ECLI:NL:RBGEL:2026:5378

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AWB-25_577
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:106 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over eerste arbeidsongeschiktheidsdag en ziekengeldtoekenning

De zaak betreft een geschil tussen eiseres, eigenrisicodrager voor de Ziektewet, en het UWV over de toekenning van ziekengeld aan de ex-werknemer van eiseres vanaf 5 oktober 2022. Eiseres betwist dat deze datum als eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan worden aangenomen en voert aan dat het UWV onvoldoende medische onderbouwing heeft gegeven.

De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom 3 oktober 2022 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag geldt. Het UWV baseerde zich slechts op een summier rapport van de bedrijfsarts en een medisch oordeel ontbrak, terwijl de medische informatie beperkt was. De verzekeringsarts bezwaar stelde dat een medisch oordeel niet nodig was, maar de rechtbank vindt dat het UWV, gezien de geringe medische gegevens, een verzekeringsarts had moeten inschakelen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen na onderzoek door een verzekeringsarts. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen na onderzoek door een verzekeringsarts.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/577

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Zuidema),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: W. Prins).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het recht van de ex-werknemer van eiseres op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) per 5 oktober 2022, omdat hij op die datum ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Eiseres is eigenrisicodrager en is het niet eens met de toekenning van ziekengeld aan de ex-werknemer. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht ziekengeld aan de ex-werknemer heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV ten onrechte met ingang van 5 oktober 2022 ziekengeld heeft toegekend aan de ex-werknemer
.Eiseres krijgt gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 juli 2024 heeft het UWV eiseres laten weten dat het UWV de ziekmelding van de ex-werknemer van eiseres heeft overgenomen. Met het besluit van eveneens 3 juli 2024 heeft het UWV eiseres laten weten dat per 5 oktober 2022 ziekengeld is toegekend aan de ex-werknemer. Het ziekengeld en de uitvoeringskosten zullen op eiseres worden verhaald.
2.1.
Met het bestreden besluit van 24 december 2024 op de bezwaren van eiseres is het UWV bij deze besluiten gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV
.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is eigenrisicodrager voor de ZW. De ex-werknemer van eiseres is vanaf 10 februari 2020 werkzaam geweest bij eiseres als verzorgende IG voor 28 uur per week. Het dienstverband is per 1 oktober 2022 door middel van een vaststellingsovereenkomst beëindigd.
3.1.
Op 16 oktober 2023 heeft de ex-werknemer zich bij het UWV met terugwerkende kracht ziekgemeld per 3 oktober 2022. Eiseres heeft vervolgens een doorverwijzing ZW van het UWV ontvangen.
3.2.
Met de brief van 24 oktober 2023 heeft eiseres aan het UWV meegedeeld dat de ex-werknemer opgeroepen zal worden voor een spreekuur bij de bedrijfsarts. Op 30 november 2023 heeft het onderzoek van de bedrijfsarts plaatsgevonden.
3.3.
Met de brief van 30 november 2023 heeft eiseres aan het UWV verzocht om de aanvraag om ziekengeld af te wijzen, omdat de bedrijfsarts niet aan de hand van objectief verifieerbare gegevens heeft kunnen vaststellen dat sprake was van ziekte per 3 oktober 2022.
3.4.
Met de brief van 11 december 2023 heeft het UWV eiseres verzocht om de ziekmelding binnen 1 week in behandeling te nemen. Anders neemt het UWV het geval over. Met de brief van 18 januari 2024 heeft eiseres het UWV medegedeeld dat het bezoek aan de bedrijfsarts op 13 november heeft plaatsgevonden en verzocht om de aanvraag om ziekengeld af te wijzen. In de brief van 5 april 2024 heeft het UWV vermeld dat er medische informatie moet worden opgevraagd. Met de brief van 14 juni 2024 heeft eiseres het UWV een aantal medische stukken toegezonden en verzocht om de aanvraag om ziekengeld af te wijzen.
3.5.
