ECLI:NL:RBGEL:2026:5255

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/7205
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.77 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2019 wegens ontbreken bron van inkomen ongegrond verklaard

Belanghebbende, een gepensioneerde ondernemer actief in hernieuwbare plantaardige energie, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, waarbij de inspecteur een belastbaar inkomen van €119.338 vaststelde. De rechtbank beoordeelde of de activiteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormden.

De rechtbank stelde vast dat hoewel de activiteiten in het economische verkeer werden verricht en er een oogmerk was om voordeel te behalen, de objectieve verwachting van toekomstig voordeel ontbrak. Dit werd onderbouwd door jarenlange negatieve fiscale resultaten sinds 2009, en onvoldoende concrete onderbouwing van prognoses en opdrachten door belanghebbende.

De rechtbank concludeerde dat geen sprake was van een bron van inkomen, waardoor ook geen aftrek wegens speur- en ontwikkelingswerk kon plaatsvinden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, evenals het beroep tegen de belastingrente. Belanghebbende kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

De uitspraak is gedaan door rechter L.L. van Benthem op 3 juli 2026 te Arnhem.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2019 wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een bron van inkomen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7205

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 juni 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 119.338.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.913 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en mr. [persoon B] .

Feiten

1. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1946 en heeft na zijn pensionering de eenmanszaak, met als handelsnaam [naam bedrijf 1] , per 24 februari 2009 ingeschreven in het handelsregister. De activiteiten zijn omschreven als “advies in hernieuwbare plantaardige energie”.
2. Belanghebbende doet onderzoek naar onder andere hernieuwbare energie ter vervanging van fossiele energie en extractiesystemen die eveneens minder fossiele energie vragen. In het bijzonder verricht belanghebbende de volgende activiteiten:
  • De productie van groene ammoniak als brandstof uit mest.
  • Het scheiden van afvalwater bij een melkfabriek.
  • Samen met [naam organisatie] heeft belanghebbende een systeem ontwikkeld om RuBisCo uit bietenblad te winnen.
  • Voor het SBIR-programma ‘Food security sub Sahara Africa’ heeft belanghebbende samen met [persoon C] uit [plaats 2] een systeem ontwikkeld om uit Steviabladeren door gerichte fermentatie calorie-loze steviolglycosides te winnen.
  • Voor [naam bedrijf 2] heeft belanghebbende een systeem ontwikkeld om uitgeperst gras door gerichte fermentatie geschikt te maken als varkensvoer.
  • Naast de hiervoor genoemde activiteiten heeft belanghebbende gewerkt aan kleine projecten.
3. Op 18 januari 2019 heeft belanghebbende een beslissing aanvraag WBSO [1] voor het jaar 2019 ontvangen. Middels de afgegeven S&O-verklaring is in totaal 700 S&O uren toegekend, welke als volgt is opgesplitst: 350 uren voor het project AC018AMMONIAK ‘Stallen zonder stikstofmissie; NH3 wordt brandstof’ en 350 uren voor het project AC018STEVIAS ‘Ontwikkelen testen prototype Stevia extractie’.
4. In het jaar 2019 heeft belanghebbende op naam van [naam bedrijf 1] vier facturen uitgeschreven:
  • Op 3 januari 2019 een factuur aan [naam bedrijf 3] ten behoeve van de verkoop van de auto, Mitsubishi Outlander, voor € 9.091 excl. btw.
  • Op 4 januari 2019 een factuur aan de heer [persoon D] (RVO) voor het project [naam project 1] met als omschrijving het uitvoeren van het project en eindrapportage voor een bedrag van € 7.143 excl. btw.
  • Op 26 november 2019 een factuur aan de heer [persoon E] ([naam bedrijf 4] BV) voor het [naam project 2] project met als omschrijving het leveren van apparatuur voor het ontwikkelen van lesmateriaal en het testen van demo installaties ten behoeve van het [naam project 2] project voor een bedrag van € 3.480 excl. btw.
  • Op 26 november 2019 een factuur aan de heer [persoon C] ([naam bedrijf 5] BV) voor het [naam project 2] project met als omschrijving het leveren van apparatuur voor het ontwikkelen van lesmateriaal en het testen van demo installaties ten behoeve van het [naam project 2] project voor een bedrag van € 6.000 excl. btw.
5. De inspecteur heeft in 2022 bij belanghebbende een boekenonderzoek uitgevoerd, waarbij onder meer de aanvaardbaarheid is onderzocht van de aangifte IB/PVV van het jaar 2018. Het onderzoek voor de inkomstenbelasting is beperkt tot het beoordelen of sprake is van een bron van inkomen. De resultaten van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 15 november 2022. De uitkomst van het boekenonderzoek is dat geen sprake is van een bron van inkomen ter zake van het onderdeel winst uit onderneming in de aangifte IB/PVV 2018. Tegen die aanslag is bezwaar gemaakt. Het bezwaar is afgewezen. Daartegen is geen beroep ingesteld. De aanslag IB/PVV 2018 staat daardoor onherroepelijk vast.
6. Naar aanleiding van de ingediende aangiften vanaf de start in het jaar 2009 komt de inspecteur tot de volgende jaarcijfers:
Jaar
Omzet
Kosten
Saldo fiscale winst
2009
€ 4.000
€ 4.602
-/- € 602
2010
€ 57.500
€ 29.808
€ 27.692
2011
€ 4.448
€ 26.438
-/- € 21.990
2012
€ 44.623
€ 54.467
-/- € 9.844
2013
€ 63.270
€ 65.756
-/- € 2.486
2014
€ 11.600
€ 54.005
-/- € 42.405
2015
€ 4.950
€ 41.422
-/- € 36.472
2016
€ 3.780
€ 37.940
-/- € 34.160
2017
€ 0
€ 40.472
-/- € 40.472
2018
€ 32.550
€ 53.805
-/- € 21.255
2019
€ 16.893
€ 29.530
-/- € 12.637
2020
€ 15.930
€ 23.309
-/- € 7.379
2021
€ 2.475
-/- € 3.458
€ 5.933
2022
€ 13.715
€ 15.513
-/- € 1.798

