ECLI:NL:RBGEL:2026:5618

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
462329
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 lid 1 RvArt. 196 lid 2 RvArt. 165 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in zaak tegen Pompestichting na aanval tbs-patiënt

Verzoekster, slachtoffer van een aanval door een tbs-patiënt tijdens begeleid verlof, verzoekt een voorlopig getuigenverhoor om duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken binnen de Pompestichting. Zij vermoedt fouten die het incident mogelijk maakten en wil inzicht in screening, communicatie en protocollen.

De Pompestichting verzet zich met een beroep op het beroepsgeheim en functioneel verschoningsrecht van haar medewerkers, en stelt dat het verzoek een ongeoorloofde fishing expedition is. De rechtbank oordeelt dat een beroep op verschoningsrecht geen reden is om het verzoek af te wijzen en dat het verzoek grotendeels voldoet aan de wettelijke eisen.

Uitzondering vormt één getuige, een voormalig behandelaar die geen werknemer is van de Pompestichting, waarvan het verzoek wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en bepaalt de procedurele voorwaarden voor het getuigenverhoor.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen behalve voor één getuige vanwege strijd met goede procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/462329 / HA RK 26-7/ 1547 / 876
Beschikking van 7 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
tevens als wettelijk vertegenwoordigster van haar zoon
[zoon verzoeker],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.J. de Witte,
tegen
de stichting
POMPESTICHTING,
statutair gevestigd te Nijmegen,
verwerende partij,
hierna te noemen: Pompestichting,
advocaat: mr. L.A.P. Arends.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is via Facebook in contact gekomen met [persoon 1] ., die is opgenomen in de Pompekliniek, de tbs-kliniek van de Pompestichting. [verzoeker] heeft [persoon 1] . ongeveer tien keer bezocht in de tbs-kliniek, waarbij zij voorafgaand aan haar eerste bezoek een screeningsgesprek heeft gehad met een maatschappelijk werker van de Pompestichting.
Op 29 november 2022 heeft [verzoeker] het contact met [persoon 1] . telefonisch beeindigd.
2.2.
[persoon 1] . is op 6 mei 2015 veroordeeld tot negen jaar cel en tbs voor de doodslag op zijn ex-vriendin. Voor zijn verblijf in de Pompekliniek verbleef hij in tbs-kliniek [kliniek] in [plaats] . Vanwege een intieme relatie met één of meer medewerksters van die tbs-kliniek is [persoon 1] . overgeplaatst naar de Pompekliniek.
2.3.
Op 30 november 2022 is [persoon 1] tijdens een begeleid verlof op een onbewaakt moment in een klaarstaande auto gesprongen en naar het huis van [verzoeker] gereden. In haar huis heeft hij [verzoeker] , in het bijzijn van haar vijfjarige zoon, aangevallen en veertien keer met een mes gestoken (hierna te noemen: het incident).