Met het besluit van 3 juli 2024 heeft het UWV eiseres vervolgens laten weten dat de ziekmelding van de ex-werknemer van eiseres als eigenrisicodrager is overgenomen. Met het besluit van eveneens 3 juli 2024 heeft het UWV eiseres laten weten dat per 5 oktober 2022 ziekengeld is toegekend aan de ex-werknemer. Het ziekengeld en de uitvoeringskosten zullen op eiseres worden verhaald.
3.6.
Met het bestreden besluit van 24 december 2024 is het UWV bij de besluiten van 3 juli 2024 gebleven. De verzekeringsarts heeft in bezwaar in zijn rapport van 16 december 2024 opgenomen dat de medewerker bezwaar heeft vermeld dat het bestreden besluit op juridische gronden kan worden genomen, zodat geen medisch oordeel nodig is.
Intreden arbeidsongeschiktheid
4. Eiseres heeft aangevoerd dat niet aan de hand van medische objectiveerbare gegevens kan worden vastgesteld dat de ex-werknemer van eiseres op 3 oktober 2022 arbeidsongeschikt was en dat dit risico voor de ex-werknemer komt, omdat hij zich laattijdig heeft ziekgemeld.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Het UWV heeft de gevalsbehandeling van eiseres overgenomen en heeft ziekengeld aan de ex-werknemer van eiseres toegekend. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat bij een werkgeversberoep de positie van de werkgever en de aard van de betrokken belangen meebrengen dat het UWV een besluit over de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. Daarbij is het mogelijk dat een werknemer zich met terugwerkende kracht ongeschikt meldt. [1] Het is bovendien vaste rechtspraak van de CRvB dat in zaken waarin de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt betwist, de retrospectieve benadering van het exacte tijdstip van het intreden van arbeidsongeschiktheid onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter draagt en dat het risico van onduidelijkheid over dat tijdstip in geval van een zeer late melding van arbeidsongeschiktheid voor rekening van de werknemer dient te blijven. [2] In lijn met deze rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, waarin het bestreden besluit een belastend besluit voor eiseres betreft en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag met terugwerkende kracht vóór de datum van de feitelijke ziekmelding is vastgesteld, het UWV deugdelijk moet motiveren waarom juist de datum van 3 oktober 2022 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangenomen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV onvoldoende gemotiveerd dat 3 oktober 2022 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 december 2024 vermeld dat de medewerker bezwaar heeft laten weten dat op juridische gronden een beslissing op bezwaar kan worden afgegeven en dat een medisch oordeel daarom niet nodig is. Naar het oordeel van de rechtbank had het echter op de weg gelegen van het UWV, die de gevalsbehandeling van eiseres had overgenomen, om gelet op de geringe medische informatie die voorhanden was, in ieder geval de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te laten beoordelen door een verzekeringsarts. Het UWV heeft zich namelijk alleen gebaseerd op het summiere rapport van de bedrijfsarts van 13 november 2023. Daaruit blijkt dat de bedrijfsarts de ex-werknemer vanaf ontslag doorlopend arbeidsongeschikt acht. De casemanager heeft in een e-mail van 27 november 2022 verduidelijkt dat de bedrijfsarts aangeeft dat het aannemelijk is dat de eerste ziektedag gelegen is begin oktober 2022, maar dat dit niet is gebaseerd op medische informatie. In de probleemanalyse staat verder vermeld dat de ex-werknemer sinds zijn ontslag niet meer heeft gewerkt en dat hij aangeeft dat dit komt door onvermogen. De bedrijfsarts lijkt zich met name te baseren op de verklaringen van de ex-werknemer. Er is namelijk verder geen enkele informatie voorhanden over de situatie van de ex-werknemer op of rondom begin oktober 2022.
4.3.
Gelet op het voorgaande kleeft aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank draagt het UWV op om een nieuw besluit te nemen, waarbij een verzekeringsarts onderzoek moet doen naar de datum van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. Cornelisse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 3 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2388.
2.Zie de uitspraak van 2 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7548.