Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4947

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
AWB-24_3372
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 lid 3 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering

Eiser, werkzaam als junior procesoperator, meldde zich ziek vanwege een COVID-infectie en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem aanvankelijk een uitkering toe op basis van volledige arbeidsongeschiktheid, maar stelde later de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 50,42% per 4 september 2023 na afronding van traumatherapie.

Eiser betwistte deze vaststelling en voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen, waaronder post-exertionele malaise en geheugenproblemen, onvoldoende waren meegenomen. Hij overhandigde een deskundigenrapport dat een grotere arbeidsongeschiktheid onderbouwde.

De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij ook psychische klachten en medicatiegebruik waren betrokken. De bezwaararts concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat het deskundigenrapport onvoldoende verband legde tussen de klachten en de COVID-infectie.

De rechtbank vond dat eiser wel procesbelang had, maar dat zijn beroep ongegrond was omdat de vastgestelde beperkingen en urenbeperking adequaat waren gemotiveerd. Het beroep werd afgewezen, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid op 50,42% is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3372

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.G.W. van Wees),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A. van Klaveren-Drost).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ongewijzigde voortzetting van eisers WGA [1] -uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 50,42% per 4 september 2023. Eiser is het niet eens met de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 17 november 2023 (primair besluit 1) is aan eiser een WIA-uitkering toegekend per 16 augustus 2023, op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Met een tweede besluit van 17 november 2023 (primair besluit 2) heeft het UWV vastgesteld dat eiser per 4 september 2023 50,42% arbeidsongeschikt is. In dit besluit is tevens vermeld dat hij vanaf 15 mei 2025 recht heeft op een loonaanvullingsuitkering op grond van de WIA (en niet meer op een loongerelateerde uitkering), maar dat de hoogte van zijn WIA-uitkering niet wijzigt tot 1 december 2025. Met het bestreden besluit van 12 april 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij deze besluiten gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eisers gemachtigde was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1968, was vanaf begin 2019 werkzaam als junior procesoperator bij Sun-Disc B.V. voor gemiddeld 40,34 uur per week. Per 18 augustus 2021 heeft eiser zich ziekgemeld voor dit werk vanwege een COVID-infectie. Op 23 mei 2023 heeft hij bij het UWV een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.
3.1.
In het kader van de WIA-beoordeling heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV. Omdat eiser per einde wachttijd (15 augustus 2023) was opgenomen bij Trauma Centrum Nederland voor traumatherapie, acht de verzekeringsarts eiser op dat moment volledig arbeidsongeschikt, omdat sprake is van geen benutbare mogelijkheden om arbeid te verrichten. Met het primaire besluit 1 heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend, op basis van volledige arbeidsongeschiktheid.
3.2.
Ten tijde van het spreekuur bij de primaire verzekeringsarts (op 4 september 2023) heeft eiser de traumabehandeling bij Trauma Centrum Nederland afgerond. De verzekeringsarts acht eiser op dat moment belastbaar voor werk en heeft zijn belastbaarheid per 4 september 2023 vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
31 oktober 2023. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 50,42%. Met het primaire besluit 2 heeft het UWV vastgesteld, dat eiser per 4 september 2023 50,42% arbeidsongeschikt is. In dit besluit is tevens vermeld dat de hoogte van zijn WIA-uitkering niet wijzigt tot
1 december 2025.
3.3.
Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een bezwaararts bezwaar en beroep (b&b) [2] ten grondslag. Deze bezwaararts b&b heeft na bestudering van het bezwaarschrift van eiser en de gegevens in het dossier van eiser geen reden gezien om de FML te wijzigen.
Heeft eiser procesbelang?
4. Uit het beroepschrift blijkt dat eisers beroep alleen is gericht tegen het besluit om de vaststelling van de mate van eisers arbeidsongeschiktheid ingaande 4 september 2023 te handhaven op 50,42%. Eiser beoogt met zijn beroep te bereiken dat aan hem een WIA-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 100% wordt toegekend. Tijdens de zitting heeft het UWV de vraag opgeworpen of eiser (nog) procesbelang heeft, nu de mate van arbeidsongeschiktheid op 4 september 2023 niet van invloed is op de hoogte en duur van de loongerelateerde en de loonaanvullingsuitkering. [3] Een gegrond beroep heeft ook geen gevolgen voor de mate van eisers arbeidsongeschiktheid ingaande 1 december 2025, omdat inmiddels op 20 oktober 2025 een besluit is genomen, waarbij aan eiser een vervolguitkering is toegekend per 1 december 2025, waartegen eiser geen bezwaar heeft gemaakt.