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen ex artikel 196 lid 1 Rv Pro. Aan haar verzoek legt zij ten grondslag dat bij haar het vermoeden bestaat dat de Pompestichting mogelijk fouten heeft gemaakt waardoor [persoon 1] . de Pompekliniek kon verlaten en haar kon verwonden. Daaruit kan een vorderingsrecht op de Pompestichting uit onrechtmatig handelen volgen, nu zij en haar zoon een psychisch trauma hebben opgelopen door het incident. Met het getuigenverhoor wil zij duidelijkheid krijgen over onder meer 1) de screening van en controle op bezoek en communicatiemiddelen zoals Facebook en telefoons, 2) de communicatie met haar van de zijde van de Pompekliniek over [persoon 1] ., 3) de gang van zaken op de dag vóór zijn ontsnapping en 4) de gang van zaken op de dag van zijn ontsnapping (meer in het bijzonder het geldende protocol en eventuele verplichtingen tot het in kennis stellen van de betrokkenen). Zij wil zichzelf, vier medewerkers van de Pompestichting en een voormalige behandelaar van [persoon 1] . als getuigen oproepen.
3.2.
De Pompestichting verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Volgens de Pompestichting hebben de te horen getuigen een geheimhoudingsplicht en kunnen zij daarom geen informatie geven die aan hen binnen hun beroepsuitoefening is toevertrouwd. Zij zullen zich tijdens een eventueel getuigenverhoor beroepen op hun (afgeleid) verschoningsrecht. Dit geldt ook voor vragen die zien op procedurele aspecten, nu die niet los zijn te zien van het concrete behandeltraject. Volgens de Pompestichting kan [verzoeker] de door haar gewenste informatie ook achterhalen met behulp van minder ingrijpende middelen, zoals een politierapport of verklaringen van niet-behandelaren, zonder dat een beroepsgeheim hoeft te worden geschonden. Verder is voorspelbaar dat het getuigenverhoor strandt op een gerechtvaardigd beroep op een verschoningsrecht. Daarom is er volgens de Pompestichting geen belang bij toewijzing van het verzoek en is er sprake van strijd met de goede procesorde. Nu evident is dat de op te roepen getuigen zich op hun verschoningsrecht kunnen en zullen beroepen ten aanzien van alle te stellen vragen, levert dit ook een gewichtige reden op die zich verzet tegen toewijzing, aldus de Pompestichting. Tot slot voert de Pompestichting aan dat er een breed, ongericht feitenonderzoek wordt gevraagd om eventuele verwijten te vinden, wat te kwalificeren valt als een ongeoorloofde fishing expedition, wat misbruik van bevoegdheid oplevert. Subsidiair voert de Pompestichting aan dat bij een toewijzing van het verzoek moet worden vastgesteld dat de getuigen zich mogen beroepen op hun verschoningsrecht ex artikel 165 lid 2 Rv Pro.
3.3.
De rechtbank gaat hierna, indien nodig, nader op de stellingen van partijen in.

