ECLI:NL:RBGEL:2026:5034

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/6319
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Wevers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 AwrArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 16 AwrArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2022 wegens onjuiste giftenaftrek

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2022, waarbij een bedrag aan giftenaftrek werd betwist. De inspecteur stelde dat het opgevoerde bedrag aan giften feitelijk de ingehouden loonheffing betrof, waardoor sprake was van een onjuiste aangifte en te kwader trouw handelen.

De inspecteur heeft belanghebbende tijdig de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van het hoorrecht, maar belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd. De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden omdat de reactietermijn redelijk was en belanghebbende pas na afloop van deze termijn liet weten gehoord te willen worden.

Verder is geoordeeld dat de navordering terecht is opgelegd omdat sprake is van een nieuw feit, namelijk de onjuiste kwalificatie van het bedrag als gift. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrente aangevoerd, zodat deze in stand blijft.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor belanghebbende geen gelijk krijgt, geen griffierecht terugontvangt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 wordt ongegrond verklaard vanwege het niet tijdig gebruikmaken van het hoorrecht en het bestaan van een nieuw feit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6319

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Den Haag, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 juni 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 45.284 bestaande uit belastbaar inkomen uit werk en woning. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belastingrente ten bedrage van € 226 in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De inspecteur heeft bij brief van 4 november 2024 verzocht anoniem te mogen procederen met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 24 september 2025 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek toegewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de inspecteur deelgenomen. In afwijking van artikel 8:77, eerste lid, onder a, van de Awb wordt de naam van de inspecteur niet genoemd. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de geheimhoudingskamer.
Belanghebbende is zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank niet op de zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 11 maart 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 9 april 2026.
De rechtbank heeft op 11 maart 2026 om 08:21 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd naar het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Gemachtigde heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 11 maart 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. [1] De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1986 en woonachtig in [woonplaats] .
2. Belanghebbende heeft op 28 april 2023 de aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een verzamelinkomen van € 33.546 aangegeven bestaande uit belastbaar inkomen uit werk en woning. Daarnaast heeft belanghebbende bij de rubriek giften een aftrek van € 11.738 aangegeven.
3. Met dagtekening 21 juli 2023 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd conform de ingediende aangifte.
4. Bij brief van 3 februari 2024 heeft de inspecteur het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2022 aan belanghebbende kenbaar gemaakt. De inspecteur geeft aan dat hij uit het door belanghebbende in aftrek genomen bedrag van
€ 11.738 aan giften met daarbij de gegeven omschrijving opmaakt dat dit bedrag exact de ingehouden loonheffing op het inkomen uit loondienst betreft. De inspecteur is van mening dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan en te kwader trouw is. De inspecteur biedt belanghebbende de mogelijkheid om voor 13 februari 2024 een schriftelijke reactie in te dienen.
5. Bij brief van 4 maart 2024 is door de inspecteur medegedeeld dat er geen reactie is ontvangen van belanghebbende op de brief van 3 februari 2024 en dat de navorderingsaanslag opgelegd zal worden.
6. Met dagtekening 29 april 2024 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 opgelegd.
7. Belanghebbende heeft op 31 mei 2024 een bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2022. Belanghebbende heeft aangegeven dat de giften verkeerd zijn geplaatst in de aangifte.
8. Bij brief van 12 juni 2024 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten voornemens te zijn om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. In deze brief is belanghebbende de mogelijkheid gegeven om voor 27 juni 2024 te reageren en voor deze datum een afspraak te maken voor een hoorzitting.
9. De inspecteur heeft met dagtekening 28 juni 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de inspecteur zijn de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 en rentebeschikking terecht aan belanghebbende opgelegd, omdat sprake is van een nieuw feit dan wel belanghebbende te kwader trouw was door het opvoeren van bedrag aan loonheffing als zijnde een gift.
10. Op 1 juli 2024 heeft de inspecteur een reactie van belanghebbende ontvangen dat hij een uitnodiging wil ontvangen voor een hoorzitting.

Beoordeling door de rechtbank

11. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
13. Belanghebbende voert aan dat er zonder dat hij is gehoord uitspraak op bezwaar is gedaan, terwijl hij schriftelijk heeft aangegeven gebruik te willen maken van het hoorrecht.
14. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij met zijn brief van 12 juni 2024 belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaar mondeling toe te lichten. De inspecteur geeft aan dat belanghebbende hiertoe tot 27 juni 2024 in de gelegenheid is gesteld en hij voor die datum geen reactie van belanghebbende heeft ontvangen. Volgens de inspecteur kon hij ervan uitgaan dat belanghebbende van het horen afzag.
15. De rechtbank overweegt dat in artikel 25 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is bepaald, dat in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Awb, belanghebbende wordt gehoord op zijn verzoek. De Belastingdienst heeft in eigen beleid vastgelegd dat het initiatief om te horen alsnog bij de inspecteur ligt. [2] In artikel 7:3 onder Pro d van de Awb is bepaald dat indien belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord, van het horen kan worden afgezien.
16. Vast staat dat de inspecteur in zijn brief van 12 juni 2024 belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord en belanghebbende niet binnen de gestelde termijn (voor 27 juni 2024) heeft verklaard gehoord te willen worden. De reactietermijn die de inspecteur in zijn brief heeft gesteld, acht de rechtbank redelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden. Dat belanghebbende op 1 juli 2024 alsnog heeft laten weten dat hij gehoord wilde worden, maakt dit oordeel niet anders. 1 juli 2024 is buiten de gestelde termijn en uit de stukken is verder niet gebleken dat belanghebbende niet in staat was om op tijd te reageren en hij dat tijdig kenbaar heeft gemaakt. Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat er voor 27 juni 2024 verder geen contact is geweest met belanghebbende waaruit blijkt dat hij gehoord wilde worden.
17. Voor zover belanghebbende met zijn stelling dat hij iets verkeerd heeft ingevuld bedoelt dat daarom niet kan worden nagevorderd, is de rechtbank van oordeel dat deze opvatting onjuist is. Volgens artikel 16 van Pro de Awr is de inspecteur bevoegd om na te vorderen als de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld en hij beschikt over een nieuw feit. Van een nieuw feit is sprake, omdat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet wist dat het als gift opgegeven bedrag geen gift was.
Belastingrente
18. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160.
2.§ 9, eerste lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht.