ECLI:NL:RBGEL:2026:5481

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/8094
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 3 AWRArt. 5 lid 1 AWRArt. 3:41 lid 1 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens overschrijding termijn

Belanghebbende was enig aandeelhouder van een vennootschap die in 2018 werd ontbonden. De inspecteur legde in december 2023 een navorderingsaanslag IB/PVV 2018 op, gebaseerd op een boekenonderzoek bij een aanverwante vennootschap. Belanghebbende betwistte de tijdige verzending van de aanslag en stelde dat de aanslag buiten de wettelijke termijn van vijf jaar was opgelegd.

De inspecteur stelde dat de aanslag tijdig was verzonden per post en ook zichtbaar was op het digitale portaal Mijn Belastingdienst. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat de aanslag daadwerkelijk tijdig en op de juiste wijze aan belanghebbende was bekendgemaakt, omdat geen verzendrapportages of bewijs van aanbieding aan een postvervoerder waren overgelegd.

De rechtbank stelde vast dat de navorderingsaanslag buiten de navorderingstermijn was opgelegd en vernietigde daarom de aanslag en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. Andere aangevoerde gronden werden niet meer behandeld vanwege het vernietigende oordeel over de termijnoverschrijding.

Uitkomst: De navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking worden vernietigd wegens niet-tijdige bekendmaking binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8094

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 oktober 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.700 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 220.218. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 10.138 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De inspecteur heeft daarbij voor een aantal stukken een verzoek gedaan tot geheimhouding op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij beslissing van 22 juli 2025 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek deels toegewezen en de inspecteur in de gelegenheid gesteld om de stukken waarin passages ten onrechte zijn geanonimiseerd alsnog te overleggen. Bij brief van 13 augustus 2025 heeft de inspecteur de desbetreffende stukken overgelegd overeenkomstig de uitspraak van de geheimhoudingskamer.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn gemachtigde en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

1. Belanghebbende was van 6 mei 2015 tot en met 31 december 2018 enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ). Deze vennootschap is op 31 december 2018 ontbonden.
2. Op 2 juli 2019 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar loon van € 46.700 van [bedrijf] . De aanslag is op 19 september 2019 vastgesteld overeenkomstig de aangifte.
3. Op 11 september 2023 heeft de inspecteur van de afdeling inkomstenbelasting een signaal ontvangen van de inspecteur van de afdeling vennootschapsbelasting. Hij is geïnformeerd dat, gelet op de bevindingen van een boekenonderzoek bij een vennootschap waarvan de vader van belanghebbende 100% aandeelhouder is, er met betrekking tot belanghebbende mogelijk te weinig belasting zou zijn geheven. Ten tijde van de ontbinding van [bedrijf] zou nog een vordering van € 220.228 aanwezig zijn op de vennootschap van de vader.
4. In het dossier bevindt zich een brief van de inspecteur van 7 december 2023 waarin de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 wordt aangekondigd en gemotiveerd. Hierbij bevindt zich ook een afschrift van de notificatie dat deze aankondiging in de elektronische berichtenbox is geplaatst.
5. In het dossier bevindt zich daarnaast een brief van de inspecteur van 21 december 2023 waarin staat dat belanghebbende de navorderingsaanslag binnenkort zal ontvangen. Een kopie van de navorderingsaanslag is bij deze brief gevoegd.
6. De navorderingsaanslag IB/PVV 2018 is opgelegd met dagtekening 29 december 2023. In het dossier bevindt zich een printscreen van mijnbelastingdienst.nl met de volgende inhoud:

