Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:499

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 23 _ 7142
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 6:19 AwbArt. 4.1, tweede lid, WhtArt. 4.1, derde lid, sub a WhtArt. 4.1, vierde lid, onder a Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering minister tot overname private schulden in hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de minister van Financiën om overname van diverse private schulden. De minister wees dit verzoek af op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat de schulden niet voldeden aan de voorwaarden voor overname, zoals opeisbaarheid vóór 1 juni 2021, het karakter van de schuld en onderbouwing.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de besluiten van 16 oktober 2023 en 11 februari 2025 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Het beroep tegen het besluit van 19 september 2025 werd ongegrond verklaard. De minister had een deel van de schuld bij Dierenartsenpraktijk Deil en een klein bedrag bij Bosveld Gerechtsdeurwaarders overgenomen, maar de overige schulden, waaronder zakelijke schulden van rechtspersonen, hypothecaire lening, verjaarde schulden en schulden zonder vaststelling van opeisbaarheid, werden terecht geweigerd.

Eiseres voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder onjuiste toepassing van de Wht, onterecht niet toepassen van de hardheidsclausule en onjuiste beoordeling van de aard en opeisbaarheid van schulden. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat zakelijke schulden van B.V.'s en stichtingen niet voor overname in aanmerking komen, verjaring niet leidt tot overnameplicht, en de hypothecaire lening niet voldoet aan de voorwaarden.

De rechtbank oordeelde dat de hardheidsclausule niet van toepassing was, omdat de financiële situatie van eiseres onvoldoende schrijnend was om af te wijken van de wettelijke regels. De minister werd opgedragen het griffierecht te vergoeden aan eiseres, maar een aanvullende proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt afgewezen en het besluit van 19 september 2025 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7142

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om private geldschulden over te nemen. Eiseres is het niet eens met de weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de minister om de schulden over te nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de bestreden besluiten van 16 oktober 2023 en 11 februari 2025 niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen die besluiten. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat de schulden van eiseres niet voldoen aan de voorwaarden voor overname. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep tegen het bestreden besluit van 19 september 2025 is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 juli 2022 heeft de minister de aanvraag van eiseres om schulden over te nemen, afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de minister het besluit van 16 oktober 2023 ingetrokken en vervangen. De minister is bij de weigering om de schulden over te nemen gebleven, onder wijziging van de motivering. Daarbij heeft de minister een proceskostenvergoeding toegekend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Op de zitting is gebleken dat de minister het besluit van 11 februari 2025 zal herzien. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op de zitting geschorst.
2.4.
De minister heeft op 19 september 2025 een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres genomen. Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd en aangevuld.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om overname of betaling van een aantal geldschulden. Het gaat om de volgende schulden:
 € 10.197,69 bij EDR Incasso;
 € 2.100 bij Santander;
 € 2.179,55 bij Liander N.V.;
 € 6.316,27 bij Deurwaarder De Kluijver;
 € 25.400 bij kennissen, vrienden, familie (€ 5.400 bij [persoon A] , en € 20.000 bij [persoon B] );
 € 59.045,18 bij Dierenartsenpraktijk Deil;
 € 8.132,30 bij veehouderij A.J. van Ringelenstein;
 € 405.757,33 bij Van Zee assurantiën & vastgoed B.V.;
 € 2.897,95 bij Hoefsmederij Jan Scherff en Zn v.o.f.;
 € 1.222,36 bij Zilliz;
 € 1.146,01 bij NCOI Opleidingsgroep;
 een schuld bij Bosveld Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s.
3.1.
Bij het besluit van 12 juli 2022, gehandhaafd in de bestreden besluiten van
16 oktober 2023 en 11 februari 2025, heeft de minister geweigerd de schulden over te nemen of te betalen. De minister legt hieraan ten grondslag dat deze schulden niet voldoen aan de voorwaarden uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
3.2.
Bij het bestreden besluit van 19 september 2025 heeft de minister het besluit van 11 februari 2025 herroepen en van de totale schuld van € 59.045,18 bij Dierenartsenpraktijk Deil een bedrag van € 7.059,58 overgenomen. Bij een tussentijdse beschikking van 23 juni 2023 heeft de minister van de schuld bij Bosveld Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s een bedrag van € 192,72 overgenomen. Voor het overige deel van deze schuld heeft de minister overname geweigerd omdat dit deel pas op 11 juni 2021 opeisbaar is geworden. Voor het overige is de minister bij de afwijzing van de schulden gebleven. De minister heeft de motivering daarvoor gedeeltelijk gewijzigd. Omdat het bestreden besluit van 19 september 2025 niet helemaal tegemoet komt aan het beroep van eiseres, is haar beroep van rechtswege mede gericht tegen dit besluit. [1]
3.2.1.
