ECLI:NL:RBGEL:2026:5466

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/3212
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 AwbArtikel 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging beslistermijn omgevingsvergunning

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen om de beslistermijn op de aanvraag om een omgevingsvergunning van een derde-partij te verlengen. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit besluit een procedurebeslissing betreft die niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, tenzij de belanghebbende rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

Verzoeker stelt dat de verlenging duidt op een inhoudelijke behandeling terwijl er een mediationtraject loopt en besluitvorming stil zou moeten liggen. Ook wijst hij op onbeantwoorde vragen aan het college. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat het belang van verzoeker bij de verlenging niet los kan worden gezien van zijn belang bij de uiteindelijke beslissing op de aanvraag omgevingsvergunning.

Omdat verzoeker niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen door de verlenging, is het besluit niet vatbaar voor bezwaar en zal het bezwaarschrift waarschijnlijk niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlenging van de beslistermijn wordt afgewezen omdat verzoeker niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3212

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats 1], verzoeker

(gemachtigde: mr. W.J. Bloemena),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen.

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij], uit [plaats 2].

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college om de beslistermijn op de aanvraag om een omgevingsvergunning van derde-partij te verlengen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk ongegrond is doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Met het bestreden besluit van 15 juni 2026 heeft het college de beslistermijn op de aanvraag om een omgevingsvergunning van derde-partij verlengd.
2.1. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.2. Een besluit waarbij de termijn om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt verlengd is een beslissing over de procedure ter voorbereiding van een besluit. Ingevolge artikel 6:3 van Pro de Awb is een dergelijk besluit niet vatbaar voor bezwaar en beroep tenzij de belanghebbende, los van het voor te bereiden besluit, rechtstreeks in zijn belang is getroffen.
2.3. Verzoeker heeft vragen over het bouwplan, een aan derde-partij opgelegde bouwstop en de procedure die in het kader van de aangevraagde omgevingsvergunning wordt doorlopen. Hij stelt dat verlenging van de beslistermijn duidt op een inhoudelijke behandeling van de aanvraag, terwijl er een mediation traject doorlopen wordt en besluitvorming stil zou moeten liggen in afwachting van de uitkomst van mediation. Hij wijst erop dat hij vragen aan het college heeft gesteld, waar nog altijd niet op is geantwoord.
3. Het belang van verzoeker bij het besluit om de beslistermijn te verlengen, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet los worden gezien van zijn belang bij de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dat de beslissing op de aanvraag later kan worden genomen dan zonder het besluit tot verlenging van de beslistermijn mogelijk was geweest, betekent niet dat verzoeker los van het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning rechtstreeks in zijn belang is getroffen. [1] Dat dit duidt op een inhoudelijke beoordeling van de door derde-partij ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning maakt dit niet anders. De bezwaren die verzoeker heeft ten aanzien van de doorlopen procedure en het mediationtraject kunnen in het kader van een in te dienen bezwaar nader worden beoordeeld, maar maken niet dat verzoeker door de verlenging van de procedure rechtstreeks in zijn belang is getroffen.
4. Gelet daarop is het besluit tot verlenging van de beslistermijn niet vatbaar voor bezwaar en zal het bezwaarschrift naar alle waarschijnlijkheid niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK6720.