ECLI:NL:RBGEL:2026:5482

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/8924
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 24a, tweede lid, AWRArt. 25, vierde lid, AWR
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen onvolledige uitspraak op bezwaar naheffingsaanslag en boetes

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag loonheffingen en bijbehorende boetes over april 2024. De inspecteur legde een naheffingsaanslag en boetes op, maar verminderde deze later tot nihil. Op 21 oktober 2024 deed de inspecteur uitspraak op bezwaar, waarin alleen de aangifteverzuimboete expliciet werd verminderd. Belanghebbende stelde dat de inspecteur niet volledig had beslist en stelde de inspecteur in gebreke.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur wel heeft beslist op het bezwaar, maar dat de uitspraak onvolledig is omdat niet op alle bezwaargronden is beslist. Dit betekent echter geen weigering van beslissing, zodat het beroep tegen deze vermeende weigering niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is te laat ingediend, waardoor ook dat beroep niet-ontvankelijk is.

Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom of immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de termijnoverschrijding minder dan een jaar bedroeg en het belang minder dan €1.000 was. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding af en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk wegens te late indiening en de inspecteur heeft wel degelijk beslist, zij het onvolledig, op het bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8924

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende van 9 december 2024 tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak 1 april 2024 tot en met 30 april 2024 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 2.100 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van deze naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een aangifteverzuimboete van € 68 opgelegd en een betalingsverzuimboete van € 63 (de boetebeschikkingen).
Op 5 juli 2024 heeft de inspecteur bij verminderingsbeschikking de naheffingsaanslag en de betalingsverzuimboete verminderd tot nihil.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2024 gegrond verklaard en daarbij de aangifteverzuimboete verminderd tot nihil.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