Voor de schulden bij EDR Incasso, deurwaarder De Kluijver, Santander en Zilliz heeft de minister overname geweigerd omdat het zakelijke schulden betreft, deze komen op grond van hoofdstuk 4 van de Wht niet voor overname in aanmerking.
3.2.2.
Voor de schuld bij dierenartsenpraktijk Deil komt € 7.059,58 voor overname in aanmerking. Het overige deel van de schuld is verjaard. Daarom heeft de minister dit deel van de schuld niet overgenomen.
3.2.3.
Voor de schulden bij veehouderij A.J. van Ringelenstein en bij Hoefsmederij Jan Scherff en Zn v.o.f heeft de minister overname geweigerd omdat deze schulden niet voldoende zijn onderbouwd, zodat niet beoordeeld kan worden of deze voldoen aan de voorwaarden van de Wht.
3.2.4.
Voor de schuld bij Van Zee assurantiën & vastgoed B.V. heeft de minister overname geweigerd omdat deze schuld een hypothecaire lening betreft en er geen sprake is van een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak.
3.2.5.
Voor de schulden bij vrienden, familie en kennissen heeft de minister overname geweigerd omdat deze niet zijn vastgelegd in een notariële akte en het bestaan ervan niet uit andere authentieke, betrouwbare en officiële documenten voortvloeit. Ook is niet gebleken dat eiseres in gebreke is gesteld of de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. Deze schulden komen daarom niet voor overname in aanmerking.
3.2.6.
Voor de schuld bij NCOI heeft de minister overname geweigerd omdat de drie openstaande facturen een vervaldatum hebben van na 1 juni 2021. Omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, komt deze niet voor overname in aanmerking.
3.2.7.
De schuld bij Liander N.V. is door de minister vergoed aan de toeslagpartner van eiseres.
Heeft eiseres nog belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit van 11 februari 2025?
4. De minister heeft na de schorsing door de rechtbank het bestreden besluit van 19 september 2025 genomen. Dit besluit is in de plaats gekomen van het besluit van 11 februari 2025. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 11 februari 2025. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het besluit van 11 februari 2025.
Wat is het beoordelingskader?
5. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De schuld moet aan de volgende vereisten voldoen:
i. de schuld is ontstaan na 31 december 2005; en
ii. de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
iii. de schuld niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [2]
Ingetrokken beroepsgronden
6. Eiseres heeft de beroepsgronden dat de minister de aanvraag had moeten toetsen aan het Besluit betalen private schulden en dat de minister het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, op de zitting ingetrokken. Verder heeft eiseres ter zitting bevestigd dat haar beroep niet ziet op het niet (volledig) overnemen van de schuld aan Bosveld Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s. Deze schuld zal hierna dan ook buiten verdere bespreking blijven.
Heeft de minister terecht de zakelijke schulden niet overgenomen?
7. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat de schulden bij EDR Incasso, deurwaarder De Kluijver, Santander en Zilliz niet in aanmerking komen voor overname. De schulden vloeien voort uit een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf van de schuldeiser verrichte rechtshandeling. Eiseres is, samen met haar partner, hoofdelijk aansprakelijk als de schulden leiden tot een faillissement. De schulden komen daarom op grond van artikel 4.1, derde lid, sub a van de Wht voor overname in aanmerking.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat geen sprake is van private schulden. De schuld bij EDR Incasso is een oorspronkelijke schuld van Verkou Beheer B.V. bij Eneco. De schuld bij deurwaarder De Kluijver is een financial lease die is aangegaan door Verkou Beheer B.V. De schuld bij Santander is een schuld die voortvloeit uit een financial leasecontract tussen Santander en Betuwse Dranken B.V. De schuld bij Zilliz staat op naam van [naam stichting], een stichting waarvan eiseres en haar toeslagpartner het bestuur vormen. Al deze schulden zijn van een rechtspersoon. Eiseres heeft verklaard dat zij niet van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schulden.
7.2.
Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat ook privaatrechtelijke zakelijke schulden die voortvloeien uit de in de vorm van een eenmanszaak of een personenvennootschap gedreven onderneming die op het privévermogen van de gedupeerde ouder dan wel zijn of haar toeslagpartner kunnen worden verhaald, kunnen worden overgenomen. Daarmee wordt geprobeerd te voorkomen dat gedupeerde ouders door verhaal op hun privévermogen voor ondernemingsschulden alsnog persoonlijk in de problemen komen. [3] De memorie van toelichting noemt expliciet een eenmanszaak of een personenvennootschap omdat deze geen afgescheiden vermogen kennen. Een van de kenmerken van een B.V. en een stichting is dat deze wel een afgescheiden vermogen hebben, waardoor het zakelijke en privévermogen losstaan van elkaar. In het geval van eiseres gaat het om schulden van een B.V. en van een stichting, waardoor de schulden los staan van het privévermogen. Van een faillissement van de B.V. of de stichting is geen sprake, zodat eiseres al om die reden niet hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schulden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de zakelijke schulden niet voor overname als private schulden in aanmerking komen. Eiseres heeft verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie die zodanig bijzonder is dat de minister deze schulden toch dient over te nemen. De minister heeft de overname van de schulden bij EDR Incasso, deurwaarder De Kluijver, Santander en Zilliz daarom terecht geweigerd.
Is de schuld bij dierenartsenpraktijk Deil deels verjaard?
8. Eiseres beoogt dat de minister ten onrechte de schuld bij dierenartsenpraktijk Deil niet heeft overgenomen omdat deze gedeeltelijk is verjaard. Uit de Wht blijkt namelijk niet dat een schuld nog opeisbaar moet zijn om voor overname in aanmerking te komen. Overname weigeren vanwege civielrechtelijke verjaring is ook niet in lijn met het doel en de strekking van de Wht, dat is gericht op volledig financieel en maatschappelijk herstel. Verjaring betekent bovendien niet dat de schuld niet meer bestaat, alleen dat betaling civielrechtelijk niet meer afdwingbaar is. Er is nog sprake van een natuurlijke verbintenis die verrekend kan worden. Het is onevenredig als deze schuld niet wordt overgenomen. De minister heeft de afgelopen jaren geen onderzoek gedaan naar verjaring van schulden, het is willekeurig en inconsistent om verjaring nu wel tegen te werpen.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat de schuld, voor zover voor 2 mei 2017 ontstaan, is verjaard. Voor de betalingsachterstanden van vóór 2 mei 2017 rest daarom slechts een natuurlijke verbintenis tot betaling. Deze verbintenis is alleen niet juridisch afdwingbaar, dus er kunnen geen incassomaatregelen meer worden genomen. Gelet op het doel van de Wht komt dit deel van de schuld daarom niet voor overname in aanmerking. De minister heeft terecht de schuld bij dierenartsenpraktijk Deil slechts deels overgenomen. Dat de minister de verjaring niet eerder heeft tegengeworpen doet daaraan niet af. De minister mag in de beslissing op bezwaar de motivering van het besluit wijzigen, zolang eiseres daardoor niet in een slechtere positie komt. Die situatie doet zich niet voor.
Heeft de minister overname van de schulden bij veehouderij A.J. van Ringelenstein en hoefsmederij Jan Scherff en Zn v.o.f. terecht afgewezen?
9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte het fiscale factuurbegrip heeft toegepast. Eiseres kan het bestaan van de schulden bewijzen met bankafschriften en correspondentie. Als het bestaan of de hoogte van de schuld onduidelijk was, had de minister nader onderzoek moeten doen en niet zonder meer overname weigeren. De minister had deze schulden daarom over moeten nemen.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de rekeningen van A.J. van Ringelenstein staat geen termijn waarbinnen de betaling moet zijn gedaan. Daarom kan niet worden vastgesteld of en wanneer deze schulden opeisbaar zijn geworden. De rekening van hoefsmederij Jan Scherff & Zn v.o.f. dateert van 10 maart 2022 en is voor openstaande posten voor werkzaamheden en materialen in de periode van 2013 tot 2021. Van deze rekening is niet vast te stellen wanneer de openstaande posten zijn ontstaan. Ook daarom kan niet worden vastgesteld of deze rekening vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De minister heeft daarom terecht de overname van deze schulden geweigerd omdat niet kan worden vastgesteld of deze schulden voldoen aan de voorwaarden van de Wht.
Had de minister de hypothecaire lening over moeten nemen?
10. Eiseres betoogt dat de minister de hypothecaire lening bij Van Zee assurantiën & vastgoed B.V. te formeel heeft beoordeeld. De lening is eigenlijk een juridisch geconsolideerde schuld die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De hypotheek is alleen een pressiemiddel voor inning van een bestaande vordering. Het onderpand is niet te gelde te maken zonder dat een substantiële restschuld overblijft. Deze schuld is, gelet op de herkomst en structuur, een bijzondere schuld. Omdat deze situatie niet is voorzien in de Wht, had de minister op grond van de evenredigheid deze schuld over moeten nemen.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
10.1.1.