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslag onterecht is opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de navorderingsaanslag tijdig en op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt?
9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag niet is vastgesteld binnen de daarvoor geldende termijn van vijf jaar. Hij betwist de tijdige verzending van de navorderingsaanslag. In dat kader stelt belanghebbende ook dat het een feit van algemene bekendheid is dat de periode rond de dagtekening van de navorderingsaanslag een van de drukste periodes in het jaar is voor postverwerkingsbedrijven, waarbij zelden post wordt afgeleverd binnen de reguliere termijnen.
10. De inspecteur is van mening dat de navorderingsaanslag wel tijdig en op de juiste wijze bekend is gemaakt. De navorderingsaanslag is volgens de inspecteur op 7 december 2023 handmatig opgemaakt, op 10 december 2023 door het systeem afgerond en op die datum door een medewerker in een blauwe envelop gedaan met de tekst ‘Port betaald PostNL’ en ter post bezorgd. Daarnaast is de navorderingsaanslag ook zichtbaar geworden op ‘Mijn Belastingdienst’ en is op 21 december 2023 een kopie van de navorderingsaanslag aan belanghebbende ter post bezorgd. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur onvoldoende gemotiveerd dat de navorderingsaanslag te laat is verzonden.
11. De rechtbank overweegt als volgt. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. [1] De vaststelling van een belastingaanslag gebeurt door het opmaken van een aanslagbiljet, waarbij de dagtekening hiervan geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. [2] Uitzondering op deze regel is als de aanslag pas na dagtekening van de aanslag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. [3] De datum van bekendmaking komt dan in de plaats van de dagtekening van het aanslagbiljet. Bekendmaking van een belastingaanslag zal doorgaans plaatsvinden door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. [4] Als de bekendmaking gebeurt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan uit worden gegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. [5] Als een belanghebbende stelt dat een navorderingsaanslag hem niet (tijdig) heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van (tijdige) verzending begrepen. Het is dan aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de navorderingsaanslag tijdig en op de juiste wijze bekend is gemaakt. [6] Hij moet dan aannemelijk maken dat de navorderingsaanslag is aangeboden aan een postvervoerbedrijf en aan welk postvervoerbedrijf. [7]
12. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met wat hij heeft overgelegd niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. De navorderingsaanslag is weliswaar gedagtekend op 29 december 2023, maar de inspecteur heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de navorderingsaanslag voor of op die datum is aangeboden aan een postvervoerbedrijf, laat staan aan welk postvervoerbedrijf deze aanslag is aangeboden. Hetzelfde geldt voor de kopie van de navorderingsaanslag die met de brief met dagtekening 21 december 2023 is verzonden. Enkel de blote stelling dat de navorderingsaanslag is verzonden in een blauwe envelop waarop staat ‘Port betaald PostNL’, is onvoldoende. Er zijn geen verzendrapportages aanwezig en de inspecteur heeft ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslag tijdig is verzonden. Belanghebbende heeft niet verzocht om uitstel voor het doen gaan aangifte. Dat betekent dat niet vaststaat dat de navorderingsaanslag uiterlijk 31 december 2023 – de laatste dag van de navorderingstermijn – is bekendgemaakt. De navorderingsaanslag is dus buiten de navorderingstermijn opgelegd en zal om die reden worden vernietigd.
13. Dat de navorderingsaanslag op mijnbelastingdienst.nl is geplaatst, maakt het voorgaande niet anders. Dit is namelijk geen formeelrechtelijk toegelaten wijze van bekendmaking. [8] Alleen door verzending per post wordt de navorderingsaanslag op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. [9] Daar komt nog bij dat het de inspecteur desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat hem niet bekend is of belanghebbende zich heeft aangemeld voor de berichtenbox.
14. Nu de navorderingsaanslag wordt vernietigd, hoeft de rechtbank alle andere aangevoerde gronden niet meer te behandelen.
Is de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?
15. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende navorderingsaanslag zal worden vernietigd, zal de rechtbank de belastingrentebeschikking ook vernietigen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. De navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking worden vernietigd. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde was niet betrokken in de bezwaarfase en belanghebbende heeft ook in bezwaar niet gevraagd om vergoeding van de proceskosten. Belanghebbende heeft dus geen recht op een vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase. In beroep heeft elke proceshandeling die de gemachtigde verricht een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De rechtbank vindt deze zaak van gemiddeld gewicht. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 10 juli 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 16, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Artikel 5, eerste lid, van de AWR.
3.Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.2.
4.Artikel 3:41 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5.Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.4.
6.Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.2 en Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202, r.o. 2.4.4.
7.Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875.
8.Artikel 3a, eerste lid, van de AWR zegt weliswaar dat verkeer tussen een belastingplichtige en de inspecteur uitsluitend elektronisch wordt verzonden, maar daarop zijn uitzonderingen gemaakt in de bijlage bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer waarbij ook de (navorderings)aanslag is uitgezonderd, in die zin dat dit bericht niet uitsluitend elektronisch verzonden wordt.
9.Hoge Raad 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:758.