ECLI:NL:RBGEL:2026:4983

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/2392
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 8 Uitvoeringsregeling BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardedaling auto

Belanghebbende deed BPM-aangifte voor een Alpina B5 Biturbo Touring Allrad met een bruto BPM van € 45.994. De inspecteur legde een naheffingsaanslag van € 8.919 op, gebaseerd op een waardebepaling door DRZ die geen waardevermindering door schade erkende.

Belanghebbende voerde aan dat de waardedaling volgens een taxatierapport moest worden toegepast, maar de rechtbank oordeelde dat het taxatierapport niet betrouwbaar was omdat de referentieauto niet vergelijkbaar was met de Alpina. De forfaitaire afschrijvingstabel werd daarom toegepast.

De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag niet te hoog was vastgesteld. Wel werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, en werden proceskosten aan hem toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2392

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen,de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 december 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 8.919 opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer]).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B] .

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 3 oktober 2022 BPM-aangifte gedaan van een Alpina B5 Biturbo Touring Allrad (de auto). De bruto-BPM heeft belanghebbende bepaald op € 45.994 (tarief 2020). Datum van eerste toelating van de auto (in Duitsland) is 27 augustus 2019.
2. Bij de aangifte is een taxatierapport, inclusief foto’s, van [naam bedrijf] gevoegd. Het taxatierapport vermeldt onder meer een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto van € 44.635, en een schadecalculatie van € 12.694, waarvan 97,64 % als waardevermindering in aanmerking is genomen. Het rapport vermeldt daarnaast een correctie van € 3.750 vanwege het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand. Het taxatierapport concludeert tot een handelsinkoopwaarde van de auto na waardevermindering van € 28.491. De historische nieuwprijs heeft de taxateur bepaald op € 151.891.
3. Bij de aangifte heeft belanghebbende ook de inkoopfactuur van de auto overgelegd. De factuur met datum 29 september 2022 vermeldt een aankoopprijs in Duitsland van € 88.489,99 (incl. 19% Mehrwertsteuer, de Duitse omzetbelasting).
4. Belanghebbende heeft € 8.627 aan BPM op aangifte voldaan.
5. Op 5 oktober 2022 heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) een waardebepaling van de auto uitgevoerd. Hiervan is een rapport opgesteld (het DRZ-rapport) met datum 6 oktober 2022. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 43.019 (koerslijst X-Ray van het onderliggende voertuig), en heeft schade van nihil gecalculeerd.
6. Vervolgens heeft de inspecteur met datum 12 oktober 2022 een “kennisgeving naheffingsaanslag BPM” naar belanghebbende verzonden. De inspecteur heeft de verschuldigde BPM aan de hand van de door DRZ vastgesteld handelsinkoopwaarde berekend op € 17.546. In die kennisgeving heeft de inspecteur onder meer het volgende vermeld:
“(…)
DRZ heeft een handelsinkoopwaarde vastgesteld van € 43.019. Deze wijkt aanzienlijk af van de handelsinkoopwaarde in uw aangifte. In het rapport waardebepaling DRZ wordt over de schade vermeld: Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als
gebruikersschade worden aangemerkt. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend. (…)”
7. Met dagtekening 2 december 2022 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag BPM van € 8.919 aan belanghebbende opgelegd (€ 17.546 minus € 8.627). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
8. In de uitspraak met dagtekening 22 december 2023 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij voor het berekenen van de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid van de Wet BPM, de taxatiemethode toe mocht passen en dat de aangegeven schade en verminderingen worden onderbouwd door het taxatierapport van belanghebbende. Daarnaast is de inspecteur van een te lage historische nieuwprijs uitgegaan door geen rekening te houden met de afwijkende CO2-uitstoot van dit bijzondere voertuig.
11. De inspecteur stelt dat belanghebbende de waardevermindering niet aannemelijk heeft gemaakt. Het taxatierapport van belanghebbende is niet betrouwbaar vanwege verschillende materiële en formele gebreken. Het voertuig komt niet voor op een koerslijst, en het door belanghebbende gebruikte referentievoertuig is niet bruikbaar, want de Alpina is niet te vergelijken met de BMW 5-serie. Daarom moet worden teruggevallen op de tabel. De naheffingsaanslag is eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
12. De bruto BPM van € 45.994 is niet in geschil.
Kan het taxatierapport dienen ter ondersteuning van de door belanghebbende verdedigde waardedaling van de auto?
13. Belanghebbende heeft zijn verzoek om vermindering van de belasting onderbouwd met een taxatierapport waarbij voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde is uitgegaan van een BMW 5 serie 540i Xdrive High Executive. Belanghebbende heeft in beroep aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de door DRZ gehanteerde handelsinkoopwaarde (voor correctie). Belanghebbende is van mening dat bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde nog wel rekening moet worden gehouden met een waardevermindering door schade en geen oordeel kilometerstand RDW overeenkomstig de door zijn taxateur opgestelde taxatie.
14. De inspecteur stelt in beroep dat de koerslijst X-Ray van een BMW 5 serie 540i Xdrive High Executive niet kan worden gebruikt voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto, en daarmee dus ook niet voor de bepaling van de waardedaling. De Alpina komt als zodanig niet voor op de Nederlandse markt en de netto catalogusprijs van deze auto is niet door een Nederlandse fabrikant of importeur kenbaar gemaakt. De verschuldigde BPM moet daarom worden bepaald op grond van de forfaitaire afschrijvingstabel in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM. Daarmee is volgens de inspecteur eerder te weinig dan te veel BPM nageheven.