Uit de Wht blijkt dat de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, niet wordt overgenomen tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. [4] Uit de memorie van toelichting en rechtspraak blijkt dat het doel van de Wht is om gedupeerde ouders een nieuwe start te bieden door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Er wordt pas tot incassomaatregelen overgegaan als een schuld opeisbaar is en niet kan worden voldaan. De wetgever heeft ervoor gekozen om alleen opeisbare schulden of achterstanden onder de regeling te brengen. Hierdoor zullen niet alle ouders volledig worden gevrijwaard van alle schulden. De regeling is niet gericht op het herstellen van onrecht, maar op het bieden van een nieuwe start. De wetgever heeft bewust hiervoor gekozen. Als gevolg hiervan zijn er gedupeerde ouders die na de hersteloperatie met schulden achterblijven. Sommige schulden zijn uitgesloten van overname. Alleen op 1 juni 2021 openstaande betalingsachterstanden op geldschulden worden overgenomen, niet de toekomstige termijnen. Het is namelijk niet het doel van de regeling om ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Bij hypothecaire leningen kan het voorkomen dat na meerdere niet betaalde maandelijkse termijnen de hoofdsom van de lening opeisbaar wordt. In die situatie wordt onderscheid gemaakt tussen de opeisbare achterstallige betalingen enerzijds en de hoofdsom anderzijds. Alleen de opeisbare achterstallige betalingen worden overgenomen. Ook de resterende hoofdsommen van andere leningen worden niet overgenomen of betaald, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Het gaat dan bijvoorbeeld om hoofdsommen van consumptieve kredieten, zoals persoonlijke leningen, doorlopende kredieten, negatieve saldi op betaalrekeningen, aankopen op afbetaling, private leases en huurkoop. Als ook de hoofdsom voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, door bijvoorbeeld betalingsachterstanden, wordt deze wel in zijn geheel betaald. Dit om te voorkomen dat de schuldeiser voor die opeisbare hoofdsom alsnog incassomaatregelen neemt en de gedupeerde ouder daardoor in de problemen komt. [5]
10.1.2.
In dit geval gaat om een gedeelte van de hypothecaire lening van eiseres, het gaat niet om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. In de memorie van toelichting bij de Wht wordt expliciet ingegaan op het overnemen van een hypotheekschuld. Hierin wordt toegelicht dat de hypothecaire hoofdsom opeisbaar kan worden als de maandelijkse termijn meerdere keren niet is betaald. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de opeisbare achterstallige betalingen enerzijds en de hypothecaire hoofdsom anderzijds. Alleen de restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak wordt overgenomen. Hoewel een hypothecaire lening veel wordt gebruikt ter financiering van een woning, is er geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de wetgever niet heeft voorzien dat de geldsom, die wordt verkregen met de hypothecaire lening, ook een ander doel kan hebben dan enkel de aanschaf van een onroerend goed. De aard van de hypothecaire lening wordt immers niet bepaald door het doel van de lening, maar door de vorm van zekerstelling. [6] De rechtbank overweegt daarom dat de hypothecaire lening dus niet per se hoeft te zijn aangegaan voor het financieren van een woning, maar ook kan gaan over een lening voor het afbetalen van andere schulden.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de schuld van eiseres een hypothecaire lening is zoals bedoeld in artikel 4.1, vierde lid van de Wht. Niet is gebleken dat de volledige hoofdsom vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De schuld voldoet daardoor niet aan de voorwaarde van de Wht en komt daarom niet voor overname in aanmerking. Weliswaar vielen de schulden oorspronkelijk niet onder de hypotheek van eiseres, maar dat neemt niet weg dat het inmiddels wel gaat om een hypotheek. De wetgever heeft uitdrukkelijk bepaald dat zo’n schuld niet kan worden overgenomen. De minister heeft daarom terecht de hypothecaire lening bij Van Zee assurantiën & vastgoed B.V. niet overgenomen.
Heeft de minister terecht de schulden bij familie, vrienden en kennissen niet overgenomen?
11. Eiseres betoogt dat de schulden bij familie, vrienden en kennissen voor overname in aanmerking komen omdat de eis van een notariële akte onevenredig zwaar is. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [7]
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
11.1.1.
