ECLI:NL:RBGEL:2026:55

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
520841825
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het vervoeren van 1.587 kilogram cocaïne in vereniging

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met medeverdachten 1.587 kilogram cocaïne heeft vervoerd. De verdachte, geboren in 2003 en op dat moment gedetineerd, werd beschuldigd van het opzettelijk vervoeren van deze grote hoeveelheid cocaïne, wat een overtreding van de Opiumwet inhoudt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 8 juli 2025, samen met medeverdachten, betrokken was bij het vervoeren van de cocaïne vanuit een opslaglocatie in [plaats 2] naar een andere locatie in [plaats 1]. Tijdens observaties door de politie werd gezien dat de verdachte en zijn medeverdachten zich verdacht gedroegen en handschoenen droegen, wat duidde op hun betrokkenheid bij criminele activiteiten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wist dat de dozen die hij vervoerde verdovende middelen bevatten, en dat hij voorwaardelijk opzet had op het medeplegen van het vervoeren van deze grote hoeveelheid cocaïne. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en meewerken aan schuldhulpverlening. Tevens werd de maatregel kostenverhaal opgelegd voor de vernietiging van de cocaïne, waarbij de verdachte € 500,08 moet betalen. De rechtbank heeft rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte en zijn beperkte rol in het geheel, maar benadrukte de ernst van de feiten en de impact van drugshandel op de volksgezondheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.208418.25
Datum uitspraak : 6 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 1] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 1587 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van
1587 kilogram cocaïne.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte had geen weet van de inhoud van de dozen. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het vervoeren van cocaïne.
Beoordeling door de rechtbank
Verbalisanten zagen tijdens observatie op 8 juli 2025 tussen 13:20 en 18:24 uur het volgende. Verdachte [medeverdachte 1] rijdt in zijn bestelbus Ford Transit voorzien van kenteken [kenteken 1] met verdachte [verdachte] als bijrijder het terrein op van [bedrijf] aan de [adres 2] in [plaats 1] , waar zij met de Ford het pand binnen rijden naar de eerste verdieping. [2] De Ford wordt geparkeerd bij opslagbox nr. 62. [3] Korte tijd later arriveert verdachte [medeverdachte 2] in een Iveco bus met open laadbak voorzien van kenteken [kenteken 2] bij het pand. [4] Op camerabeelden is te zien dat een palletwagen bij de laadruimte van de Ford staat en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] dozen, rollen lijkend op verpakkingsfolie en andere goederen uit de Ford laden en opslagbox nr. 62 in dragen. [verdachte] en [medeverdachte 1] dragen daarbij oranje handschoenen. Gelet op de manier van tillen, lijken de dozen weinig gewicht te hebben. Ook is op de beelden te zien dat [medeverdachte 2] naar en in opslagbox nr. 62 loopt en met [verdachte] en [medeverdachte 1] praat, die verder gaan met uitladen. Zo’n twintig minuten later rijden de drie verdachten in de Ford Transit en de Iveco bus achter elkaar het terrein van [bedrijf] af, [5] waarna zij via een gezamenlijke tussenstop bij een tankshop in Nieuwegein naar een bedrijfsloods aan de [adres 3] in [plaats 2] rijden. Te zien is dat de open laadbak van de Iveco bus onderweg naar [plaats 2] leeg is. [6] Nadat de roldeur van de loods in [plaats 2] voor hen wordt geopend door een vierde persoon, rijden de drie verdachten met de Ford en de Iveco bus naar binnen waarna de roldeur wordt gesloten. Zo’n twintig minuten later rijden de drie verdachten met de voertuigen het pand uit. In de laadbak van de Iveco bus staan drie pallets met dozen afgedekt met plastic. De verdachten rijden vervolgens gezamenlijk terug naar [plaats 1] . De Ford Transit met [medeverdachte 1] als bestuurder en verdachte als bijrijder houdt stil voor het toegangshek van [bedrijf] , waarna zij door de politie worden aangehouden. Even later wordt [medeverdachte 2] rijdend in de Iveco bus aangehouden ter hoogte van Hooglandblok nabij [plaats 1] . [7]
Bij de hierop volgende doorzoeking van de Ford Transit trof de politie in de laadruimte 20 dozen aan opgestapeld op een pallet met daarin totaal 400 ingesealde pakketten met witte blokken. [8] De blokken hadden een nettogewicht van totaal 39.8300,00 gram. [9] Uit onderzoek van het NFI blijkt dat de blokken cocaïne bevatten. [10] . [11] Bij doorzoeking van de Iveco bus trof de politie in de laadbak 3 pallets aan met lading ingewikkeld in plastic, soortgelijk aan het plastic van een rol aangetroffen in de Ford. De rechtbank begrijpt dat verbalisant doelt op de zwarte folie die eerder op de dag bij de opslagbox (stashplek) in de Ford is geplaatst), 20 ingesealde dozen per pallet met in totaal 60 dozen. In de dozen zaten in totaal 1194 pakketten met witte blokken, soortgelijk aan de pakketten aangetroffen in de Ford. [12] De blokken hadden een nettogewicht van totaal 1.188.925,50 gram. [13] Uit onderzoek van het NFI blijkt dat de blokken cocaïne bevatten. [14]
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen staat vast dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] 1.587 kilogram cocaïne heeft vervoerd vanaf [plaats 2] .
Wetenschap en opzet verdachte
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte weet had van de verdovende middelen in de dozen, in ieder geval de aanmerkelijke kans daarop.
Verdachte heeft verklaard dat hij de dozen heeft gesjouwd en op de pallets heeft gezet in de loods in [plaats 2] . [15] Uit onderzoek van de politie blijkt dat de blokken cocaïne gekoeld en nat aanvoelden en roken naar vis. [16] Dit moet verdachte ook opgevallen zijn.
In het dossier bevinden zich de volgende tapgesprekken tussen verdachte ( [telefoonnummer 1] ) en zijn zwager medeverdachte [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ):
29 juni 2025 17:40 uur:
Verdachte vraagt wat [medeverdachte 1] aan het doen is. [medeverdachte 1] zegt "Effe naar dinges, ik [de rechtbank begrijpt:
weet] niet hoeveel aantallen er nog over zijn, ik moet even kijken, daarvoor moet ik even daar naar toe". Dat is goed zegt verdachte. [17]
30 juni 2025
[medeverdachte 1] : de politie hield mij net staande…Hij ging met een lamp via die deksel in de bagage kijken…. er was natuurlijk geen shit maar ze gingen helemaal doorzoeken. (…) echt waar nog twee uurtjes geleden heb ik het op en neer gebracht (vervoerd). Stress.
[medeverdachte 1] : (…) Vandaag ...ik moest ding 50... ik zou 50 dinges doen...zou ik ophalen (…).
[medeverdachte 1] : Morgen weer 50 retour. Van vorige job die wij hebben gedaan.
[verdachte] : Waarom is die niet goed, komt het terug?
[medeverdachte 1] : Het bevalt hun niet. Ze zeggen dat het zacht is.
[medeverdachte 1] : Wij zitten dus daarmee in onze maag. ..als die andere nu zou komen.
[verdachte] : Is die al gekomen?
[medeverdachte 1] : Dan ga ik jou ook bellen (…) ze moeten alleen datum geven van 'jullie kunnen op die
en die dag komen. Het ding is daar.'
[medeverdachte 1] : …die incidenten zijn toch gebeurd, ze zijn nog voorzichtig is begrijpelijk.
[verdachte] : Begrijp je, waar inval is geweest zij doen allemaal zaken met hen.
[medeverdachte 1] : Ja daarom dus. Laat ik tegen jou zeggen, ik ben elke dag bezig.
[medeverdachte 1] : Ik ga jou ook bellen. Daarna tien stuks, vijf stuks...twintig (…). Als jij rijbewijs zou
hebben zou ik tegen je zeggen 'doe jij die, doe ik deze'.
[verdachte] : Bel me gewoon als je me nodig hebt.
[medeverdachte 1] : (…) [naam] heeft gezegd 'nee wij regelen het op deze wijze. Wij hendelen het, ik wil niemand anders, ik heb een mooie/goede groep'
[medeverdachte 1] : Ik heb toch laatst dat incident meegemaakt...met twee stuks ?
[medeverdachte 1] : Hij heeft ook naar de grote baas geschreven (...) hij heeft gezegd hoe jullie hem
schuldig vinden ik ben net zo schuldig. [18]
3 juli 2025:
[medeverdachte 1] : Krijg zo te horen, het kan zijn dat het ding maandag wordt
[medeverdachte 1] : Ik krijg zo te horen wanneer en hoe laat of wat dan ook...of het doorgaat of niet.
[verdachte] : Ja toch.
[medeverdachte 1] : Zij wilden waarschijnlijk na het weekend doen maar ze laten het nog weten.
