ECLI:NL:RBGEL:2026:5675

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
AWB-25_356
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering studiefinanciering wegens onjuiste inschrijving in onderwijsregister

Eiser ontving studiefinanciering voor de maanden augustus en september 2024, terwijl hij volgens het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) niet meer stond ingeschreven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. De minister heeft daarom de studiefinanciering teruggevorderd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser voerde aan dat hij onterecht was uitgeschreven door de onderwijsinstelling en dat de terugvordering een zware financiële last vormt, een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser hierin niet en stelt dat de minister mag afgaan op de gegevens in het ROD. De schuld wordt omgezet in een rentedragende lening die pas na afloop van de studie hoeft te worden terugbetaald.

De rechtbank concludeert dat eiser zelf verantwoordelijk is voor het tijdig stopzetten van de studiefinanciering en dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft in stand en eiser moet het bedrag van circa €1.531,56 terugbetalen. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van studiefinanciering over augustus en september 2024.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/356

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO [1] ), de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering door de minister van de studiefinanciering die aan eiser is toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de in- en uitschrijfdata die door de onderwijsinstelling in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) zijn doorgevoerd. Eiser heeft daarom in de maanden augustus en september van 2024 onterecht studiefinanciering ontvangen en de minister heeft dit op goede gronden teruggevorderd. Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 11 oktober 2024 is de studiefinanciering die eiser heeft ontvangen over de maanden augustus en september van 2024 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiser heeft op 5 augustus 2024 studiefinanciering aangevraagd met ingang van augustus 2024. Hij stond op dat moment ingeschreven voor de mbo-opleiding niveau 2 BOL Beveiliger 2 aan het ROC Nijmegen. De aanvraag om studiefinanciering is door de minister met twee besluiten van dezelfde datum toegekend.
3.1.
Op 16 augustus 2024 is door de LOI een onderwijsdeelname voor een mbo-opleiding genoteerd met als startdatum 23 november 2023. Het gaat om de opleiding overig voortgezet onderwijs (OVO), Beveiliger 2. Voor die opleiding bestaat geen recht op studiefinanciering. Met die registratie gaat de minister ervan uit dat eiser met ingang van augustus 2024 niet langer de hiervoor genoemde BOL-opleiding aan het ROC Nijmegen volgt.
3.2.
Op 6 september 2024 heeft eiser opnieuw studiefinanciering aangevraagd met ingang van 1 augustus 2024 voor de mbo-opleiding niveau 2 BOL Beveiliger 2 aan het ROC Nijmegen. Aan eiser is opnieuw studiefinanciering toegekend.
3.3.
Op 24 september 2024 heeft eiser zijn studiefinanciering met ingang van oktober 2024 stopgezet.
3.4.
Op 11 oktober 2024 heeft DUO in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) gecontroleerd of eiser in augustus en september 2024 inderdaad stond ingeschreven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Omdat dit niet het geval is, is met het besluit van 11 oktober 2024 de toegekende studiefinanciering voor de periode augustus en september van 2024 herzien.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met een ander besluit van 11 oktober 2024 is de onterecht ontvangen studiefinanciering over de maanden augustus en september van 2024 teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van € 1.531,56.
4.1.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Gebleken is dat eiser vanaf 22 september 2023 niet meer staat ingeschreven voor een voltijd BOL-opleiding. Eiser staat vanaf 23 november 2023 (slechts) ingeschreven voor de OVO-opleiding bij de LOI. Die opleiding geeft geen recht op studiefinanciering. De minister neemt de in- en uitschrijfdata over van de onderwijsinstelling en mag deze niet wijzigen. Eiser is zelf verantwoordelijk voor het op tijd stopzetten van de studiefinanciering. De schuld wegens onterecht uitbetaalde studiefinanciering is niet direct opeisbaar en wordt van rechtswege omgezet in een rentedragende lening die eiser pas na afloop van zijn studie hoeft af te betalen.
Heeft de minister de studiefinanciering (on)terecht teruggevorderd?
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de studiefinanciering die is uitgekeerd over de maanden augustus en september 2024 terecht teruggevorderd. De rechtbank legt dit hieronder uit.
In- en uitschrijving
6. Eisers standpunt is dat de schuld niet door zijn toedoen is ontstaan, omdat de onderwijsinstelling hem onterecht heeft uitgeschreven. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat de in- en uitschrijving bij de onderwijsinstelling in het algemeen een zaak is tussen de studerende en de onderwijsinstelling. [2] Anders gezegd: de minister mag afgaan op de gegevens die zijn geregistreerd in het ROD. De minister heeft op 11 oktober 2024 met behulp van het ROD gecontroleerd of eiser in augustus en september 2024 stond ingeschreven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Dit was niet het geval. Eiser heeft tijdens de zitting niet weersproken dat hij was uitgeschreven door het ROC.
De stelling van eiser dat hij zich tijdig aan- en af heeft gemeld bij de onderwijsinstelling volgt de rechtbank ook niet. Niet de aanmelding, maar de
inschrijvingis van belang voor het recht op studiefinanciering.
De rechtbank begrijpt dat eiser heeft geprobeerd om contact op te nemen met de onderwijsinstelling over de inschrijving, maar dat hij er samen met de onderwijsinstelling niet uit is gekomen. Dit moet, hoe vervelend ook, voor rekening van eiser blijven.
Evenredigheidsbeginsel
7. Eiser heeft ook aangevoerd dat het teruggevorderde bedrag aanzienlijk is en een zware financiële last voor hem vormt. De rechtbank begrijpt de grond als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift toegelicht dat de schuld van ongeveer € 1.500 over 35 jaar dient te worden terugbetaald, waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen van eiser. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het beroep op de evenredigheid niet slaagt.
Opbouw studieschuld
8. Tijdens de zitting heeft eiser afstand gedaan van de grond dat het hem onduidelijk is waar de studiefinanciering uit is opgebouwd. Om die reden zal de rechtbank daarover geen uitspraak doen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser moet het teruggevorderde bedrag terugbetalen. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dienst Uitvoering Onderwijs.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2076.