ECLI:NL:RBGEL:2026:5806

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/7925
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling BPM 1992Art. 10 Wet BPMArt. 1 Wet BPMArt. 8 lid 3 Uitvoeringsregeling BPMBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM gehandhaafd wegens essentiële motorschade en overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende deed BPM-aangifte voor een gebruikte Volvo met motorschade. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op op basis van een lagere handelsinkoopwaarde vastgesteld door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ).

Belanghebbende voerde aan dat de schouw te vroeg was en dat de taxateur van DRZ niet deskundig was, en stelde vooringenomenheid van de inspecteur. De rechtbank oordeelde dat de oproeping binnen de wettelijke termijn was en dat er geen aanwijzingen waren voor ondeskundigheid of vooringenomenheid.

De rechtbank stelde vast dat sprake was van een essentieel gebrek aan de motor, waardoor de auto niet aan het verkeer kon deelnemen. Hierdoor mocht de BPM-vermindering niet worden toegepast en was de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog.

Belanghebbende verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank kende een vergoeding toe van € 2.000, waarvan € 1.636 door de inspecteur en € 364 door de Staat te betalen.

De rechtbank wees het beroep af, handhaafde de naheffingsaanslag en veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd; vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7925
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 juli 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit Nijmegen, belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 september 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 13.616 (aanslagnummer [nummer] , de naheffingsaanslag).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon 1] , bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
Belanghebbende heeft met dagtekening 22 oktober 2021 BPM-aangifte gedaan ter zake van een Volvo V60 3.0 T6 AWD Polestar (de auto). De historische bruto-BPM heeft belanghebbende bepaald op € 67.143. De datum van eerste toelating van de auto is 30 juni 2016.
Bij de aangifte is een taxatierapport, inclusief foto’s, van A-Taks Autotaxaties & Expertise gevoegd. Het taxatierapport vermeldt onder meer een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto van € 31.384 en een schadecalculatie van € 29.267, waarvan 96% (ofwel € 28.096) als waardevermindering in aanmerking is genomen. Het taxatierapport concludeert tot een handelsinkoopwaarde van de auto na waardevermindering van € 3.288. De historische nieuwprijs heeft de taxateur bepaald op € 102.810.
3. Verder staat in het taxatierapport het volgende:

“Voertuigstaat

Motor:De motor verkeert in een beschadigde en slechte staat. (…)
(…)