4.De beoordeling

4.1.
Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel om de verzoekster ervan in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de – wellicht nog niet precies bekende – feiten en omstandigheden waarvan zij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben om zo haar positie beter te kunnen beoordelen. Niet vereist is dat de verzoekster al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen zij aan haar voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten zij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoekster zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.
4.2.
In het verzoekschrift moet de verzoekster duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat zij vordert of wil vorderen, welke feiten zij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat zij wil bewijzen, moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoekster niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. [1] Bij de beoordeling van het verzoek mag niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de getuigenverhoren en op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure.
4.3.
Indien het verzoek voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, heeft de verzoekster in beginsel recht op een voorlopig getuigenverhoor. Dat is slechts anders indien de rechter van oordeel is dat de verlangde informatie niet voldoende bepaald is, de verzoekster onvoldoende belang heeft bij haar verzoek, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv Pro). Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle eisen voldoet, dan wordt het verzoek toegewezen.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor grotendeels moet worden toegewezen. Hiertoe overweegt zij het volgende.
4.5.
De verschillende door de Pompestichting aangevoerde afwijzingsgronden zien allemaal op de stelling van de Pompestichting dat de door [verzoeker] genoemde getuigen vanuit hun functie als zorgprofessional gebonden zijn aan het (medisch) beroepsgeheim, waardoor zij geen informatie mogen verschaffen over (de gezondheidstoestand van) [persoon 1] . Deze geheimhoudingsplicht leidt tot een direct of afgeleid verschoningsrecht, zodat de getuigen geen antwoord mogen geven op de bij het getuigenverhoor te stellen vragen, aldus de Pompestichting.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat ook een getuige die zich wenst te beroepen op een wettelijk verschoningsrecht of die meent een andere reden te hebben waarom het afleggen van een verklaring van hem/haar niet kan worden verlangd, in beginsel ter terechtzitting zal moeten verschijnen om daar tegenover de rechter-commissaris en de belanghebbenden de gronden van zijn/haar weigering kenbaar te maken. Daarbij geldt dat per vraag door de rechter-commissaris zal moeten worden getoetst of de getuige een verschoningsrecht toekomt. [2] Een beroep op een verschoningsrecht ex artikel 165 Rv Pro of op een geheimhoudingsplicht op grond van een bijzondere wet is dan ook in beginsel geen reden om een verzoek tot het houden van een getuigenverhoor af te wijzen. De beoordeling van het door de Pompestichting gestelde verschoningsrecht van haar medewerkers ligt dan ook in deze procedure niet voor. De rechtbank kan en mag in het kader van dit verzoek niet vooruitlopen op wat getuigen, mede gelet op een geheimhoudingsverplichting wel of niet kunnen of zullen verklaren.
4.7.
Het voorgaande zou wellicht anders kunnen zijn indien op voorhand al zeer waarschijnlijk is dat de getuige vanwege een verschoningsrecht op geen enkele vraag hoeft te antwoorden. Dat zou een reden op kunnen leveren om een zwaarwichtig bezwaar aan te nemen. Ter zitting is besproken dat de kans bestaat dat de getuigen niet op alle vragen antwoord kunnen geven. Het is echter niet zo dat gezegd kan worden dat op voorhand al waarschijnlijk is dat de getuigen met een geheimhoudingsplicht geen enkele vraag hoeven te beantwoorden. Er zijn immers ook procedurele vragen waar [verzoeker] een antwoord op zoekt. De Pompestichting heeft ter zitting erkend dat de getuigen daarover mogelijk in algemene zin wel kunnen verklaren. Een aantal van die vragen zullen wellicht, zoals de Pompestichting naar voren heeft gebracht, wél verband houden met de gevolgde procedure en niet los kunnen worden gezien van het concrete behandeltraject van [persoon 1] ., maar ook daarbij geldt dat dit per vraag door de rechter-commissaris moet worden getoetst. Dit levert geen gewichtige reden op die zich verzet tegen toewijzing van het verzoek.
4.8.
Dat [verzoeker] met een minder ingrijpend middel dan het gewenste voorlopig getuigenverhoor van met een beroepsgeheim belaste getuigen, de duidelijkheid kan krijgen waar zij naar op zoek is, heeft de Pompestichting onvoldoende onderbouwd. [verzoeker] wenst met het horen van de getuigen voornamelijk inzicht te krijgen in de interne gang van zaken bij de Pompestichting. Zonder toelichting van de Pompestichting is niet duidelijk hoe zij die informatie ook kan verkrijgen uit andere bronnen. Het verzoek levert dan ook op dit punt geen strijd met de goede procesorde op.
4.9.