4.1.
De rechtbank onderschrijft het standpunt van het UWV niet. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat, bij de vraag of procesbelang aanwezig is, moet worden betrokken het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% (anders gezegd: een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%) heeft voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de loongerelateerde uitkering. [4] Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een loongerelateerde uitkering ten minste twee maanden een verdienvermogen heeft van minder dan 20%, geldt voor die betrokkene immers geen inkomenseis. In dit geval heeft eiser daarom wel procesbelang ten aanzien van het gehandhaafde primaire besluit 2.. Eiser claimt immers volledig arbeidsongeschikt te zijn. Indien de mate van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een gegrond beroep zou worden vastgesteld op 80 tot 100% op zoals in dit geval, een datum gelegen in de periode waarin eiser recht heeft op de loongerelateerde uitkering, heeft dit gevolgen voor de inkomenseis die van belang is na afloop van de loongerelateerde uitkering. Deze eis gaat dan pas gelden vanaf een later moment.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht?
5. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat geen (aanvullend) onderzoek is verricht door de bezwaararts b&b.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij is het volgende van belang. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 31 oktober 2023 volgt dat dossierstudie is verricht (waarbij is kennisgenomen van rapporten van de bedrijfsarts van eisers werkgever en van een op verzoek van de bedrijfsarts uitgebracht rapport door Ergatis) en dat eiser op 4 september 2023 is gezien op een spreekuur. Toen is een (uitgebreide) anamnese afgenomen. Omdat eiser psychische klachten ervaart, is door de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij zijn psychiater, die bij brief van 27 september 2023 op dit verzoek heeft gereageerd. Uit het rapport van de bezwaararts b&b van 8 april 2024 volgt dat in bezwaar dossierstudie is verricht. Eiser heeft niet aangevoerd waaruit het te verrichten (aanvullende) onderzoek door de bezwaararts b&b had moeten bestaan. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de bezwaararts b&b aspecten van de gezondheidssituatie van eiser heeft gemist en daarom aanvullend (spreekuur)onderzoek had moeten verrichten of medische informatie had moeten opvragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn eisers beperkingen juist vastgesteld?
6. Eiser voert aan dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Het UWV heeft onvoldoende het onderzoek van het Amsterdam UMC waarnaar in bezwaar is verwezen, meegenomen bij de beoordeling. Dit onderzoek verklaart de moeheid die ontstaat na fysieke, cognitieve of emotionele inspanning. Het UWV gaat ten onrechte enkel uit van fysieke inspanning. Met dit onderzoek is wel degelijk een onderbouwing voor eisers verdergaande beperkingen, namelijk post-exertionele malaise (PEM), gegeven. Daarnaast zijn de geheugenproblemen niet meegenomen door het UWV. Ook heeft eiser veel rust nodig. Hij slaapt meermaals overdag. Het UWV stelt dan ook ten onrechte dat eiser vier uur per dag kan werken. Eiser is van mening dat hij minder dan één uur per dag kan werken en maximaal drie dagen per week. De urenbeperking is dan ook onjuist vastgesteld.
Eisers leven staat op zijn kop na een COVID-infectie. Hij kreeg de diagnose long-COVID en heeft daarvoor fysiotherapie gehad, maar dit heeft zijn klachten niet verholpen. Eiser is constant moe en de combinatie met zijn psychische problemen maakt dat hij forse beperkingen heeft. Zijn leven is daardoor drastisch gewijzigd. Dit is door zowel Ergatis als het UWV onvoldoende meegenomen. Ook wordt onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser wordt behandeld door een psycholoog en dat hij een traumabehandeling heeft gevolgd. Ook is eisers medicijngebruik onvoldoende meegenomen. Deze medicijnen leiden immers tot vermoeidheid, aldus eiser.
6.1.
Ter onderbouwing van zijn beroepsgronden heeft eiser op 4 mei 2026 een expertiserapport van Het Expertise Orgaan overgelegd. Dit rapport dateert van 6 november 2024 en is opgesteld door een medisch adviseur (verzekeringsarts [verzekeringsarts] ) en een arbeidsdeskundig adviseur (arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] ). Uit het rapport blijkt dat eiser op 16 oktober 2024 is opgeroepen voor een online spreekuur bij [verzekeringsarts] . Eiser claimt op dat moment dezelfde klachten als tijdens het spreekuur bij de primaire verzekeringsarts. [verzekeringsarts] stelt – kort samengevat – dat de verzekeringsartsen van het UWV weinig kennis ten toon spreiden over de gevolgen op lange termijn van een COVID-infectie. Dat de vermoeidheidsklachten als gevolg van long-COVID vaak niet goed geobjectiveerd kunnen worden door medisch onderzoek, betekent niet dat deze klachten er niet zijn en niet vastgesteld kunnen worden op basis van de anamnese en het activiteitenpatroon. De door eiser aangegeven vermoeidheidsklachten kennen hoofdzakelijk een somatische oorsprong door de fors verminderde inspanningstolerantie. De vermoeidheid door mentale klachten kan niet worden uitgesloten, maar is in de situatie van eiser niet de hoofdoorzaak. Hij geeft duidelijk aan uitgerust op te staan en probeert een dagritme aan te houden. Echter na tien tot vijftien minuten inspanning moet hij uitrusten, omdat dit zoveel inspanning vraagt, wat zich de hele dag doorzet. Eiser is voor veel zaken van zijn ADL [5] afhankelijk van familie en had veel meer beperkt moeten worden geacht. Hij is maximaal 1,5 uur per dag belastbaar en maximaal 7,5 uur per week, aldus [verzekeringsarts] . Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] stelt vast dat eiser vanwege deze beperkingen de functies, op basis waarvan zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 50,42%, niet kan verrichten.
