 103 dagen jeugddetentie (waarvan 90 voorwaardelijk) en 100 uur werkstraf voor medeplegen poging tot afpersing met discriminatoir oogmerk en openlijk geweld in vereniging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/205020-25; 05/186555-25 en 05/286824-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 9 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. M.Ü. Özsüren, advocaat in Harderwijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 05/205020-25
1.
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n)
- met een bivakmuts en/of scooterhelm, althans met gezichtsbedekkende kleding, richting die [aangever 1] is gerend,
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, op of tegen zijn lichaam heeft geslagen en/of
geschopt,
- die [aangever 1] de woorden “vieze homo” toe heeft gevoegd, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1] heeft
gericht,
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen, dat hij moest
luisteren en/of dat het vuurwapen geladen was, althans woorden van soortgelijke aard en/of
strekking,
- heeft getracht een touw om het lichaam van die [aangever 1] te binden en/of
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij zijn telefoon af moest geven, althans woorden van
soortgelijke aard en/of strekking,
terwijl dit feit werd gepleegd in de openbaarheid, zijnde in een park in de gemeente Apeldoorn en terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking
brachten;
subsidiair:
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Apeldoorn, in / nabij park Zuidbroek, in elk geval openlijk,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het met een bivakmuts en/of scooterhelm, althans met gezichtsbedekkende kleding, rennen in
de richting van die [aangever 1] ,
- het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of schoppen op of tegen het lichaam van die [aangever 1]
,
- het aan die [aangever 1] toevoegen van de de woorden “vieze homo”, althans woorden van
soortgelijke aard en/of strekking,
- het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1]
en/of
- het trachten om een touw om het lichaam van die [aangever 1] te binden
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd
voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen
en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of
levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking
brachten;
2.
hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 30 juni 2025 te Apeldoorn, althans in
Nederland, in / nabij park Matengaarde en/of Matenpark, in elk geval openlijk, in vereniging,
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- het meermalen, althans eenmaal, stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] ,
- het meermalen, althans eenmaal, vastpakken van de nek en/of de hals van die [aangever 2] ,
- het meermalen, althans eenmaal, naar de grond gooien, duwen en/of bewegen van die [aangever 2] ,
- het meermalen, althans eenmaal, trappen tegen, althans in de richting van, het lichaam van die
[aangever 2] en/of
- het spugen in de richting van die [aangever 2] ;
subsidiair:
hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 30 juni 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 2] heeft mishandeld door:
- die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd te stompen,
- die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal, om de nek en/of de hals vast te pakken en/of
- die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal, naar de grond te gooien, duwen en/of te bewegen;
in de zaak met parketnummer 05/186555-25
hij op of omstreeks 3 april 2025 te Apeldoorn, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
in de zaak met parketnummer 05/286824-25
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Apeldoorn, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.Het onderzoek op de terechtzitting

Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich in de zaak met parketnummer 05/205020-25 schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde, inclusief het strafverzwarende element, en aan het onder feit 2 primair tenlastegelegde en zich in de zaken met parketnummer 05/186555-25 en 05/286824-25 schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in de zaak met parketnummer 05/205020-25 bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Dat de medeverdachte(n) om een telefoon heeft/hebben gevraagd is onvoldoende voor oogmerk op de beroving. De raadsman heeft gewezen op ECLI:NL:HR:2026:41 en ECLI:NL:HR:2026:43. Verdachte wist niets van het appje dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 30 juni 2025 aan zijn moeder heeft gestuurd. Het staat ook niet vast dat verdachte bij de ‘generale repetitie’ was of dat hij het filmpje daarvan heeft gezien. Verdachte wist niet van het touw of van het wapen. Zelfs al was hij daarvan op de hoogte geweest, dan is een touw of wapen nog niet redengevend voor een beroving.
Voor het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde biedt het dossier volgens de raadsman voldoende wettig en overtuigend bewijs, maar van het strafverzwarende element moet verdachte worden vrijgesproken omdat niet valt uit te sluiten dat het verdachte ging om de pedofiele geaardheid van aangever.
Voor het tenlastegelegde onder feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken. Er waren meerdere jongens aanwezig bij het geweld tegen [aangever 2] . De zwarte schoenen met rode letters zijn niet van verdachte. Alleen het filmen van geweldshandelingen is volgens de raadsman onvoldoende om te kunnen spreken van medeplegen (ECLI:NL:RBDH:2024:12218).