15. De rechtbank overweegt dat op grond van constante jurisprudentie de bewijslast van de waardedaling op belanghebbende rust. Die bewijsregel geldt ook indien de belasting wordt geheven door middel van een naheffingsaanslag. [1]
16. De rechtbank overweegt verder als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen. Op grond van artikel 10, achtste lid, van de Wet BPM (wettekst 2022) kan de taxatiemethode worden toegepast als sprake is van meer dan normale gebruikssporen of als de auto niet voorkomt in een koerslijst. Dat betekent dat belanghebbende een beroep kan doen op de taxatiemethode. Bij toepassing van de taxatiemethode kan als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig, gebruik worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig. In dat geval is de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. [2] Het moet gaan om een vergelijkbaar motorvoertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken (zoals merk en model, type aandrijving, uitrusting, leeftijd en kilometrage, en de staat van onderhoud) het dichtst aanleunen bij die van het motorvoertuig waarvan de afschrijving moet worden bepaald. [3] Zowel DRZ als de taxateur van belanghebbende hebben bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde gebruik gemaakt van het (wel) in een koerslijst opgenomen ‘onderliggend’ voertuig, namelijk een BMW 5-serie Touring - 540i xDrive High Executive (de referentieauto). De taxateur van belanghebbende heeft vervolgens correcties toegepast vanwege de schade en het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand.
17. De rechtbank is van oordeel dat de taxatiemethode weliswaar openstaat voor belanghebbende, maar dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen ter ondersteuning van de door hem verdedigde waardedaling van de auto. De inspecteur heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat de referentieauto die door de taxateur van belanghebbende en DRZ is gehanteerd, niet bruikbaar is, omdat deze auto niet vergelijkbaar is. De auto heeft onder meer andere hardware, andere software en een ander vermogen. Belanghebbende heeft ter zitting ook uitgelegd dat de Alpina als basis de BMW neemt, maar dat vervolgens alle onderdelen van de BMW eraf worden gehaald en er een Alpina van wordt gemaakt. In het taxatierapport is deze referentieauto wel gebruikt om de handelsinkoopwaarde vast te stellen, terwijl zo begrijpt de rechtbank, de Alpina weliswaar een BMW 5-serie 540i xDrive als basis heeft, maar een wezenlijk andere auto is. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat de referentieauto daarom niet gebruikt kan worden om de handelsinkoopwaarde vast te stellen. Verder wijst de rechtbank op het grote verschil tussen de door belanghebbende getaxeerde waarde (€ 28.491) en het aankoopbedrag van de auto (€ 88.489,99). De conclusie luidt dat het taxatierapport om inhoudelijke redenen moet worden verworpen. De door inspecteur gestelde formele gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende behoeven daarom geen behandeling meer.
18. Nu de inspecteur voorstaat dat de waardedaling van de auto moet worden bepaald aan de hand van de forfaitaire tabel, betekent dit dat de rechtbank ook niet toekomt aan bepaling van een waarde(daling) van de auto ‘in goede justitie’. [4]
19. Het voorgaande betekent dat teruggevallen wordt op de forfaitaire afschrijvingstabel en de geschilpunten aangaande de historische nieuwprijs, de waardevermindering door schade en geen oordeel kilometerstand RDW geen behandeling meer behoeven.
20. De afschrijving op de auto op grond van de forfaitaire tabel komt uit op 58,664%, terwijl de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een afschrijvingspercentage van 61,85% ((€ 112.745 - € 43.019) / € 112.745)). In zoverre is de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog.
21. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
22. Belanghebbende heeft in zijn stuk van 11 februari 2026 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in de arresten van 19 februari 2016 [5] en 14 juni 2024 [6] . Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [7] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
23. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 6 december 2022. De periode tussen de datum van ontvangst van dat bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is negentien maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) negentien maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vier keer een half jaar, hetgeen correspondeert met een schadevergoeding van € 2.000 (vier maal € 500). De uitspraak op bezwaar dateert van 22 december 2023. De periode gelegen tussen 6 december 2022 en 22 december 2023 is (afgerond) zeven maanden langer dan de termijn van zes maanden die geldt voor de inspecteur. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 737 (7/19 van € 2.000). De Staat moet de rest betalen, dus € 1.263. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van deze procedure. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten.
25. Omdat de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade toewijst, ziet zij aanleiding de inspecteur en de Staat te veroordelen in de forfaitair bepaalde kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze stelt de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25). Uit de dossierstukken volgt niet dat andere kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
26. Omdat het beroep ongegrond is en op 31 mei 2024 de redelijke termijn nog niet was overschreden, heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, aangezien dit is geheven ter zake van het beroep en niet ter zake van het verzoek. [8]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 737;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.263;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 117;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 117.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 24 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, rechtsoverweging 2.3.3 en Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, rechtsoverweging 3.2.2.
2.Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.7.
3.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7589, r.o. 4.6.
7.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
8.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.