ECLI:NL:RBGEL:2026:5431

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
A|WB 25/4165
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZVerordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen gemeente Barneveld

Belanghebbende is eigenaar van een rietgedekte vrijstaande woning met bijgebouwen en grond, waarvan de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €1.612.000 per 1 januari 2024. Na bezwaar is deze waarde verminderd naar €1.508.000. Belanghebbende stelde dat de waarde €1.349.000 bedraagt en stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar met een taxatierapport, gebaseerd op de vergelijkingsmethode en marktgegevens, de waarde aannemelijk heeft gemaakt. De betwisting van belanghebbende was onvoldoende concreet en het aangevoerde vergelijkingsobject was niet verkocht, waardoor het niet ter onderbouwing kon dienen.

Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen wordt ongegrond verklaard. Het beroep tegen overige aanslagen, zoals afvalstoffenheffing en rioolheffing, wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen omdat de termijn van twee jaar niet is overschreden.

De rechtbank wijst het beroep af en bepaalt dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter L.Y. Gramsbergen en griffier H. van Huigenbos op 8 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen overige aanslagen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4165

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (gemeente [gemeente] ), belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 september 2025.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] op 1 januari 2024 (waardepeildatum) vastgesteld op € 1.612.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente [gemeente] voor het jaar 2025 opgelegd. Op het biljet staan daarnaast ook de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing vermeld.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de waarde verminderd naar € 1.508.000.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben via een digitale verbinding deelgenomenieraan: gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [persoon 1] en [taxateur] (taxateur).