Motivatie/Waarde beïnvloedende factoren

Motivatie:- De auto heeft motorschade. Diverse onderdelen in en aan de motor dienen vervangen te worden. De motor loopt niet tot zeer onzuiver en onregelmatig. (…)”
4. Belanghebbende heeft overeenkomstig het taxatierapport € 2.141 aan BPM op aangifte voldaan.
5. Op 3 november 2021 heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) een herbeoordeling van de waardebepaling van de auto uitgevoerd. Hiervan is een rapport opgesteld (het DRZ-rapport) met datum 14 juni 2024. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto zonder schade eveneens bepaald op € 31.384. DRZ heeft € 8.283 aan schade in aanmerking genomen, waarvan € 5.964 (zijnde 72%) als waardevermindering als gevolg van schade is meegenomen. De handelsinkoopwaarde is door DRZ bepaald op € 25.420.
6. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd met als grondslag de door DRZ bepaalde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en, zo ja, of deze niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de volgende vragen:
  • Zijn het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en het verbod van vooringenomenheid geschonden.
  • Is de naheffingsaanslag te hoog opgelegd?
9. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Geen schending van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en het verbod van vooringenomenheid
10. Belanghebbende stelt dat de inspecteur c.q. DRZ de toonplichttermijn niet op de juiste wijze in acht is genomen. Volgens belanghebbende is de oproeping voor de schouw door DRZ te vroeg gedaan, wat tot gevolg heeft dat het taxatierapport van DRZ buiten beschouwing dient te blijven. Ook is de taxateur van DRZ niet deskundig. Het feitenonderzoek is dus onzorgvuldig tot stand gekomen en een motivering van de naheffingsaanslag ontbreekt dan. Gelet op de samenloop van het strafrechtelijk onderzoek, de weigering om de auto terug te geven en de direct daaropvolgende controle van de BPM-aangifte is volgens belanghebbende sprake van vooringenomenheid van de inspecteur.
11. In artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling BPM 1992 (tekst 2021) is het volgende bepaald:
“De inspecteur kan, met het oog op een juiste toepassing van artikel 10 van Pro de wet, bepalen dat het motorrijtuig gedurende ten hoogste zes werkdagen na de datum waarop de aangifte is ingediend in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden teneinde het motorrijtuig in deze staat op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip te tonen.”
12. Belanghebbende heeft de aangifte BPM ingediend op 26 oktober 2021. Belanghebbende is op 27 oktober 2021 opgeroepen om de auto bij DRZ in Soesterberg te tonen. Dit is binnen de genoemde termijn van zes werkdagen na indiening van de aangifte en dus overeenkomstig de regelgeving. Er is geen aanleiding om het rapport van DRZ buiten beschouwing te laten. Hierbij merkt de rechtbank ook op dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden om te twijfelen aan de deskundigheid van DRZ in het algemeen of de DRZ-medewerkers in het bijzonder. [1] Ter onderbouwing van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur in de kennisgeving en mededeling verwezen naar het rapport van DRZ. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep op het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel niet slaagt.
13. De inspecteur heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat sprake is van vooringenomenheid. Volgens hem is sprake van een reguliere uitworp ter controle. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat sprake zou zijn van vooringenomenheid. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een schending van het verbod van vooringenomenheid.
De naheffingsaanslag is niet te hoog
14. De inspecteur stelt dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is. Volgens hem is sprake van een essentieel gebrek, namelijk de kapotte motor. Als gevolg hiervan is de taxatiemethode niet toegestaan en heeft de inspecteur ten onrechte rekening gehouden met schade bij het opleggen van de naheffingsaanslag.
15. Artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2021) luidt als volgt:
“Indien een gebruikt motorrijtuig essentiële gebreken vertoont waardoor met het motorrijtuig niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, wordt de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, niet vastgesteld dan nadat deze gebreken zijn hersteld. Van essentiële gebreken is in elk geval sprake zolang het motorrijtuig blijkens een vermelding in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, bestemd is voor sloop of wacht op keuring.”
16. Met het voornoemde artikel is erin voorzien dat voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig met essentiële gebreken de in artikel 10, eerste lid, van de Wet BPM bedoelde vermindering pas mag en kan worden bepaald op het tijdstip dat de essentiële gebreken zijn hersteld en naar de staat waarin het motorrijtuig zich dan bevindt. Pas dan kan en mag met het motorrijtuig worden deelgenomen aan het verkeer. Deze bepaling strookt met het doel en de strekking van de Wet BPM, namelijk om BPM te heffen ter zake van uitsluitend motorrijtuigen die – volgens de uit de Wegenverkeerswet voortvloeiende eisen – geschikt zijn om te worden toegelaten op de weg in Nederland. [2] Voorts vermeldt de tweede zin van de hiervoor aangehaalde passage wanneer “in elk geval” sprake is van essentiële gebreken, maar hieruit volgt niet het omgekeerde, namelijk dat bij goedkeuring door de RDW of het ontbreken van een WOK-status van essentiële gebreken geen sprake zou kunnen zijn.
17. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een essentieel gebrek. Immers, de eigen taxateur van belanghebbende heeft geconstateerd dat sprake is van motorschade en dat de motor niet tot zeer onzuiver en zeer onregelmatig loopt (zie overweging 3.). De rechtbank acht aannemelijk dat met dergelijke schade niet aan het verkeer kan én mag worden deelgenomen. Dat geen sprake is van een WOK-status is niet relevant. [3] Hetzelfde geldt voor de goedkeuring door de RDW. [4]
18. De verklaring van belanghebbende ter zitting over dat wel met de auto kon worden gereden, leidt niet tot ander oordeel. Deze verklaring is namelijk tegenstrijdig zowel met de constatering van zijn eigen deskundige als met eerdere, andersluidende verklaringen van of namens belanghebbende zelf. Zo staat in haar reactie op de kennisgeving van de naheffingsaanslag dat de motor kapot was en dat deed die het op dat controlemoment helemaal niet deed. Daarnaast is in het bezwaarschrift en tijdens het hoorgesprek aangegeven dat de motor enkel kon worden gestart, maar dat dat dan ook alles was.
19. Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM (wettekst 2021) de verschuldigde BPM op aangifte moest worden voldaan zonder toepassing van de in artikel 10 Wet Pro BPM bedoelde vermindering. [5] Nu de naheffingsaanslag wel met een hiervoor bedoelde vermindering is opgelegd, is deze eerder te laag dan te hoog. Met dit oordeel behoeft de grond over de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat geen behandeling meer.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen
20. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [6]
22. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. [7]
23. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 4 oktober 2022. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 22 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn in dit geval langer vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 22 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vier keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.000 (vier maal een half jaar à € 500). De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 25 september 2024. De periode gelegen tussen 4 oktober 2022 en 25 september 2024 is (afgerond) 18 maanden langer dan de termijn van zes maanden die geldt voor de inspecteur. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van 18 maanden gedeeld door 22 maanden keer € 2.000 is € 1.636. De Staat moet de rest betalen, dus € 364. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag worden gehandhaafd.
25. Omdat de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade toewijst, ziet zij aanleiding de inspecteur en de Staat te veroordelen in de forfaitair bepaalde kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van reis- en verletkosten. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door de inspecteur en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.
26. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoed krijgt, omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan na 31 mei 2024. [8]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.636;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 364;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 15 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:317, r.o. 3.2.3.
2.Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.3.
3.Zie Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.3, waarin wordt overwogen dat van essentiële gebreken
4.Vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.3.
5.Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.4.
7.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
8.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.