ECLI:NL:RBGEL:2026:5449

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/7396
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering na amputatie en prothesegebruik met toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Eiser, die na een bedrijfsongeval een amputatie van zijn rechteronderbeen onderging en een prothese gebruikt, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze af omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Eiser betwistte dit en overlegde een rapport van een niet-praktiserend neuroloog. Het UWV reageerde met een rapport van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige beoordeling, die de afwijzing bevestigden.

De rechtbank oordeelde dat de medische belastbaarheid en de selectie van passende functies door het UWV juist en voldoende gemotiveerd waren. De klachten van eiser, zoals pijn en beperkte draagduur van de prothese, werden meegewogen, maar rechtvaardigden geen hogere mate van arbeidsongeschiktheid of urenbeperking. Ook de arbeidsdeskundige beoordeling dat de geduide functies passend zijn, werd bevestigd.

Wel constateerde de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn voor de beroepsprocedure, waardoor eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500. De Staat wordt veroordeeld deze vergoeding en de proceskosten van €472 te betalen. Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
Zittingsplaats: Arnhem
zaaknummer: ARN 24/7396

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het UWV
(gemachtigde: A.J.L. van Klaveren-Drost).
en
de Staat der Nederlanden,de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de WIA-uitkering.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank komt tot slot tot het oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen beslist had moeten worden over de zaak van eiser, is overschreden en dat hij daarom recht heeft op schadevergoeding. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Procesverloop2. Eiser heeft op 12 februari 2024 en aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 16 mei 2024 afgewezen, omdat hij per
8 mei 2024 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een rapport van niet praktiserend neuroloog [naam neuroloog] , werkzaam bij [naam bedrijf] overgelegd. [1] Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift, onder overlegging van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b). [2] Naar aanleiding daarvan heeft eiser een aanvullende reactie van [naam bedrijf] overgelegd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit3.Eiser was laatstelijk werkzaam als dakdekker voor 40 uur per week. Op 11 mei 2022 heeft hij zich ziek gemeld naar aanleiding van een bedrijfsongeval. Eiser heeft een amputatie van zijn rechter onderbeen ondergegaan en heeft een prothese. Met ingang van24 oktober 2022, na beëindiging van zijn dienstverband bij (ex-werkgever), is aan eiser ziekengeld op grond van de Ziektewet toegekend.