Feiten

1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een rietgedekte vrijstaande woning, gebouwd in het jaar 2013 met een oppervlakte van 270 m². Verder zijn er diverse bijgebouwen, deels rietgedekt. Aan de woning is 6.178 m2 grond toegekend.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het volgende:
- de objectafbakening;
- de WOZ-waarde;
- de aanslagen;
- of artikel 40 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) is geschonden.
3. De rechtbank heeft de beroepsgronden beoordeeld en is van oordeel dat het beroep tegen de waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen ongegrond is en dat het beroep tegen de overige aanslagen niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal met inachtneming van het hiervoor overwogene beslissen.
Gegevensverstrekking
4. Gemachtigde heeft in de loop van deze en vele andere bezwaar- en beroepsprocedures standaard aangegeven dat bepaalde stukken en/of gegevens ontbreken. Uit de gedingstukken blijkt dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase het taxatieverslag en een aangepast taxatieverslag aan gemachtigde heeft verstrekt. Voor het overige is onvoldoende concreet gesteld wanneer hij om welke specifiek op deze zaak betrekking hebbende gegevens heeft gevraagd en dat die stukken niet zijn verstrekt. Artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ verplicht verder niet tot het beantwoorden van vragen over de op grond van die bepaling te verstrekken gegevens of onderbouwing van de gebruikte gegevens. Met betrekking tot de verdeling van de stelplicht en bewijslast heeft te gelden dat het op de weg ligt van een belanghebbende die betoogt dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden doordat door hem gevraagde gegevens niet uiterlijk bij uitspraak op bezwaar zijn verstrekt, om de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem gevraagde, en niet verkregen gegevens aan de vaststelling van de waarde ten grondslag hebben gelegen en daarom onder de werking van die bepaling vallen. [1] Belanghebbende heeft in deze zaak niet concreet gesteld dat hij daartoe in redelijkheid niet in staat is doordat de daartoe benodigde gegevens zich bevinden in het domein van de heffingsambtenaar en de belanghebbende daartoe geen toegang heeft en evenmin aangeboden heeft gekregen. De heffingsambtenaar heeft daarom met de door hem overgelegde stukken aan zijn informatieplicht voldaan.
WOZ-beschikking
5. Belanghebbende stelt ter zitting dat de waarde van de onroerende zaak € 1.349.000 bedraagt.
6. De heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde van de onroerende zaak onderbouwd met een taxatierapport. In het taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak bepaald op € 1.658.000. De waarde is bepaald middels de vergelijkingsmethode waarbij de onroerende zaak is vergeleken met verkopen van vergelijkingsobjecten.
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn taxatierapport de waarde aannemelijk heeft gemaakt. Uit niets volgt dat de heffingsambtenaar bij de waardebepaling is uitgegaan van een onjuiste afbakening en/of onjuiste objectkenmerken. De betwisting daarvan in algemene zin in de standaard stukken van gemachtigde is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar gebruikte gegevens. De heffingsambtenaar heeft de onroerende zaak vergeleken met objecten die wat betreft type, ligging, bouwjaar en grootte ter vergelijking kunnen dienen en rond waardepeildatum zijn verkocht. Ter zitting heeft belanghebbende nog gewezen op [adres] in [plaats] . De heffingsambtenaar heeft ter zitting onbetwist gesteld dat dit object nog niet is verkocht. Dit object kan reeds daarom niet ter onderbouwing dienen.
8. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten zijn geïndexeerd naar waardepeildatum. Vervolgens is rekening gehouden met verschillen in zowel de primaire objectkenmerken als type, bouwjaar, gebruiksoppervlakte, grondoppervlakte en bijgebouwen als ook met een aantal andere beoordelingsaspecten, te weten de aspecten ‘kwaliteit’, ‘onderhoud’, ‘uitstraling’, ‘doelmatigheid’, ‘voorzieningen’ en ‘ligging’. De heffingsambtenaar heeft ter zitting nog een toelichting gegeven op de door hem toegepaste indexering, verschil in afwerkingsniveau van de bijgebouwen en het verschil tussen de op de iWOZ-kaarten genoemde gebruiksoppervlakte (inclusief bijgebouwen) en de door hem toegekende gebruiksoppervlakte aan woonruimte (exclusief bijgebouwen). Dat de waarden en aanduidingen van de bijgebouwen afwijken van eerdere belastingjaren, maakt niet dat de aan de bijgebouwen voor dit belastingjaar toegekende deelwaarden onjuist zijn. Dat deze waarden volgens gemachtigde kunstmatig laag zijn gehouden, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een lagere waarde van de onderhavige woning, omdat de bijgebouwen van de onderhavige woning op gelijke wijze (laag) zijn gewaardeerd. De heffingsambtenaar heeft ter zitting nog toegelicht dat de bijgebouwwaarden volgen uit de marktanalyse. Mocht de waardering op onderdelen al onjuist zijn, dan is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de marge van € 150.000 tussen de getaxeerde waarde en de in de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde, dit niet leidt tot een lagere waarde.
Overige aanslagen
9. Voor zover belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de overige aanslagen, is het beroep niet-ontvankelijk, omdat tegen de aanslagen geen bezwaar is ingediend. Beroep bij de belastingrechter staat uitsluitend open als hiertegen eerst bezwaar is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in het bezwaarschrift bezwaar maakt tegen de aanslag “
WOZ/OZB 2025 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook”. Uit deze aanhef noch de verdere inhoud van het bezwaarschrift volgt dat het bezwaar zich richt tegen iets anders dan de WOZ-waarde en de daaruit volgende aanslag onroerendezaakbelastingen. Een beroep is niet-ontvankelijk als niet eerst bezwaar is gemaakt. Weliswaar vermeldt de volmacht ook afvalstoffenheffing en rioolheffing, maar dat belanghebbende de gemachtigde heeft gemachtigd om ook bezwaar te maken tegen deze aanslagen, betekent nog niet dat dit feitelijk ook is gebeurd. Daarvoor is de inhoud van het bezwaarschrift doorslaggevend. Dat er andere aanslagen op hetzelfde biljet zijn vermeld, maakt nog niet dat het hier gaat om aan de WOZ gerelateerde aanslagen.
10. In dit geval is er ook geen verband tussen de rioolheffing en de WOZ-waarde, omdat de hoogte van de rioolheffing blijkens de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025 niet is gekoppeld aan de WOZ-waarde. Voor de rioolheffing is er wel een relatie met de WOZ-objectafbakening, omdat de rioolheffing voor het perceelbegrip gedeeltelijk aansluit bij de definitie in de Wet WOZ. Uit niets volgt evenwel dat bezwaar is gemaakt tegen de objectafbakening, zodat ook dit beroep niet-ontvankelijk is. Dat gemachtigde in bezwaar een uitdrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de juiste objectafbakening, betekent niet dat die grond is ingebracht. In de uitspraak op bezwaar wordt dan ook terecht uitsluitend uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de waardevaststelling van de onroerende zaak en de aanslag onroerendezaakbelastingen, zodat het beroep van belanghebbende, voor zover dat is gericht tegen de overige aanslag(en) niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De stellingen van belanghebbende over de opbrengstlimiet worden dan ook niet inhoudelijk behandeld.
Vergoeding van immateriële schade
11. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft op 10 maart 2025 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. De periode tussen de datum van indiening van het bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is minder dan twee jaar. Belanghebbende heeft geen bekorting bepleit van de gebruikelijke termijn van twee jaren voor toekenning van immateriële schadevergoeding en de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep ter zake van de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen is ongegrond. Het beroep ter zake van de overige aanslag(en) is niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
13. Het voorgaande betekent dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding ontvangt. Ook het griffierecht wordt niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, voor zover deze betrekking heeft op de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op de overige aanslagen;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 8 juli 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, rechtsoverweging 5.17 en HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, rechtsoverweging 4.3.1.