Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Samenvatting
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank komt tot slot tot het oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen beslist had moeten worden over de zaak van eiser, is overschreden en dat hij daarom recht heeft op schadevergoeding. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Procesverloop2. Eiser heeft op 12 februari 2024 en aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 16 mei 2024 afgewezen, omdat hij per
8 mei 2024 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een rapport van niet praktiserend neuroloog [naam neuroloog] , werkzaam bij [naam bedrijf] overgelegd. [1] Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift, onder overlegging van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b). [2] Naar aanleiding daarvan heeft eiser een aanvullende reactie van [naam bedrijf] overgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit3.Eiser was laatstelijk werkzaam als dakdekker voor 40 uur per week. Op 11 mei 2022 heeft hij zich ziek gemeld naar aanleiding van een bedrijfsongeval. Eiser heeft een amputatie van zijn rechter onderbeen ondergegaan en heeft een prothese. Met ingang van24 oktober 2022, na beëindiging van zijn dienstverband bij (ex-werkgever), is aan eiser ziekengeld op grond van de Ziektewet toegekend.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de Staat om aan eiser een immateriële schadevergoeding van € 500 te betalen;- veroordeelt de Staat tot betaling van € 472 aan proceskosten van eiser in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
mr.J. Mamedova, griffier.