[verdachte] : Oke is goed. [19]
Op dinsdag 8 juli 2025 om 12:19 uur belt [medeverdachte 1] en zegt tegen verdachte dat hij met 15-20 minuten bij hem is. [20]
Bij doorzoeking van opslagbox nr. 62 op 8 juli 2025 bleek dat de ruimte (circa 600 cm diep en 350 cm breed) was ingericht als zogeheten stashlocatie voor verdovende middelen. In de opslagbox lagen onder meer handschoenen, een kom met een witte stof die positief indicatief is getest op cocaïne, een weegschaal, jammers, 3 hoge kluizen die nagenoeg leeg waren, dozen, rollen tape en 10 lege sporttassen. [21] De opslagbox werd gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 2] . [22] Uit camerabeelden van de opslagbox die door de politie zijn beschreven, blijkt dat verdachte al eerder, te weten op 11 juni, 19 juni en 21 juni 2025 samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in de opslagbox was en dozen uit de opslagbox in de auto heeft geladen. Ook is te zien dat verdachten latex handschoenen dragen. [23]
Gelet op de inhoud van de tapgesprekken, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] hierin de voorraad en het vervoer van verboden goederen/ verdovende middelen met verdachte bespreekt. Verdachte wist dus dat [medeverdachte 1] zich bezig hield met criminele zaken en dat na het weekend van 3 juli 2025 ‘het ding’ - een verboden partij - zou komen waarvoor [medeverdachte 1] hem nodig had en hem zou bellen, wat [medeverdachte 1] vervolgens op 8 juli 2025 ook heeft gedaan. Voorts is verdachte meerdere keren in de opslagbox in [plaats 1] geweest. Het kan niet anders dan dat hij daarbij heeft gezien, en dus wist, dat deze ruimte op 8 juli 2025 werd gebruikt als voorraadplek voor verdovende middelen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de omstandigheid dat hij, evenals de medeverdachten, in de zomer latex handschoenen droeg in de opslagbox, kennelijk om geen dacty- en dna-sporen achter te laten. De verklaring van verdachte dat hij van niets wist en handschoenen droeg zodat hij zich niet zou snijden, acht de rechtbank in het licht van de bewijsmiddelen niet geloofwaardig. Voorts overweegt de rechtbank dat de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten met een dergelijke grote hoeveelheid cocaïne in twee voertuigen vraagt om een aannemelijke uitleg voor het ontbreken van wetenschap van die lading, maar die heeft verdachte niet gegeven.
Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de dozen verdovende middelen bevatten, in ieder geval dat de aanmerkelijke kans daarop aanwezig was. Ook wist verdachte dat het daarbij ging om een zo grote hoeveelheid dat hiervoor twee bedrijfswagens nodig waren. De cocaïne bevond zich in de gezamenlijke machtssfeer van verdachten. Verdachte heeft dan ook minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het medeplegen van het vervoeren van grote hoeveelheden cocaïne, zodat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.
Partiële vrijspraak
De rechtbank ziet geen bewijs voor de handelingen ‘afleveren’ en ‘verstrekken’ zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks8 juli 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 1] ,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,
opzettelijk heeft
afgeleverd en/of verstrekt en/ofvervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer1587 kilogram
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte met toepassing van het volwassenstrafrecht wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
In geval van bewezenverklaring heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de straf fors lager moet zijn dan die van de medeverdachten vanwege de beperkte rol van verdachte. Ook is gewezen op zijn jonge leeftijd, de omstandigheid dat hij geen relevant strafblad heeft en dat hij heeft gehandeld uit loyaliteit naar zijn zwager, medeverdachte.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft op 8 juli 2025 samen met de twee medeverdachten een enorme hoeveelheid van in totaal 1.587 kilogram cocaïne vervoerd. De cocaïne was verdeeld over twee bedrijfswagens en had een straatwaarde van zo’n 20 miljoen Euro. De pakketten cocaïne lagen opgeslagen in een koelcel in een bedrijfsloods in [plaats 2] waar deze door de verdachten zijn ingeladen in de voertuigen. Verdachten zijn hierna samen teruggereden naar een opslagbox in [plaats 1] die gebruikt werd als stashplek om de grote hoeveelheid cocaïne op te slaan in kluizen. De opslagbox werd gehuurd door een van de medeverdachten. Gezien de grote hoeveelheid was de cocaïne bestemd voor verdere verspreiding en grootschalige (internationale) handel. Door zijn handelen heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en de hele keten van productie, transport en verkoop gaat gepaard met ondermijnende criminaliteit. Daarbij wordt het gebruik van geweld niet geschuwd. Verdachte heeft zich hierdoor niet laten weerhouden maar er met het oog op geldelijk gewin voor gekozen zijn zwager, medeverdachte, te assisteren bij het vervoer van de cocaïne.