3.1.
Na afloop van de wachttijd heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. [3] Naar aanleiding hiervan heeft er een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de medische rapportage. [4] De belastbaarheid van eiser is opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). [5] De arbeidsdeskundige heeft vervolgens een arbeidsdeskundige beoordeling verricht en vastgesteld dat eiser niet meer geschikt is voor zijn werk als dakdekker en heeft voor eiser functies geselecteerd. [6] Op basis van deze functies is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vastgesteld op 28,06. [7] Met het primaire besluit is de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering per datum in geding afgewezen, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende, voordat hij ziek werd. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen dit besluit, hebben een arts b&b en een verzekeringsarts b&b (verzekeringsartsen b&b) medisch onderzoek verricht en in de FML aanvullende beperkingen aangenomen. [8] Vervolgens heeft arbeidskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) vastgesteld dat eiser met de aanvullende beperkingen nog steeds geschikt is voor de primair geduide functies. De arbeidsongeschiktheidspercentage is daarbij ongewijzigd op 28,06 gebleven. Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. [9]
Is de medische belastbaarheid juist?
4. Eiser stelt zich, onder verwijzing naar het rapport van [naam bedrijf] , op het standpunt dat de rapporten van de verzekeringsartsen b&b geen juiste weergave vormen van zijn feitelijke beperkingen. Volgens [naam bedrijf] is sprake van een onderschatting van zijn beperkingen en kan het standpunt van de verzekeringsartsen b&b niet worden gevolgd. Daartoe wijst eiser erop dat hij, na zijn onderbeenamputatie weliswaar met een prothese heeft leren lopen, maar dat het gebruik daarvan structureel wordt beperkt door pijnklachten en huidirritatie van de stomp als gevolg van druk op het litteken. Ondanks aanpassingen aan de prothese is hierin geen verbetering opgetreden. Volgens [naam bedrijf] kan eiser de prothese slechts enkele uren per dag dragen en is hij gemiddeld drie tot vier dagen per week geheel aangewezen op een rolstoel. Daarmee is eiser meer dan 50% van de tijd rolstoelgebonden, in tegenstelling tot de door verzekeringsartsen b&b aangenomen 20%. Verder stelt eiser dat [naam bedrijf] concludeert dat zijn beperkingen ten aanzien van lopen, staan en fysieke belasting zijn onderschat, dat hij voornamelijk is aangewezen op zittend werk en dat daarnaast aanvullende beperkingen moeten worden aangenomen op het gebied van sociaal functioneren en mobiliteit. Ten slotte volgt uit het rapport van [naam bedrijf] dat eiser, vanwege de pijn-, vermoeidheids- en energetische klachten, mede in verband met medicatiegebruik (opiaten) en de behandelingen bij fysiotherapeut (drie keer per week), op een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week is aangewezen. Tijdens de zitting heeft eiser nog toegelicht dat in de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (Standaard) onder onderdeel B voorbeelden worden genoemd van situaties waarin sprake is van een verhoogd energieverbruik. Volgens eiser volgt uit de combinatie van de amputatie, de pijn- en irritatieklachten aan de stomp, het gebruik van opiaten en de overige medische omstandigheden in samenhang bezien, dat een volledig werkweek van 40 uur voor hem op de datum in geding niet haalbaar was.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De verzekeringsartsen b&b hebben gerapporteerd dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM), zoals bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zodat de primaire verzekeringsarts terecht een FML heeft opgesteld. Wel hebben de verzekeringsartsen b&b aanleiding gezien de FML op enkele punten aan te vullen, waaronder beperkingen ten aanzien van onder meer het besturen van voertuigen, hurken, knielen, traplopen en tillen. Daarnaast is in verband met de irritatie aan de stomp en het wisselende gebruik van de prothese een beperking opgenomen die inhoudt dat eiser op eigen initiatief gebruik moet kunnen maken van een rolstoel. De verzekeringsartsen b&b hebben verder geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor aanvullende psychische beperkingen of een urenbeperking, omdat hiervoor geen objectiveerbare psychische functiestoornissen of een medische noodzaak bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen b&b ook voldoende toegelicht, waarom geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. Daarbij is gemotiveerd dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt van een medisch objectiveerbaar pijnsyndroom, een stoornis in energiehuishouding of een andere medische situatie die op grond van de Standaard een urenbeperking rechtvaardigt. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van deze medische beoordeling te twijfelen. Ook de fysiotherapiebehandelingen leiden volgens verzekeringsartsen b&b niet tot een zodanige afwezigheid van het werk, dat dit redelijkerwijs niet van een werkgever kan worden gevergd. Tot slot hebben de verzekeringsartsen b&b opgemerkt dat werkhervatting vanuit therapeutisch oogpunt juist wenselijk is omdat het niet alleen zingeving aan het bestaan en een boost aan het zelfvertrouwen geeft, maar ook zorgt voor structuur, activering in sociale rollen en sociale steun. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding onjuist is vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de arbeidsdeskundige beoordeling juist?