7. De rechtbank is van oordeel dat de beperkingen van eiser per 4 september 2023 op juiste wijze zijn vastgelegd in de FML van 31 oktober 2023. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen. De bezwaararts b&b heeft in het rapport van 8 april 2024 gemotiveerd uiteengezet dat de psychische klachten en vermoeidheid, die reeds bekend waren en door de primaire verzekeringsarts zijn benoemd, voldoende zijn meegenomen bij het vaststellen van eisers belastbaarheid. Uit ontvangen informatie van de bedrijfsarts van eisers werkgever blijkt dat deze een onafhankelijk belastbaarheidsonderzoek heeft aangevraagd bij Ergatis, omdat de door eiser ervaren klachten ook door de bedrijfsarts niet te verklaren waren. Uit de door de primaire verzekeringsarts opgevraagde informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater van eiser blijkt, dat eiser is gediagnosticeerd met PTSS en een jeugdtrauma heeft. Hoewel er een forse discrepantie bestaat tussen de ernst van de klachten en de onderliggende aandoeningen, zijn door de primaire verzekeringsarts beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Eiser is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en waarin geen hoog handelingstempo vereist is. Hij is daarnaast beperkt in taken met een verhoogd persoonlijk risico. Eiser is aangewezen op een prikkelarme werkomgeving, is beperkt met betrekking tot het omgaan met en uiten van emoties en het omgaan met conflicten. Hij is beperkt ten aanzien van het beroepsmatig besturen van voertuigen, moet zo nodig kunnen terugvallen op collega’s en moet geen leidinggevende verantwoordelijkheid hoeven dragen. Tevens is een beperking aangenomen voor blootstelling aan stof, rook, gassen en dampen. De urenbeperking is vastgesteld op maximaal vier uur per dag en twintig uur per week.
Ten aanzien van het onderzoek van het Amsterdam UMC waar eiser ook al in bezwaar aan heeft gerefereerd, stelt de bezwaararts b&b dat dit onderzoek de moeheid verklaart die ontstaat bij post-COVID patiënten na inspanning. Uit het dagverhaal van eiser blijkt echter dat hij alle inspanningen vermijdt, waardoor dit onderzoek niet vergelijkbaar is met zijn situatie. Eiser heeft immers verklaard dat zijn moeheid constant is, ook zonder inspanning. Daar komt bij dat de claim van moeheid bij eiser in hoge mate gelieerd is aan zijn PTSS en niet aan post-COVID, aldus de bezwaararts b&b. In het rapport van 7 april 2026 uitgebracht in reactie op de beroepsgronden, heeft de bezwaararts b&b nog erop gewezen dat eiser al langer bekend is met mentale klachten door onder andere zijn PTSS. Zijn vermoeidheidsklachten zijn dus niet enkel terug te voeren op post-COVID.
Wat betreft de door eiser gebruikte medicatie (mirtazepine en sertraline) overweegt de bezwaararts b&b dat deze medicatie voornamelijk wordt voorgeschreven als slaapmedicatie. In de FML is echter al een beperking aangenomen voor het beroepsmatig besturen van een voertuig. Het aannemen van verdere beperkingen als gevolg van deze medicatie is daarom niet nodig. Ook eisers geclaimde geheugenproblemen geven geen aanleiding om de FML aan te passen. Bij zowel het onderzoek door Ergatis, als bij de primaire verzekeringsarts konden deze klachten namelijk niet worden geobjectiveerd.
7.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de conclusies van de bezwaararts b&b te twijfelen. In de FML is rekening gehouden met de psychische klachten en de vermoeidheidsklachten van eiser. Het door eiser ingebrachte deskundigenrapport leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is namelijk van oordeel dat in het rapport een onderbouwing ontbreekt van het verband tussen eisers medische problematiek (de psychische klachten en de vermoeidheidsklachten) en de COVID-infectie. De rechtbank ziet dan ook geen reden om een verdergaande urenbeperking of andere zwaardere beperkingen aan te nemen. Eiser moet daarom per 4 september 2023 in staat worden geacht arbeid te verrichten die past bij de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 31 oktober 2023. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser heeft geen specifieke arbeidskundige gronden naar voren gebracht. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet passend zijn voor eiser.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Dit rapport is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts b&b.
3.Het UWV heeft daarbij verwezen naar artikel 60, derde lid, van de Wet WIA.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485.
5.Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.