Gezien de grote hoeveelheid cocaïne die verdachte heeft vervoerd, ligt wat de rechtbank betreft een forse gevangenisstraf in de rede. Deze straf beoogt niet alleen te voorkomen dat verdachte opnieuw een dergelijk feit pleegt, maar is er ook op gericht anderen ervan te weerhouden zich in te laten met het criminele drugscircuit. Voor drugsvervoer van deze omvang zijn geen concrete LOVS-oriëntatiepunten beschikbaar zodat de rechtbank bij het bepalen van de straf aansluiting zoekt bij de straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Die liggen doorgaans wat lager dan de strafeis van de officier van justitie.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank het volgende mee. Verdachte was tijdens het plegen van het feit 22 jaar. Zoals de reclassering heeft geadviseerd zal de rechtbank het volwassenstrafrecht toepassen waarbij zij rekening houdt met zijn jonge leeftijd. Verdachte heeft geen relevant strafblad. Het bewezenverklaarde ziet op één rit en één dag. De rol van verdachte bestond voornamelijk uit sjouwwerk. Zijn bijdrage is daarmee van aanzienlijk minder gewicht dan die van de medeverdachten. Alles afwegende, komt de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Om te voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat, zal de rechtbank bijzondere voorwaarden opleggen zoals de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het genoemde locatieverbod. Deze voorwaarden bestaan uit een meldplicht, meewerken aan dagbesteding en aan schuldhulpverlening waarbij verdachte de reclassering inzicht geeft in zijn financiën.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De maatregel kostenverhaal (artikel 13d van de Opiumwet)
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte en de twee medeverdachten de maatregel kostenverhaal wordt opgelegd voor een bedrag van elk € 500,08.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor vernietiging van de cocaïne niet voor rekening van verdachte(n) maar voor rekening van de maatschappij komen.
De rechtbank stelt vast dat aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Cocaïne levert een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid en valt daarmee onder het toepassingsbereik van artikel 13d van de Opiumwet. In het dossier zit een factuur van 16 juli 2025 van de kosten voor vernietiging van de onder verdachten in beslag genomen hoeveelheid cocaïne. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.500,25 dat door de Staat is betaald.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen. De totale kosten zullen evenredig worden verdeeld over verdachte en de twee medeverdachten, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De rechtbank legt dus aan alle drie de verdachten de maatregel kostenverhaal op voor een bedrag van € 500,08. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast, zonder dat daardoor de betalingsverplichting van verdachte vervalt.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b,14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 13d van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 1 jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met verdachte voor de eerste afspraak;
- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van bovenstaande voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet, een bedrag van € 500,08;
 bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd bij niet-betaling op 20 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.W. van de Sande, voorzitter, mr. H.C. Leemreize en
mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2026.
De voorzitter, mr. Gerritsen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 202509031602.ZDS BASGITAAR, gesloten op 4 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van observatie p. 329-330.
3.Proces-verbaal van bevindingen p. 334.
4.Proces-verbaal van observatie p. 330.
5.Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [bedrijf] tijdens OT aktie p. 334-335.
6.Relaasp-v algemeen dossier p. 6.
7.Proces-verbaal van bevindingen p. 330-332.
8.Proces-verbaal van bevindingen p. 348, p. 350-351.
9.Proces-verbaal van bevindingen p. 361.
10.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 375-384 gelezen in onderlinge samenhang met het rapport van het NFI p. 387.
11.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 375-384 gelezen in onderlinge samenhang met het rapport van het NFI p. 387.
12.Proces-verbaal van bevindingen p. 348, p. 352-353.
13.Proces-verbaal van bevindingen p. 361.
14.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen p. 365-374 gelezen in onderlinge samenhang met het
15.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 december 2025.
16.Proces-verbaal van bevindingen p. 353.
17.Tapgesprek p. 316, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal bevindingen p. 543, 547 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 december 2025.
18.Proces-verbaal van bevindingen p. 308-311.
19.Tapgesprek p. 332, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal p. 308
20.Proces-verbaal van bevindingen p. 314.
21.Proces-verbaal van bevindingen p. 403-407 in onderlinge samenhang met proces-verbaal zaaksdossier
22.Proces-verbaal van verhoor getuige p. 465.
23.Proces-verbaal van bevindingen p. 485-489.