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de geduide functies niet passend zijn. Hij voert in dit verband, eveneens onder verwijzing naar het rapport van [naam bedrijf] aan, dat hij, gelet op pijnklachten, beperkte zitduur en het ontbreken van voldoende steun van het rechterbeen bij het opstaan, hiervoor niet geschikt is. Hoewel in theorie sprake is van zittende werkzaamheden, kan eiser niet langdurig zitten en moet hij regelmatig vertreden met behulp van de krukken. Vanwege ontbrekende ondersteuning zijn de functies, waarbij een voetpedaal moet worden bediend niet passend. Tijdens de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij zich niet kan voorstellen hoe hij de geduide functies in de praktijk kan verrichten. Hij kan namelijk thuis afwisselen tussen het gebruik van een rolstoel en een prothese, maar binnen een werksituatie en gelet op het werkproces, bestaat daarvoor op de werkvloer geen ruimte. Volgens eiser moet hij regelmatig kunnen vertreden. Hij kan zich echter niet voorstellen hoe hij daaraan uitvoering moet geven als hij daarvoor eerst zijn prothese zou moeten aantrekken en zich dus daarvoor hinkelend moeten verplaatsen. Om die reden acht eiser de geduide functies, ondanks dat deze rolstoelgeschikt zijn, niet passend.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige b&b voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies, uitgaande van de vastgestelde belastbaarheid, voor eiser passend zijn. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige b&b gerapporteerd dat het gaat om overwegend zittende werkzaamheden, waarbij eiser voldoende gelegenheid heeft om de werkhouding af te wisselen. Voorts zijn de werkplekken rolstoeltoegankelijk, zodat de werkzaamheden ook vanuit een rolstoel kunnen worden verricht. De arbeidsdeskundige b&b heeft daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt dat eiser, in die geselecteerde functies, indien hij dat nodig acht, de mogelijkheid heeft om zijn werkhouding af te wisselen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser twijfelt aan de praktische uitvoerbaarheid van de geselecteerde functies, ziet zij hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de passendheid van de geselecteerde functies. Ook het betoog van eiser dat de functie met pedaalbediening niet passend is, slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen, is de belastbaarheid van eiser juist vastgesteld. Nu daarbij geen beperking is aangenomen voor het gebruik van de linkervoet, bestaat er geen aanleiding om de betreffende functie ongeschikt te achten. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiser heeft tijdens de zitting aangevoerd dat het beroepschrift meer dan twee jaar geleden is ingediend en dat hij daarom recht heeft op immateriële schadevergoeding op grond van het EVRM , wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.1.
Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid voert de Staat geen verweer op het verzoek om schadevergoeding. [10]
6.2.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar duren: een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot het moment waarop de einduitspraak wordt gedaan. [11]
6.3.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
6.4.
Het bezwaar is op 31 mei 2024 door het UWV ontvangen, wat betekent dat de redelijke termijn op 31 mei 2026 is overschreden. Ten tijde van deze uitspraak is de redelijke termijn met minder dan zes maanden overschreden. Dat leidt tot een vergoeding voor immateriële schade van € 500.
6.5.
Vervolgens is de vraag aan de orde wie de schadevergoeding moet betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is uitsluitend aan de rechtbank toe te rekenen, omdat de vertraging zich uitsluitend in de beroepsfase heeft voorgedaan. [12] Daarom moet de Staat de immateriële schadevergoeding betalen.
6.6.
Nu het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen, bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met dit verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 472 (0,5 punt voor het ter zitting doen van het verzoek, met een waarde per punt van € 944 en een wegingsfactor van 1). De rechtbank maakt gebruik van wegingsfactor 0,5 omdat een dergelijk verzoek een lichte zaak is. Voor toekenning van een volledig punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. [13]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV de WIA-aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van het UWV. Dat geldt eveneens voor het verzoek om vergoeding van de kosten van de door hem ingeschakelde deskundige.
7.1.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt wel toegewezen. De Staat wordt daarom veroordeeld tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. Voorts wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van eiser, voor zover deze betrekking hebben op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de Staat om aan eiser een immateriële schadevergoeding van € 500 te betalen;- veroordeelt de Staat tot betaling van € 472 aan proceskosten van eiser in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr.J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het rapport van 27 januari 2025.
2.De rapportage van 14 juli 2025.
3.De aanvraag is ingediend op 12 februari 2024.
4.De rapportage van 9 april 2024.
5.FML van 9 april 2024.
6.De rapportage van 24 september 2024. De geduide functies zijn: productiemedewerker industrie (sbc-code: 111180), textielproductenmaker (sbc-code: 111160) en assemblage medewerker besturingskasten en panelen (sbc-code: 267071). Daarnaast zijn twee voorbeeldfuncties van: medewerker tuinbouw (sbc-code: 111010) en medewerker binderij grafisch nabewerker (sbc-code 268030) geduid.
7.De rapportage van 14 mei 2024.
8.De rapportage en de FML van 12 september 2024.
9.Het besluit van 25 september 2024.
10.Zie Staatscourant 2014, nr. 20210 en Staatscourant 2017, nr. 62751.
11.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
12.Het bestreden besluit is op 25 september 2024 afgegeven.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:611.