ECLI:NL:RBGEL:2026:5377

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/1347
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht bij onroerendezaakbelasting

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde van haar onroerende zaak, een sauna, en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting 2024 van de gemeente Wijchen. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde van € 21.250.000. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank Gelderland.

De rechtbank behandelde het beroep op 4 december 2025, waarbij bleek dat het griffierecht van € 385 niet was betaald. Ondanks een betalingsherinnering per aangetekende post en meerdere verzoeken bleef betaling uit. De gemachtigde van belanghebbende betwistte de ontvangst van de herinnering, maar de rechtbank achtte aannemelijk dat deze wel was ontvangen, mede gelet op Track&Trace-gegevens en eerdere vergelijkbare zaken.

Omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan en geen verschoonbare reden is gegeven, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelde de zaak niet inhoudelijk. Tevens wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn korter dan anderhalf jaar was en geen bijzondere omstandigheden waren gesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1347

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Wijchen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 maart 2025.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in Wijchen op 1 januari 2023 vastgesteld op € 21.250.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Wijchen voor het jaar 2024 opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een sauna.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
2. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een beroep niet-ontvankelijk als het griffierecht niet tijdig is betaald, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Voor de behandeling van dit beroep is € 385 verschuldigd. De rechtbank heeft belanghebbende daarvoor op 24 maart 2025 een nota gestuurd.
4. Omdat het griffierecht niet is betaald, heeft het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak op 22 april 2025 per aangetekende post een betalingsherinnering aan belanghebbende gestuurd. Hierin is belanghebbende nogmaals verzocht het griffierecht binnen een termijn van vier weken te betalen. In deze brief staat ook dat het niet of niet op tijd betalen van het griffierecht ertoe kan leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
5. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald.
6. De gemachtigde heeft de ontvangst van de herinnering betwist. Op de zitting is de handtekening getoond, een soort [x] , waarmee voor ontvangst is getekend. De gemachtigde stelt dat die handtekening niet van hem is. Hij heeft ter zitting uitgelegd hoe zijn handtekening eruitziet. Volgens de gemachtigde is zijn handtekening een soort krul.
7. De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt. Uit de Track&Trace-gegevens blijkt dat de herinnering is uitgereikt op 24 april 2025 om 14:54 uur bij de Primera aan de Boudier-Bakkerhof in Utrecht. Desgevraagd heeft gemachtigde op zitting verklaard dat alleen hij altijd de post ophaalt en dat zijn handtekening vergeleken kan worden met door hem in andere beroepszaken ingediende stukken. De rechtbank heeft onderzocht of er op dezelfde dag, 22 april 2024, meer herinneringen aan gemachtigde zijn verzonden in zaken waarbij het griffierecht uiteindelijk wel is betaald. Dat blijkt het geval. In een van die zaken is het griffierecht betaald. Dat betekent dat hij die herinneringen in ieder geval heeft ontvangen. Uit eigen kennis en wetenschap van de rechtbank volgt verder dat in beroepszaken van gemachtigde vaker met de in deze zaak gebruikte [x] -handtekening wordt getekend voor ontvangst van een herinnering griffiegeldnota en dat in die gevallen het griffierecht wel is voldaan (onder andere zaaknummer 25/4502). Gelet op voornoemde acht de rechtbank het aannemelijk dat de gemachtigde de in deze zaak gestuurde (én opgehaalde) herinnering heeft ontvangen. De enkele ontkenning dat de handtekening niet van hem is, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst van de herinnering. [1] Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het lastig is precies dezelfde handtekening te zetten op het scherm van PostNL. [2]
8. Vast staat dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan. Belanghebbende heeft geen verschoonbare reden gegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Nu belanghebbende er in de betalingsherinneringen op is gewezen dat in geval van niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard en hij het verschuldigde griffierecht niet alsnog volledig heeft betaald, is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
Vergoeding van immateriële schade
9. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De datum van indiening van het beroepschrift en de datum van deze uitspraak is minder dan anderhalf jaar. Belanghebbende heeft geen bekorting bepleit van de gebruikelijke termijn van anderhalf jaar voor toekenning van immateriële schadevergoeding en de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Zij krijgt geen immateriële schadevergoeding en geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 8 juli 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5658.
2.Gerechtshof Den Haag 5 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:714.