Tot slot gaat het gedane beroep op misbruik van bevoegdheid niet op. [verzoeker] heeft voldoende aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit de conclusie kan worden getrokken dat zij wel een aanleiding heeft om te komen tot dit verzoek. Er is haar een incident overkomen met een aan de zorg van de Pompestichting toevertrouwde patiënt tijdens een moment van begeleid verlof. [verzoeker] heeft toegelicht op welke specifieke punten zij behoefte heeft aan duidelijkheid en niet is weersproken dat dit informatie betreft die zich in het domein van de Pompestichting bevindt, daargelaten dat de mogelijkheid bestaat dat de betreffende getuigen tijdens het getuigenverhoor met succes een beroep doen op het verschoningsrecht.
4.10.
Het voorgaande geldt echter niet voor tot het horen van [voormalig behandelaar] . Volgens [verzoeker] is [voormalig behandelaar] de voormalig behandelaar van [persoon 1] . in de kliniek [kliniek] , heeft zij een relatie gehad met [persoon 1] ., is die relatie de reden geweest van de overplaatsing naar de Pompekliniek en zou zij bekend moeten zijn met (het gevaar van) het gedrag van [persoon 1] . jegens vrouwen. Op de vraag van de rechtbank naar de relevantie van het horen van deze getuige voor het inschatten van de proceskansen in een mogelijke procedure tegen de Pompestichting, heeft [verzoeker] geantwoord dat het haar gaat om een mogelijk verwijt dat de Pompestichting op de hoogte was of had moeten zijn van de omstandigheden rond de overplaatsting en wat de Pompestichting met deze informatie heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat deze getuige geen werknemer is van de Pompestichting en dat daarom niet valt in te zien dat en hoe zij kan verklaren over de werkwijze en de door de Pompestichting gehanteerde protocollen noch dat zij kan verklaren over de overdracht van [persoon 1] . van [kliniek] naar de Pompekliniek. Het ligt voor de hand dat zij, als zij inderdaad een relatie had met [persoon 1] ., niet betrokken was bij zijn overdracht en daarom ook niet kan verklaren over de informatie die over hem aan de Pompestichting is verstrekt, nog daargelaten dat deze informatie zeer waarschijnlijk wel onder haar geheimhoudingsplicht zou vallen. Daar komt bij dat (hier wel) denkbaar is dat er minder verstrekkende middelen beschikbaar zijn om deze informatie te achterhalen. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek ten aanzien van deze getuige vanwege strijd met de goede procesorde dan wel het bestaan van gewichtige redenen afwijst.
4.11.
Voor de overige getuigen is, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden sprake van een situatie waarvoor een voorlopig getuigenverhoor is geëigend. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten, [verzoeker] heeft bij haar verzoek een in rechte te respecteren belang en van afwijzingsgronden is niet gebleken. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor zal toewijzen, zoals hierna onder de beslissing vermeld. Voor zover de Pompestichting heeft gevraagd om vast te stellen dat de getuigen zich mogen beroepen op hun verschoningsrecht ex artikel 165 lid 2 Rv Pro, geldt het volgende. De Pompestichting heeft niet toegelicht of zij hiermee heeft beoogd een zelfstandig tegenverzoek in te stellen en hoe dat past binnen het kader van artikel 197 Rv Pro. Ook de grondslag van het verzoek ontbreekt. Ingevolge artikel 1.4.2. van het landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken moet in de kop van het verzoekschrift de aard van het verzoek worden vermeld en de wetsbepaling waarop het berust. Analoog hieraan zou een verweerschrift met een (voorwaardelijk) tegenverzoek hier ook aan moeten voldoen. Deze aanduiding ontbreekt echter in het verweerschrift van de Pompestichting, en daarmee ook een indicatie dat de Pompestichting heeft bedoeld een tegenverzoek in te stellen. Gelet hierop beschouwt de rechtbank dit niet als een tegenverzoek en zal daarop geen beslissing nemen.
Het verdere verloop van de procedure
4.12.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. Het oproepen van de getuigen zal via de Pompestichting gebeuren, zoals de Pompestichting tijdens de zitting ter bescherming van de bij haar werkzame getuigen heeft aangeboden. Dit betekent dat alleen de reeds in het verzoekschrift opgenomen namen (en dus niet de woonplaatsen) van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank moeten worden opgegeven.
4.13.
Omdat de wederpartij bekend is, zal de rechtbank onder de beslissing de dag bepalen waarop [verzoeker] uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan de Pompestichting moet laten toekomen.
4.14.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor van de in het verzoekschrift op pagina 5 en 6 opgenomen getuigen, met uitzondering van getuige nummer 5,
5.2.
benoemt mr. M.C. van der Mei tot rechter-commissaris,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4,
5.4.
bepaalt dat [verzoeker]
binnen twee wekenna de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel -de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
september tot en met februari 2026moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat [verzoeker] uiterlijk op
6 juli 2026een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet laten toekomen aan de Pompestichting,
5.6.
verstaat dat de Pompestichting geen tegenverzoek heeft ingesteld,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op
7 juli 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105 en 1112
2.Zie ook Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1462