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken voor de scooterheling onder parketnummer 05/186555-25. Hij kon niet vermoeden dat de scooter gestolen was. Hij had de scooter van een vriend geleend. Er zat een sleutel in de scooter en hij had geen weet van de spullen in de buddyseat. Hij is weggereden toen hij een stopteken van de politie kreeg omdat hij geen rijbewijs had. Hij heeft daarvoor ook een boete gekregen.
Volgens de raadsman kan opzetheling onder parketnummer 05/286824-25 bewezen worden.
Beoordeling door de rechtbank
Parketnummer 05/205020-25
Feit 1(poging tot afpersing van [aangever 1] ) [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 2 juli 2025 heeft aangever [aangever 1] rond 19:15 uur afgesproken in het park Zuidbroek in Apeldoorn met een jongen die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’. Ze hadden elkaar die ochtend leren kennen via de app Grindr. Tijdens een wandelingetje met ‘ [naam 1] ’ in het park zag aangever plotseling drie jongens op hem afkomen. Twee jongens droegen een helm en/of bivakmuts. Ze hebben aangever geschopt en geslagen. Het was duidelijke dat ‘ [naam 1] ’ en de andere jongens bij elkaar hoorden. [2]
De jongen die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’ is medeverdachte [medeverdachte 2] . De andere jongens waren verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . [3]
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de primair ten laste gelegde medeplegen poging afpersing met discriminatoir oogmerk bewezen verklaren en overweegt daartoe het volgende.
Aangever heeft verder over het incident het volgende verklaard.
Een van de jongens die uit de bosjes kwamen rennen heeft gezegd dat aangever ‘zijn telefoon moest afgeven’. Een van hen heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op aangever gericht terwijl hij op zijn knieën zat en gezegd dat hij ‘op de grond moest gaan liggen’, dat hij ‘moest luisteren’ en dat ‘het vuurwapen geladen was’. Een andere jongen heeft geprobeerd om een touw om hem heen te knopen. Dit waren de jongens met de helm en de blonde jongen.
Toen de jongens uit de bosjes kwamen, hebben ze dingen geroepen als “vieze homo”. [4]
Over het gebruik van een wapen en touw, de bedoeling om aangever geld/spullen afhandig te maken (het oogmerk van geldelijk gewin) en het discriminatoire oogmerk overweegt de rechtbank als volgt.
Gebruik wapen en touw
In het dossier zit een filmpje dat [medeverdachte 2] op 2 juli 2025 om 18:55 uur aan [medeverdachte 1] en verdachte heeft gestuurd. Op het filmpje is te zien dat [medeverdachte 2] eerst zichzelf filmt met de camera aan de voorzijde van zijn telefoon. Als tijdens de opname wordt gewisseld naar de camera aan de achterzijde van de telefoon is te zien dat [medeverdachte 2] met nog twee andere personen in de dichtbegroeide bosjes stond. Te zien is dat een van deze personen op [medeverdachte 2] afloopt. Hij is helemaal in het zwart gekleed en draagt een zwart masker met zwarte ogen. Hij houdt een zilverkleurig pistool vast. Hij houdt het pistool gericht op [medeverdachte 2] terwijl hij met een stereotiep vrouwelijk loopje op [medeverdachte 2] afloopt. Hij zegt met een hoog stemmetje: “Geef me je pincode dan.”. [5]
Het filmpje laat niet zien welke personen naast [medeverdachte 2] in beeld verschijnen en wie de persoon is die het vuurwapen vasthoudt. Het filmpje is vlak voor het incident, ongeveer twintig minuten eerder, doorgestuurd. Het is opgenomen op/vlakbij de locatie waar het incident heeft plaatsgevonden. Het lijkt erop dat in het filmpje wordt ‘gespeeld’ (alsof het een ‘generale repetitie’ was) wat er later enige tijd later ‘in het echt’ zal gebeuren. Het is niet aannemelijk dat verdachte niets heeft geweten van het filmpje. Hij moet hebben geweten dat het vuurwapen dat tijdens het filmpje te zien was ook zou (kunnen) worden gebruikt tijdens het ‘echte’ incident.