Belanghebbende heeft op 17 juni 2024 – na de uiterste aangifte- en betaaldatum van 31 mei 2024 – aangifte loonheffingen gedaan over het tijdvak van 1 april 2024 tot en met 30 april 2024 naar een belastbaar loon van nihil.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 21 juni 2024 de naheffingsaanslag opgelegd. Ook heeft hij een aangifte- en betalingsverzuimboete opgelegd. De naheffingsaanslag en boetes zijn op hetzelfde aanslagbiljet vermeld. Het aanslagnummer van het aanslagbiljet is [nummer]
3. Belanghebbende heeft op 23 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boetes.
4. Met dagtekening 5 juli 2024 heeft de inspecteur onder verwijzing naar het voornoemde aanslagnummer bij verminderingsbeschikking de naheffingsaanslag en de betalingsverzuimboete verminderd tot nihil.
5. Op 14 augustus 2024 heeft de inspecteur een brief gestuurd waarin staat dat hij van plan is het bezwaar (gedeeltelijk) toe te wijzen voor zover het ziet op de naheffingsaanslag en de betalingsverzuimboete. In deze brief heeft de inspecteur verwezen naar het voornoemde aanslagnummer en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boetes.
6. Op 21 oktober 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij de aangifteverzuimboete verminderd tot nihil. In de uitspraak op bezwaar staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) U hebt bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] . Wij hebben uw bezwaar ontvangen op 25 juni 2024. (…) Ik kom aan uw bezwaar tegemoet. De boete was te hoog. Daarom heb ik de boete opnieuw vastgesteld. In de bijlage leest u wat dit voor u betekent. (…)”
7. In de bijlage bij de uitspraak op bezwaar staat:
[Afbeelding geanonimiseerd]
8. Op 27 oktober 2024 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld omdat nog geen beslissing is genomen over het bezwaar tegen de betalingsverzuimboete.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur heeft beslist op het bezwaar van belanghebbende en, zo ja, of het beroep tegen die beslissing ontvankelijk is.
10. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft beslist op het bezwaar van belanghebbende en dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet tijdig is ingediend
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het beroep ontvankelijk?
11. Belanghebbende stelt dat zij in beroep is gekomen tegen de weigering van de inspecteur om te beslissen op zijn bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag en betalingsverzuimboete. Dit beroep is niet aan beroepstermijn gebonden. Er is weliswaar op 5 juli 2024 een verminderingsbeschikking gegeven, maar dat is geen uitspraak op bezwaar en geen voor beroep vatbare beslissing. Uit oogpunt van rechtszekerheid is het van belang dat de inspecteur alsnog een beslissing neemt. Belanghebbende verzoekt ook om toekenning van een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen.
12. De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat belanghebbende niet binnen de beroepstermijn beroep heeft ingesteld en subsidiair dat er geen geschil meer is, omdat de aangifteverzuimboete, net zoals de naheffingsaanslag en betalingsverzuimboete, al is verminderd tot nihil. Volgens de inspecteur is het beroep daarom niet-ontvankelijk en bestaat geen recht op een dwangsom.
13. De rechtbank stelt voorop dat de boetes voor de toepassing van de voorschriften rondom bezwaar en beroep worden geacht onderdeel uit te maken van de naheffingsaanslag, omdat deze op hetzelfde aanslagbiljet zijn vermeld als de naheffingsaanslag. [1]
14. Uit de stukken volgt dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift is opgekomen tegen de naheffingsaanslag en daarbij tevens gronden heeft aangevoerd tegen de boetebeschikkingen. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar echter alleen expliciet beslist over de aangifteverzuimboete. Uit de brief van 14 augustus 2024 en de aangehaalde citaten uit de (bijlage bij de) uitspraak op bezwaar, leidt de rechtbank af dat het wel de bedoeling van de inspecteur is geweest om uitspraak te doen op alle onderdelen van het bezwaar van belanghebbende. Nu de inspecteur ten onrechte niet op alle bezwaargronden heeft beslist, is de uitspraak op bezwaar onvolledig. Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad is de inspecteur niet bevoegd om zonder tussenkomst van de rechter een tweede uitspraak op bezwaar te doen. [2] Het voorgaande brengt mee dat geen sprake is van het weigeren om te beslissen. Belanghebbende kan dan ook niet op grond daarvan in beroep komen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
15. De verwijzing van belanghebbende ter zitting naar artikel 25, vierde lid, van de AWR maakt dit niet anders. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling is bedoeld om het bestuursorgaan de vrijheid te geven om afzonderlijke bezwaarschriften tegen besluiten die zijn aangeduid op verschillende aanslagbiljetten bij gezamenlijke uitspraak af te doen. [3] In dit geval gaat het om één bezwaarschrift tegen besluiten die zijn aangeduid op één aanslagbiljet.
16. Omdat er met de uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2024 is beslist op het bezwaar van belanghebbende, gaat de rechtbank ervan uit dat het beroep zich (ook) daartegen richt. Daarvoor geldt het volgende. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt voor het indienen van een beroepschrift een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de AWR op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is sprake indien de te late indiening van het beroepschrift het gevolg is van een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en het beroepschrift is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed. [4]
17. De beroepstermijn eindigde in dit geval zes weken na 21 oktober 2024, dus op 2 december 2024. Het beroepschrift is digitaal ingediend op 9 december 2024. Dat is dus te laat. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Belanghebbende heeft immers niet gesteld dat zij vanwege een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid het beroepschrift niet tijdig kon indienen. Hierbij merkt de rechtbank ook nog op dat belanghebbende precies zes weken heeft gewacht na het versturen van de ingebrekestelling. De rechtbank kan zich daarom niet aan de indruk onttrekken dat belanghebbende beroep heeft ingesteld met het doel om de maximale dwangsom van 42 dagen te verbeuren en dat zij om die reden heeft gewacht totdat de volledige termijn voorbij was.
18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank merkt ten overvloede op dat er ook geen reden is een dwangsom op te leggen nu de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan voordat zij in gebreke is gesteld.
Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade?
19. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016 [5] en 14 juni 2024 [6] . In belastinggeschillen geldt in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in dit geval van af te wijken.
20. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 25 juni 2024 ontvangen. Sinds de indiening van het bezwaarschrift is een periode van ruim twee jaar verstreken. De redelijke termijn is met minder dan een jaar overschreden. Het belang is minder dan € 1.000 omdat de naheffingsaanslag en boetes tijdens de bezwaarfase al zijn verminderd naar nihil en de verzochte dwangsom niet meetelt voor de bepaling van de hoogte van het belang. Dat betekent dat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af en volstaat zij met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom of een immateriële schadevergoeding. Belanghebbende heeft daarnaast geen recht op vergoeding van haar proceskosten en zij krijgt het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 10 juli 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 24a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516 en Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1132.
4.Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515.