De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de hoofverblijfplaats van de minderjarige zoon van partijen te bepalen bij de vrouw en te bepalen dat de zoon voortaan zal worden ingeschreven in de BRP op het adres van de vrouw;
II. te wijzigen de zorgregeling m.b.t. de dochter van partijen, onder de bepaling dat zij, zolang haar trauma therapie niet is afgerond en de relatie met haar vader niet is hersteld, volledig bij haar moeder zal blijven;
III. te wijzigen de financiële afspraken m.b.t. de kinderen, onder de bepaling:
dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 toekomt de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor de minderjarige zoon van partijen;
dat de man met ingang van 26 januari 2026 een bijdrage dient te voldoen aan de vrouw:
in de kosten van de zoon met een bedrag ad € 350,00 per maand, alsmede
in de kosten van de dochter met een bedrag van € 450,00 per maand,
bij vooruitbetaling telkens per de eerste van de maand aan de vrouw te voldoen;
dat de man, zodra de dochter van partijen de 18 jarige leeftijd heeft bereikt, dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de zoon van partijen met een bedrag ad € 450,00 per maand, ervan uitgaande dat de man vanaf dat moment rechtstreeks aan zijn dochter zal voldoen een bedrag ad € 450,00 per maand;
dat het per heden opgebouwde spaartegoed voor de kinderen op de Groei Groterrekeningen (per heden € 6.730,69 voor [de dochter] en € 6.663,92 voor [de zoon] ) ongewijzigd ten behoeve van de kinderen zal worden gereserveerd tot zij de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, waarna het de kinderen zal toekomen.