De politie heeft met een speurhond op de locatie van het incident naar sporen van verse menselijke geur gezocht. De hond heeft vlakbij de bosjes een geel touw gevonden. [6]
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de medeverdachten heeft horen praten over een touw. Hij heeft een geel touw gezien. Het touw zat in de buddy van de scooter. Als de verbalisant een foto van het gevonden touw laat zien, herkent [medeverdachte 2] het touw voor 100% als het touw dat in de buddy van de scooter zat. [7]
Verdachte heeft verklaard dat er sprake is geweest van een touw, maar dat het met het touw niet gelukt is. [8]
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever over het dreigen met een vuurwapen en de poging om hem vast te binden met een touw. Verdachte had kunnen weten dat het touw en het wapen zouden worden gebruikt bij de confrontatie. De rechtbank oordeelt deze onderdelen van de tenlastelegging ook wettig en overtuigend bewezen.
Opzet op het vermogensdeel
Verdachte heeft verklaard dat het zijn bedoeling was om een pedofiel te confronteren.
De rechtbank stelt vast dat de verdachten, op het moment dat zij uit de bosjes kwamen meteen zijn begonnen met slaan en schoppen, dat zij een vuurwapen bij zich hadden en dat zij hebben geprobeerd om aangever vast te binden. Uit niets blijkt dat zij alleen maar een gesprek wilden voeren met aangever over zijn pedofilie (confronteren).
Volgens de rechtbank waren de verdachten ook uit op geld. Zij heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat de verdachten riepen dat hij zijn telefoon moest afgeven. Die verklaring vindt op dit punt steun in verschillende onderdelen van het dossier.
In het hiervoor besproken filmpje (‘generale repetitie’), dat als voorbode van wat er even later staat te gebeuren kan worden gezien, wordt gevraagd om een pincode. [9]
Op 2 juli 2025 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] dit filmpje (‘generale repetitie’) en het volgende audiobericht naar [naam 2] gestuurd:
“Ja man. We gaan omni homotje uhh klappen. We gaan ze hele kanker moet racen.”
In straattaal heeft ‘racen’ vaak de betekenis van beroven of stelen. ‘Klappen’ kan betekenen: in elkaar slaan. [10]
Daarbij komt dat onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 1] een chatgesprek tussen hem en ‘mama’ naar voren heeft gebracht. Op 30 juni 2025 heeft verdachte gestuurd dat hij snel geld heeft gemaakt via een ‘klote pedo’. Het heeft in totaal € 800,00 opgeleverd, maar hij hield er zelf € 200,00 aan over. Hij wil dit een paar keer doen. [11]
Dat verdachte niet heeft geweten van de intentie om aangever van zijn spullen te beroven is gelet op het voorgaande niet geloofwaardig. Het filmpje dat kort van te voren werd gemaakt, het direct slaan en schoppen, het meenemen van een touw en een vuurwapen duidt op het voorbereiden van een beroving en ziet er in de uitvoering uit als een beroving. Dat verdachte mogelijk niet wist van de chatgesprekken tussen [medeverdachte 1] en zijn moeder en van het audiobericht van [medeverdachte 2] doet daaraan niet af. Uit deze gesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de intentie tot beroven hadden en aangezien de vier jongens samen optrokken, heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de intentie van [verdachte] anders zou zijn.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat hij zijn telefoon moest afgeven. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging ook wettig en overtuigend bewezen verklaren, zodat van afpersing kan worden gesproken.
Aangever heeft (veelvuldig) om hulp geschreeuwd. De jongens zijn (vermoedelijk daarom) voortijdig gevlucht. Aangever heeft zijn telefoon niet afgestaan. [12]
Om die reden is het bij een poging tot afpersing gebleven.
Discriminatoir oogmerk
Op meerdere plaatsen in het dossier komt naar voren dat het incident heeft plaatsgevonden (mede) omdat aangever homofiel zou zijn.
Zo is bij onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 1] een chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte aangetroffen dat op 2 juli 2025 tussen 14:30 uur en 16:00 uur gevoerd is. [medeverdachte 1] vertelde aan verdachte dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zelf
een homogingen pakken. [medeverdachte 1] heeft toen gevraagd aan verdachte of hij ook wilde komen. Verdachte heeft daarop gezegd daarop dat hij ook mee wilde doen en gevraagd of [medeverdachte 1] een extra bivak had. [13]
Op 2 juli 2025 stuurde medeverdachte [medeverdachte 2] de hiervoor besproken video en het hiervoor besproken audiobericht naar [naam 2] dat ze
een homotjegaan ‘klappen’ (in elkaar slaan).
