ECLI:NL:RBGEL:2026:54

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
519632725
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het vervoeren van grote hoeveelheden cocaïne met gevangenisstraf en kostenverhaal

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het vervoeren van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne. De verdachte, geboren in 1988 en op dat moment gedetineerd, werd beschuldigd van het opzettelijk vervoeren van ongeveer 1.587 kilogram cocaïne in vereniging met anderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 26 juni 2025 en 8 juli 2025 betrokken was bij twee transporten van cocaïne, waarbij de tweede transport een aanzienlijke hoeveelheid betrof met een straatwaarde van ongeveer 20 miljoen euro. De rechtbank heeft de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken van de handelingen 'afleveren' en 'verstrekken', maar heeft vastgesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de rol van de verdachte in het criminele milieu en zijn persoonlijke omstandigheden. Uiteindelijk is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van voorarrest, en is er een maatregel tot kostenverhaal opgelegd van € 500,08 per verdachte, ter dekking van de kosten voor de vernietiging van de in beslag genomen cocaïne. De rechtbank heeft benadrukt dat de handel in cocaïne een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en dat de opgelegde straf ook bedoeld is om anderen te weerhouden van deelname aan het criminele drugscircuit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.196327.25
Datum uitspraak : 6 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. E.P.N. Pieterse, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 57 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 1587 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
feit 1
Verdachte heeft de ten laste gelegde handelingen die bewezen worden verklaard bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 december 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking Peugeot [kenteken] p. 230, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 208 en het rapport NFIDENT p. 217.
Partiële vrijspraak
De rechtbank ziet geen bewijs voor de handelingen ‘afleveren’ en ‘verstrekken’ zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
feit 2
Verdachte heeft de ten laste gelegde handelingen die bewezen worden verklaard bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 december 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen 1e onderzoek inbeslaggenomen voertuigen p. 349-353, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 363-364 en de rapporten NFIDENT p. 386 en 387.
Partiële vrijspraak
De rechtbank ziet geen bewijs voor de handelingen ‘afleveren’ en ‘verstrekken’ zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks26 juni 2025 te Rotterdam,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,
opzettelijk heeft
afgeleverd en/of verstrekt en/ofvervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 57 kilogram,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op
of omstreeks8 juli 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] ,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
opzettelijk heeft
afgeleverd en/of verstrekt en/ofvervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer1587 kilogram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 en feit 2 telkens:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de duur van de gevangenisstraf te matigen onder verwijzing naar de rol en de handelingen van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden waaronder de gevolgen voor zijn gezinsleven.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft voor anderen, in het criminele milieu hoger in rang dan hij, in een periode van veertien dagen tijd twee keer een grote hoeveelheid verdovende middelen vervoerd samen met drie medeverdachten in wisselende samenstellingen. Het eerste transport op 26 juni 2025 van Rotterdam naar Ede betrof 57 kilogram. Het tweede transport op 8 juli 2025, waarbij hij zelf een van de chauffeurs was, betrof in totaal 1.587 kilogram cocaïne verdeeld over twee bedrijfswagens, met een straatwaarde van zo’n 20 miljoen Euro. De pakketten cocaïne van het tweede transport lagen opgeslagen in een koelcel in een bedrijfsloods in [plaats 1] waar deze door verdachten zijn ingeladen in de voertuigen. Verdachten zijn hierna samen teruggereden naar een opslagbox in [plaats 2] die gebruikt werd als stashplek om de grote hoeveelheid cocaïne in kluizen op te slaan. De opslagbox werd gehuurd door een van de medeverdachten. Gezien de grote hoeveelheid was de cocaïne bestemd voor verdere verspreiding en grootschalige (internationale) handel. Door zijn handelen heeft verdachte een forse bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en de hele keten van productie, transport en verkoop gaat gepaard met ondermijnende criminaliteit. Daarbij wordt het gebruik van geweld vaak niet geschuwd. Verdachte heeft zich hierdoor niet laten weerhouden. Hij had schulden en heeft zich laten leiden door eigen financieel voordeel. Extra kwalijk vindt de rechtbank dat verdachte zijn 22-jarige zwager bij zijn handelen heeft betrokken.
Gezien de grote hoeveelheid cocaïne die verdachte heeft vervoerd ligt wat de rechtbank betreft een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede. Deze straf beoogt niet alleen te voorkomen dat verdachte opnieuw een dergelijk feit pleegt, maar is er ook op gericht anderen ervan te weerhouden zich in te laten met het criminele drugscircuit. Voor drugsvervoer van deze omvang zijn geen concrete LOVS-oriëntatiepunten beschikbaar. De maximale straf voor het vervoeren van harddrugs bedraagt 8 jaar en kan bij meerdaadse samenloop zoals in deze zaak maximaal met een derde worden verhoogd. De rechtbank acht een dergelijke hoge straf niet passend. In min of meer soortgelijke zaken worden doorgaans lagere straffen opgelegd. Verdachte heeft geen relevant strafblad. Op de inhoudelijke behandeling heeft hij verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Het bewezenverklaarde ziet feitelijk op twee ritten en twee dagen. Alles overwegend, komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De maatregel kostenverhaal (artikel 13d van de Opiumwet)
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte en de twee medeverdachten de maatregel kostenverhaal wordt opgelegd voor een bedrag van elk € 500,08.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de maatregel niet kan worden opgelegd omdat deze uitsluitend is bedoeld voor verhaal van kosten voor ontmanteling van drugslocaties en vernietiging van voorwerpen, niet van stoffen. Subsidiair is verzocht bij het opleggen van de maatregel rekening te houden met het aantal (ook de nog niet aangehouden) medeverdachten.
De rechtbank stelt vast dat aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Cocaïne levert een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid en valt daarmee onder het toepassingsbereik van artikel 13d van de Opiumwet. In het dossier zit een factuur van 16 juli 2025 van de kosten voor vernietiging van de onder verdachten in beslag genomen hoeveelheid cocaïne. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.500,25 dat door de Staat is betaald.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen. De totale kosten zullen evenredig worden verdeeld over verdachte en de twee medeverdachten van feit 2, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat en zo ja hoeveel anderen bij feit 2 betrokken zijn zodat voor een andere verdeling van over deze drie verdachten geen aanleiding bestaat. De rechtbank legt dus aan alle drie de verdachten de maatregel kostenverhaal op voor een bedrag van € 500,08. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast, zonder dat daardoor de betalingsverplichting van verdachte vervalt.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 13d van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet, een bedrag van € 500,08;
 bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd bij niet-betaling op 20 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.W. van de Sande, voorzitter, mr. H.C. Leemreize en
mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2026.
De voorzitter, mr. Gerritsen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 202509031602.ZDS BASGITAAR, gesloten op 4 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.