ECLI:NL:RBGEL:2026:5271

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
AWB-24_3955
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:106 AwbArt. 43 PwArt. 44 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AIO-aanvulling met terugwerkende kracht wegens bijzondere omstandigheden

Eiser heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) verzocht om de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) over de periode januari 2018 tot en met mei 2022 met terugwerkende kracht te herzien. De SVB wees dit verzoek af, stellende dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een terugwerkende herziening rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat de SVB een fout heeft gemaakt door de situatie van eiser destijds niet als schrijnend te erkennen, terwijl de beleidsregels en de handreiking beoordeling schrijnende gevallen dit wel voorschrijven. Hierdoor zijn bijzondere omstandigheden aanwezig die een terugwerkende kracht van de AIO-aanvulling rechtvaardigen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de SVB op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet de SVB het griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing te nemen over de hoogte van de AIO-aanvulling.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van beleidsregels door bestuursorganen en bevestigt dat fouten in de ambtshalve toetsing bijzondere omstandigheden kunnen vormen voor terugwerkende herziening van bijstandsuitkeringen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de SVB en draagt op de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht te herzien wegens bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3955

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: W. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet (Pw) (AIO-aanvulling) over de periode van januari 2018 tot en met mei 2022 te herzien. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de SVB de AIO-aanvulling terecht niet met terugwerkende kracht heeft herzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de AIO-aanvulling van eiser ten onrechte niet met terugwerkende kracht heeft herzien. Eiser krijgt gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 20 juni 2023 heeft de SVB het verzoek van eiser om de AIO-aanvulling over de periode van januari 2018 tot en met mei 2022 herzien, afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de SVB.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser, geboren op [geboortedag] 1948, ontvangt sinds 1 augustus 2013 naast een partnertoeslag ook een AIO-aanvulling tot 70% van de gehuwdennorm op zijn AOW [1] -pensioen. De partner van eiser woont in het buitenland. Per januari 2017 is de AIO-aanvulling van eiser door een verandering van zijn AOW-pensioen verlaagd naar 50% van de gehuwdennorm. Vanaf 1 juni 2022 is de partnertoeslag van eiser gestopt, omdat de partner van eiser vanaf die dag zelf ook een AOW-pensioen ontvangt. In 2022 is de situatie van eiser onderzocht door de SVB, maar is aan eiser meegedeeld dat geen aanleiding bestaat om de AIO-aanvulling te wijzigen.
3.1.
Eiser heeft zich op 24 maart 2023 bij de SVB gemeld met de vraag waarom hij zo weinig inkomen heeft. De SVB heeft vervolgens na onderzoek geconcludeerd dat de AIO-aanvulling van eiser niet juist is vastgesteld, omdat de situatie van eiser schrijnend is.
3.2.
Op 6 april 2023 heeft eiser de SVB verzocht om zijn AIO-aanvulling per 24 maart 2023 weer te verhogen naar 70% van de gehuwdennorm. Eiser heeft daarbij ook verzocht om de AIO-aanvulling op basis van de ‘Handreiking beoordeling schrijnende gevallen bij de uitvoering van de AIO’ (handreiking) met terugwerkende kracht naar 70% van de gehuwdennorm aan te passen.
3.3.
Met het besluit van 20 juni 2023 heeft de SVB de AIO-aanvulling per 1 juni 2022 aangepast in die zin dat de AIO-aanvulling wordt afgestemd naar de alleenstaandennorm vanaf de maand dat de jongere partner de pensioenleeftijd heeft bereikt. Het verzoek om de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht tot januari 2018 te herzien, wordt afgewezen, omdat het inkomen van eiser op dat moment hoger was dan de alleenstaandennorm voor de AIO-aanvulling. De situatie van eiser is op dat moment daarom niet als schrijnend aangemerkt. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft de SVB het bezwaar ongegrond verklaard. Bij eiser was vanaf januari 2018 tot en met mei 2022 wel sprake van een schrijnende situatie. Het recht op een AIO-aanvulling wordt echter niet met terugwerkende kracht verhoogd, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Niet is gebleken van een bijzondere omstandigheid. Eiser heeft kunnen voorzien in zijn noodzakelijke kosten van bestaan en heeft geen aantoonbare schulden gemaakt waaraan een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting was verbonden.
Toetsingskader
4. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Pw, bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is verder bepaald dat het hier gaat om een uitzondering op de hoofdregel; degene die zich op een uitzonderingssituatie beroept moet aannemelijk maken dat zo’n situatie zich voordoet. Dat betekent dat de bewijslast van de bijzondere omstandigheden op de belanghebbende rust. [2]
4.1.
In Beleidsregel SB1403 heeft de SVB nadere uitgangspunten neergelegd voor de beoordeling van de ingangsdatum van de AIO-aanvulling en de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Hierin is, verkort weergegeven en voor zover relevant, opgenomen dat in de volgende situaties sprake is van bijzondere omstandigheden:
-de aanvrager was door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat om tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;
-de te late aanvraag is een aantoonbaar gevolg van onjuiste of onvolledige voorlichting door het bevoegde bestuursorgaan en de aanvrager hoefde redelijkerwijs niet aan die voorlichting te twijfelen.
Daarnaast is vereist dat de aanvrager aannemelijk maakt dat hij niet in de noodzakelijke kosten van bestaan kon voorzien en voor die kosten schulden is aangegaan waaraan daadwerkelijk terugbetalingsverplichtingen zijn verbonden.
Schrijnend geval
5. Eiser heeft aangevoerd dat de conclusie dat sprake was van een schrijnende situatie juist maakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht te herzien. Verder laat de inhoud van de Beleidsregel SB1403 zich niet verenigen met de meer specifieke beleidsregels, namelijk de handreiking. Daarin is bepaald dat de SVB ambtshalve de schrijnende dossiers zou herzien.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser sprake van bijzondere omstandigheden, waardoor de SVB met terugwerkende kracht de AIO-aanvulling had moeten herzien. In de handreiking staat vermeld dat de SVB ambtshalve of op verzoek onderzoekt of sprake is van een schrijnend geval. Tijdens de zitting heeft de SVB erkend dat er bij de ambtshalve toetsing in 2018 een fout is gemaakt, omdat de situatie van eiser ten onrechte niet is aangemerkt als schrijnend. Uit de handreiking blijkt verder dat niet naar de uitgaven van een betrokkene wordt gekeken, terwijl in de beslissing op bezwaar nu juist door de SVB aan eiser wordt tegengeworpen dat hij niet aannemelijk kan maken dat hij niet in de noodzakelijke kosten van bestaan heeft kunnen voorzien. Ook blijkt dat een eventuele verhoging plaatsvindt met terugwerkende kracht tot de datum dat de handreiking is geaccordeerd. Omdat de SVB in 2018 een fout heeft gemaakt waardoor de handreiking destijds niet op de situatie van eiser is toegepast, is sprake van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht de AIO-aanvulling te herzien.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is, gelet op wat in overweging 5.1 is overwogen, gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De SVB moet de AIO-aanvulling over de periode van januari 2018 tot en met mei 2022 herzien. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de AIO-aanvulling te nemen.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de SVB een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de SVB hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de SVB het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de SVB op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. Cornelisse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1296 en 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:810.