Aangever heeft verklaard dat er tijdens het incident negatieve opmerkingen zijn gemaakt over zijn seksuele geaardheid, namelijk zijn homoseksualiteit. De verdachten hebben het onderling over het ‘pakken’, ‘klappen’ of ‘racen’ van een homo(tje). Dat maakt het aannemelijk dat het geweld tegen aangever gericht is geweest (ook) vanwege zijn homoseksualiteit. Met hun handelen hebben de verdachten hun haat tegen homoseksuelen tot uitdrukking gebracht. Dat betekent dat sprake is van een discriminatoir oogmerk.
Uit het dossier komt ook naar voren dat het doel van het incident is geweest om een (veronderstelde) pedofiel te confronteren. Ook pedofilie is een seksuele gerichtheid. Handelen uit haat tegen pedofielen valt daarmee ook onder handelen met discriminatoir oogmerk. Haat tegen (veronderstelde) pedofielen die op een manier tot uitdrukking wordt gebracht zoals in dit dossier naar voren komt, keurt de rechtbank ten strengste af. Het zelf voor politie of rechter spelen leidt tot willekeurig handelen, gewelddadige escalaties en daarmee tot onveiligheid in de samenleving. Juist om dit te voorkomen is het optreden tegen strafbaar (pedofiel) handelen opgedragen aan politie en justitie.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het delict.
De verdachten hebben samen de plannen voor de beroving gesmeed en verdachte van dat plan op de hoogte gebracht en gevraagd of hij mee wilde doen. Verdachte was van de inhoud van het plan op de hoogte. Samen hebben zij het plan uitgevoerd.
De rol van verdachte bestond uit het volgende. Verdachte stond in contact met medeverdachte [medeverdachte 2] , zodat hij op de hoogte kon worden gehouden wanneer aangever eraan zou komen. De rechtbank leidt dat af uit het audiobericht dat [medeverdachte 2] op 2 juli 2025 om 19:19 uur naar verdachte gestuurd heeft waarin hij zegt: “Hey boys, hij komt aangelopen nu man. Ga echt ready staan.”. Om 19:22 uur heeft verdachte het bericht gestuurd: “Yo g hoe is t”, en om 19:27 uur: “Ey”. [medeverdachte 2] heeft vervolgens om 19:29 uur gestuurd: “Gaanccnu lopen”. [14] Verdachte heeft ook deelgenomen aan de geweldshandelingen. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangever naar de grond heeft getrokken en op zijn hoofd heeft geslagen. [15] De rechtbank concludeert dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen alle verdachten, zodat van medeplegen kan worden gesproken.
De rechtbank zal het onder 1 primair ten laste gelegde feit (medeplegen van een poging tot afpersing) wettelijk en overtuigend bewezen verklaren.
Feit 2 (openlijke geweldpleging gericht tegen [aangever 2] ) [16]
Uit de aangifte volgt dat aangever op 30 juni 2025 met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) heeft afgesproken om iets uit te praten. Toen aangever met [medeverdachte 3] stond te praten, sloeg [medeverdachte 2] hem ineens van achteren met zijn vuist tegen de zijkant van zijn hoofd. [verdachte] was aan het filmen. Vervolgens is [medeverdachte 1] op hem afgekomen om hem aan te vallen. [17]
Bij het onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 2] zijn drie video’s aangetroffen die op 30 juni 2025 zijn verstuurd. Op de video’s is het voorval op 30 juni 2025 te zien. In de beschrijving van video 2.1.1. staat de vuistslag van [medeverdachte 2] tegen het hoofd van aangever beschreven. In video 2.1.2. is te zien dat [medeverdachte 1] aangever op de grond laat vallen en hem vasthield om zijn nek. Verder is te zien dat de filmer met de witte schoenen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) op aangever afrent en hem hard in zijn rug trapt. Vervolgens wordt aangever nog een keer in zijn rug getrapt door iemand met een zwarte schoen met rode letters. In video 2.1.3. is te zien dat [medeverdachte 1] aangever meerdere keren met de vuist tegen het hoofd slaat en dat [medeverdachte 1] aangever trapt. Ook is te zien dat [medeverdachte 1] aangever tegen de grond gooit en hem in een wurggreep vasthoudt. Vervolgens spuugt [medeverdachte 1] naar aangever. De opname is in het park Matengaarde in Apeldoorn gemaakt. [18]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het incident met een telefoon heeft gefilmd. [19] Naar eigen zeggen heeft hij aangever niet geschopt of geslagen.