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of ter zake van de activiteiten [naam bedrijf 1] sprake is van een bron van inkomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de activiteiten van [naam bedrijf 1] geen sprake is van een bron van inkomen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. Een resultaat kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: (1) deelname aan het economische verkeer, (2) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en (3) de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs – in de toekomst – kan worden behaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten in het economische verkeer zijn verricht en dat belanghebbende daarmee voordeel beoogde te behalen.
10. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. [2]
11. Vast staat dat de activiteiten van belanghebbende, volgens de eigen aangiften, vanaf 2009 (afgezien van 2010 en 2021) steeds tot negatieve resultaten hebben geleid. Nu sprake is van een jarenlang negatief resultaat brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.
12. Belanghebbende verwijst daarvoor naar een door de adviseur van belanghebbende, op basis van door belanghebbende verstrekte gegevens, opgemaakt overzicht van gerealiseerde commerciële resultaten voor de jaren 2019 tot en met 2023 en een prognose voor de resultaten van de jaren 2024 tot en met 2028.
13. De gerealiseerde “commerciële resultaten” over de jaren 2019 tot en met 2023 zijn in dat overzicht als volgt weergegeven:
2019
2020
2021
2022
2023
Omzet
€ 16.893
€ 15.930
€ 2.475
€ 13.715
€ 4.225
Verkoopkosten
€ 6.701
€ 4.102
€ 2.841
€ 115
€ 726
Algemene kosten
€ 3.117
€ 5.008
€ 3.463
€ 3.212
€ 2.867
Totaal kosten
€ 9.818
€ 9.110
€ 6.304
€ 3.327
€ 3.593
Commercieel resultaat
€ 7.075
€ 6.820
-/- € 3.829
€ 10.388
€ 632
WBSO aftrek
€ 12.775
€ 12.980
€ 13.188
€ 13.360
€ 0
14. De prognose voor de jaren 2024 tot en met 2028 is in dat overzicht als volgt weergegeven:
2024
2025
2026
2027
2028
Omzet Stevia
€ 8.000
€ 15.000
€ 18.000
€ 18.000
€ 18.000
Omzet Stevia Boost
€ 0
€ 10.000
€ 20.000
€ 30.000
€ 30.000
Omzet mest
€ 7.000
€ 12.000
€ 15.000
€ 15.000
€ 15.000
Totaal omzet
€ 15.000
€ 37.000
€ 53.000
€ 63.000
€ 63.000
Verkoopkosten
€ 4.000
€ 10.000
€ 12.000
€ 14.000
€ 14.000
Algemene kosten
€ 3.000
€ 4.000
€ 5.000
€ 6.000
€ 6.000
Totaal kosten
€ 7.000
€ 14.000
€ 17.000
€ 20.000
€ 20.000
Commercieel resultaat
€ 8.000
€ 23.000
€ 36.000
€ 43.000
€ 43.000
15. Onder deze overzichten is de volgende passage opgenomen:
“De jaren t/m 2022 dienen te worden beschouwd als aanloopkosten voor de WBSO projecten. De jaren t/m 2021 werd [naam bedrijf 1] voor de omzetbelasting als onderneming beschouwd.”
16. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de hiervoor vermelde prognose en het overzicht van de gerealiseerde commerciële resultaten nog niet dat er objectief gezien een voordeel is te verwachten. Belanghebbende heeft bijvoorbeeld niets aangevoerd waaruit zou blijken dat hij daadwerkelijk substantiële opdrachten heeft binnengehaald. De enkele stelling op zitting is daartoe volstrekt onvoldoende. Ook zijn in de prognose de kosten op geen enkele manier concreet onderbouwd. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd daarom niet aannemelijk gemaakt dat in de toekomst met de activiteiten redelijkerwijs een positieve opbrengst valt te verwachten. Als de rechtbank veronderstellenderwijs uit zou gaan van de positieve verwachtingen vanaf het jaar 2024, dan leidt dat naar het oordeel van de rechtbank nog steeds niet tot de conclusie dat sprake is van een bron van inkomen gelet op de zeer aanzienlijke verliezen die sedert 2009 zijn geleden. Ook zo bezien is geen sprake van een bron van inkomen. De stelling van de inspecteur dat vanaf 2023 door belanghebbende andere activiteiten worden verricht dan in de jaren voor 2023 behoeft daarom geen behandeling. Omdat geen sprake is van een bron van inkomen, kan ook geen aftrek wegens speur- en ontwikkelingswerk als bedoeld in artikel 3.77 Wet IB 2001 plaatsvinden en kan evenmin een (eventueel) negatief resultaat in aanmerking worden genomen.
17. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
18. Nu belanghebbende geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 3 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk.
2.Vergelijk Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP5707 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348.