Er kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld als aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. [8]
11.1.2.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de schuld bij [persoon A] weliswaar een inventarislijst is overgelegd waarop staat welke goederen in bruikleen zijn gegeven aan eiseres, maar niet kan worden vastgesteld wat de tegenprestatie van eiseres inhoudt en wanneer deze opeisbaar is geworden. De schuld voldoet daarom niet aan de voorwaarden van de Wht. Van de schuld bij [persoon B] is een leningsovereenkomst overgelegd waarmee het bestaan van de informele schuld en de daarvoor gemaakte betalingsafspraken aannemelijk is gemaakt. De overeenkomst dateert echter van 6 december 2021 en uit de overeenkomst volgt dat het geleende bedrag uiterlijk op 1 juli 2022 moest zijn terugbetaald. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar moest zijn. [9] De minister heeft daarom terecht deze schulden niet overgenomen.
Heeft de minister terecht de schuld bij NCOI niet overgenomen?
12. Eiseres betoogt dat de schuld bij NCOI Opleidingen voor overname door de minister in aanmerking moet komen omdat deze voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. De schuld vloeit voort uit een opleidingsovereenkomst voor de opleiding ‘MBO Persoonlijk Begeleider specifieke doelgroepen niveau 4’. Eiseres is in september 2021 met deze opleiding begonnen. Omdat eiseres voordat zij met deze opleiding kon beginnen een startkwalificatie nodig had, is zij feitelijk al in januari 2020 met de opleiding begonnen.
12.1.
De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. Een schuld moet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn om voor overname in aanmerking te komen. [10] De drie facturen van NCOI zijn gedateerd op 2 november 2021, 8 maart 2022 en 15 augustus 2022. Daarmee is gegeven dat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Dat eiseres feitelijk eerder is begonnen met haar opleiding, maakt dat niet anders omdat de datum van opeisbaarheid van de schuld bepalend is. De minister heeft terecht geweigerd de schuld over te nemen omdat deze niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht.
Had de minister de hardheidsclausule toe moeten passen?
13. Eiseres betoogt dat er sprake is van een uitzonderlijke en zwaarwegende combinatie van omstandigheden waardoor het voor haar onevenredige gevolgen heeft als de minister het overnemen van schulden weigert. Het voortbestaan van haar onderneming en de zorgboerderij komen in gevaar. Zij zal daardoor haar inkomen verliezen.
13.1.
Volgens vaste rechtspraak [11] kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
13.2.
Op de zitting heeft eiseres uitgelegd dat haar financiële problemen grotendeels zijn ontstaan door een zakelijk conflict met Van Zee en in mindere mate door de problemen rondom de teruggevorderde kinderopvangtoeslag in het verleden. Het bestaan van diverse schulden heeft er wel toe geleid dat eiseres en haar partner de situatie niet goed meer konden overzien, zeker niet nadat zij hun boekhouder niet meer konden betalen en geen jaarrekeningen meer werden opgemaakt. Op dit moment krijgen zij vanuit de gemeente (brede) ondersteuning bij het in kaart brengen van de financiële situatie en is eiseres bezig de administratie (zeventig dozen) te verwerken. Daarmee is de financiële situatie op dit moment nog onduidelijk. De rechtbank ziet hierin onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de situatie zodanig bijzonder of schrijnend is dat het vasthouden aan de voorwaarden van artikel 4.1 Wht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hoewel het invoelbaar is dat eiseres het financieel erg zwaar heeft en dat een grote impact heeft op haar (gezins)leven, is er onvoldoende aanleiding om te spreken van een zodanig schrijnende situatie dat er, gelet op hiervoor genoemde omstandigheden, afgeweken moet worden van de wettelijke bepalingen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep van eiseres is, voor zover gericht tegen de besluiten van 16 oktober 2023 en van 11 februari 2025, niet-ontvankelijk. Voor zover het beroep is gericht tegen het bestreden besluit van 19 september 2025, is het ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 19 september 2025 in stand blijft.
14.1.
Omdat eiseres het beroep terecht heeft ingesteld, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Omdat de minister op 25 maart 2025 heeft toegezegd de proceskosten van de bezwaarfase aan eiseres te vergoeden en bij het besluit van 19 september 2025 heeft toegezegd de proceskosten van de beroepsfase te vergoeden, geeft de rechtbank daarover geen oordeel. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 19 september 2025 niet slaagt, heeft eiseres geen recht op een aanvullende proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen de besluiten van 16 oktober 2023 en 11 februari 2025 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit van 19 september 2025 ongegrond;
  • draagt de minister op het griffierecht van € 184 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
3.Kamerstukken II 2021/2022, 36151, nr. 3 (MvT), p. 45-46.
4.Dit volgt uit artikel 4.1, vierde lid, onder a van de Wht.
5.ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6140, ro. 11.2.
6.ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6140, ro. 11.3.
7.ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4309.
8.ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, ro. 26.
9.Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, onder b van de Wht.
10.Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, onder b van de Wht.
11.ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, ro. 11.2 e.v.