Medeplegen
Zoals hiervoor aan de orde is geweest kan de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het delict.
Verdachte maakte deel uit van de groep jongens die geweld heeft gebruikt tegen aangever. Met zijn aanwezigheid heeft hij de groep getalsmatig versterkt. Verdachte hoorde bij de groep geweldsplegers en was geen toevallige voorbijganger. Hij heeft niets gedaan om het geweld te stoppen of om zich van het geweld te distantiëren. Verdachte heeft daarentegen met het filmen van de geweldshandelingen van zijn vrienden tegen het slachtoffer, gezien de context en gelet op de impact van het filmen in de huidige tijd, bijgedragen aan een sfeer van ontremming en opjutting en met het filmen ook de impact van het geweld en de mate van aantasting van de openbare orde vergroot.
De rechtbank zal het onder 2 primair ten laste gelegde feit (openlijke geweldpleging) wettelijk en overtuigend bewezen verklaren.
Parketnummer 05/186555-25 [20]
Verdachte zal worden vrijgesproken van heling van de scooter. Verdachte was in het bezit van een sleutel om de scooter te starten en de scooter vertoonde verder geen opvallende gebreken. Dat verdachte doorreed toen de politie hem een stopteken gaf kan verklaard worden door het feit dat hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Het dossier biedt onvoldoende objectieve aanknopingspunten op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat verdachte had moeten vermoeden dat de scooter gestolen was.
Parketnummer 05/286824-25 [21]
Verdachte heeft dit feit bekend en er is namens hem geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte p. 8 en 9;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/205020-25 onder feit 1 primair en onder feit 2 primair en het onder parketnummer tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij op
of omstreeks2 juli 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en
/ofzijn mededader
(s
)voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en
/ofbedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een telefoon,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [aangever 1]
en/of een derdetoebehoorde
(n
)
- met een bivakmuts en/of scooterhelm
, althans met gezichtsbedekkende kleding,richting die [aangever 1] is gerend,
- die [aangever 1] meermalen
, althans eenmaal,op of tegen zijn lichaam heeft geslagen en
/of
geschopt,
- die [aangever 1] de woorden “vieze homo” toe heeft gevoegd, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1] heeft
gericht,
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen, dat hij moest
luisteren en
/ofdat het vuurwapen geladen was, althans woorden van soortgelijke aard en/of
strekking,
- heeft getracht een touw om het lichaam van die [aangever 1] te binden en
/of
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij zijn telefoon af moest geven, althans woorden van
soortgelijke aard en/of strekking,
terwijl dit feit werd gepleegd in de openbaarheid, zijnde in een park in de gemeente Apeldoorn en terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en
/of bestond uit,werd
voorafgegaan door,vergezeld van
en/of gevolgd dooreen of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen
wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht,hun seksuele gerichtheid
en/of hun handicaptot uitdrukking brachten;
2. primair
hij op
een of meerdere momenten op of omstreeks30 juni 2025 te Apeldoorn
, althans in
Nederland,in
/ nabijpark Matengaarde en/of Matenpark, in elk geval openlijk, in vereniging,
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- het meermalen
, althans eenmaal,stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] ,
- het meermalen
, althans eenmaal,vastpakken van de nek en/of de hals van die [aangever 2] ,
- het meermalen
, althans eenmaal,naar de grond gooien, duwen en/of bewegen van die [aangever 2] ,
- het meermalen
, althans eenmaal,trappen tegen
, althans in de richting van,het lichaam van die
[aangever 2] en
/of
- het spugen in de richting van die [aangever 2] ;
Parketnummer 05/286824-25
hij op
of omstreeks5 juli 2025 te Apeldoorn
,een scooter,
althans een goed heeft verworven,voorhanden heeft gehad,
en/of heeft overgedragen,terwijl hij ten tijde van
de verwerving ofhet voorhanden krijgen van dit goed
wist, althansredelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05/205020-25
feit 1, primair:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk, dan wel bestaat uit gedragingen die haat tegen of discriminatie van een groep mensen wegens hun seksuele gerichtheid tot uitdrukking brengen;
feit 2, primair:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Parketnummer 05/286824-25
schuldheling.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 103 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd in het raadsrapport met een proeftijd van twee jaar. De voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een voorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd. Hij is daarbij uitgegaan van vrijspraak voor alle feiten, behalve de scooterheling onder parketnummer 05/286824-25 en de openlijke geweldpleging jegens [aangever 1] (feit 1 subsidiair van parketnummer 05/205020-25). Ook bij een andere bewezenverklaring moet een werkstraf worden overwogen. Bij een voorwaardelijke jeugddetentie bestaat (altijd) het risico dat verdachte de jeugdgevangenis in moet. De raadsman heeft verder gewezen op het gevaar van overvraging, omdat de hulp bij Accare nog moet beginnen. De dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden vindt de raadsman niet bezwaarlijk.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 10 april 2026 (het strafblad),
  • het NIFP-rapport door psycholoog P.M.A. van Oss van 14 oktober 2025;
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 april 2026;
  • de e-mail van dhr. [hulpverlener] , ambulant hulpverlener bij Pluryn, van 30 april 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Het strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 5 juli 2025 schuldig gemaakt aan heling van een scooter. Heling is een vervelend feit. Het bevordert diefstal en levert schade op. Verdachte heeft weinig respect voor andermans eigendom getoond.
In de dagen daarvoor heeft verdachte zich in korte tijd schuldig gemaakt aan twee ernstige geweldsfeiten. Op 30 juni 2025 was hij betrokken bij openlijke geweldpleging. Het slachtoffer is geslagen, geschopt en bespuugd. Verdachte heeft het incident gefilmd. Op die manier heeft hij bijgedragen aan de (verdere) vernedering van het slachtoffer.
Op 2 juli 2025 heeft verdachte samen met anderen geprobeerd een man af te persen met discriminatoir karakter. Zij hadden via de app Grindr een afspraak gemaakt met de man met het doel hem in de val te lokken. Ze hebben de man geslagen, een vuurwapen op hem gericht en geprobeerd hem vast te binden met een touw. Ook hebben ze geprobeerd om de man zijn telefoon afhandig te maken. Dit alles moet voor aangever zeer beangstigend zijn geweest en het is algemeen bekend dat slachtoffers van een beroving hiervan nog lange tijd gevolgen van ervaren.
Uit het dossier komt bovendien naar voren dat het doel van het incident is geweest om mensen met een homofiele of (veronderstelde) pedofiele geaardheid te discrimineren en confronteren. De rechtbank benadrukt de ernst daarvan. Discriminatie is ondermijnend voor de leefbaarheid in een samenleving en voor de mensen die het raakt is het diep ingrijpend om miskend te worden om wie zij zijn. Daarnaast merkt de rechtbank op dat ook pedofilie een seksuele gerichtheid is. Handelen uit haat tegen pedofiele gevoelens valt daarmee ook onder handelen met discriminatoir oogmerk. Haat tegen (veronderstelde) pedofielen die met grove overschrijding van menselijke en strafrechtelijke grenzen tot uitdrukking wordt gebracht, verdient geen enkele goedkeuring. Het spelen voor eigen rechter leidt tot willekeurig handelen, gewelddadige escalaties en daarmee tot veel onveiligheid in de samenleving. Juist om dit te voorkomen is het optreden tegen strafbaar (pedoseksueel) handelen opgedragen aan politie en justitie.
De rapportages
Het NIFP-rapport van 14 oktober 2025
Uit het psychologisch onderzoek komt verdachte naar voren als een jongen met een belaste achtergrond. Hij is op jonge leeftijd geconfronteerd met huiselijk geweld en relationele en persoonlijke problematiek van zijn opvoeders.
Verdachte is gediagnosticeerd met een oppositioneel opstandige gedragsstoornis (ODD). Hij voldoet aan de criteria van een normoverschrijdende gedragsstoornis (beginnend in de kindertijd, met beperkte prosociale emoties). Cognitief gezien functioneert verdachte op het niveau van zwakbegaafdheid. Verder kampt verdachte met een stoornis in cannabisgebruik (matig) en een andere psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornis.
Het advies is om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.
Om recidive te voorkomen en de ontwikkeling van verdachte te bevorderen wordt een behandeling geadviseerd gericht op het verbeteren van emotieregulatie en motivatie voor gedragsverandering. Hierbij gaat het in het bijzonder om het leren hanteren van boosheid (zo nodig inclusief traumabehandeling), het verbeteren van zijn copingvaardigheden, het realiseren en volhouden van een positieve daginvulling en het afstand houden van de antisociale vriendenkring. Aangezien er in het verleden al veel hulp is ingezet vanuit een vrijwillig kader, wordt behandeling geadviseerd door een GGZ-organisatie met forensische expertise, zoals Accare of een vergelijkbare instelling. Het is hierbij belangrijk dat wordt aangesloten bij de beperkte cognitieve mogelijkheden van verdachte, om te voorkomen dat hij overvraagd wordt. De behandeling kan het best worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.
Advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 april 2026
Uit het advies van de Raad volgt dat er op verschillende domeinen positieve ontwikkelingen te zien zijn. Verdachte heeft werk als bezorger. Dit heeft meer structuur in het dagelijks functioneren gebracht. Er is meer rust in de thuissituatie gekomen.
Er zijn ook zorgen over verdachte. Hij gaat om met jongeren met politiecontacten, gebruikt softdrugs, mist een gestructureerde vrije tijdsbesteding en heeft emotieregulatieproblemen en problemen op het gebied van geestelijke gezondheid. De Raad adviseert om een (deels) voorwaardelijke werkstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van dagbesteding, meewerken aan hulpverlening/behandeling die de jeugdreclassering nodig vindt en meewerken aan hulpverlening vanuit Accare of een soortgelijke instelling.
E-mail van de ambulant hulpverlener bij Pluryn van 30 april 2026
Uit de e-mail volgt dat het goed gaat met verdachte. Er zijn geen bijzondere zorgen om zijn gedrag. Verdachte is niet erg enthousiast over de behandeling bij Accare, waarvoor hij binnenkort een intakegesprek heeft, maar hij staat er wel voor open.
Ter terechtzitting heeft de Raad benadrukt dat een voorwaardelijke jeugddetentie niet geschikt is voor verdachte.
Toerekenbaarheid
De rechtbank neemt de conclusies over de toerekenbaarheid van verdachte over en zal de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat alleen een (deels voorwaardelijke) werkstraf niet passend is voor de feiten die verdachte heeft gepleegd. Ook oordeelt de rechtbank dat het afschrikkende effect van een voorwaardelijke jeugddetentie voor verdachte een grotere stok achter de deur is om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal dan ook een jeugddetentie opleggen van 103 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt van deze straf afgetrokken. Dat betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis als hij niet opnieuw een strafbaar feit pleegt en zich houdt aan de bijzondere voorwaarden die door de Raad zijn geadviseerd. Verdachte kan dan de hulp en behandeling krijgen die nodig is om recidive te voorkomen en om zichzelf verder op een positieve manier te ontwikkelen. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte een consequentie ervaart van zijn handelen in de vorm van een werkstraf. De rechtbank zal rekening houden met de door verdachte te volgen behandeling, die verdachte de nodige tijd en energie zal kosten en zal daarom aan verdachte een werkstraf opleggen van 100 uur.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft in korte tijd twee ernstige geweldfeiten gepleegd. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Er is behandeling nodig om het recidiverisico te verminderen en om de positieve ontwikkeling van verdachte te stimuleren. Ook na het eventuele instellen van een rechtsmiddel moet verdachte niet zonder behandeling en begeleiding komen te zitten. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, van een of meer personen.
De rechtbank zal het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 44bis, 45, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 317 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart het tenlastegelegde onder parketnummer 05/186555-25 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie voor de duur van 103 dagen;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als
  • verdachte een dagbesteding heeft;
  • verdachte meewerkt aan de door jeugdreclassering nodig geachte hulpverlening/behandeling;
  • verdachte meewerkt aan hulpverlening vanuit Accare/soortgelijke instelling/hulpverlening zolang als de reclassering dit nodig acht;
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland, locatie Apeldoorn tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 100 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. M.G.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025312393, gesloten op 27 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 17 en 18; proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 27 t/m 29.
3.Proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte 2] , p. 162; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.
4.Proces-verbaal van aangifte, p. 17 en 18.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 38.
7.Proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte 2] , p. 166.
8.Proces-verbaal van het verhoor van [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 8 juli 2025, p. 2 (geen deel van het proces-dossier).
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54 en 55.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 83.
12.Proces-verbaal van aangifte, p. 18.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 77, 79 en 80.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.
15.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.
16.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025310913, gesloten op 21 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
17.Proces-verbaal van aangifte, p. 37 en 38.
18.Proces-verbaal van bevindingen, 54 t/m 57.
19.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.
20.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025150876, gesloten op 7 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
21.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025316956, gesloten op 5 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.