Uitspraak
“Voertuigstaat
Motivatie/Waarde beïnvloedende factoren
- Zijn het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en het verbod van vooringenomenheid geschonden.
- Is de naheffingsaanslag te hoog opgelegd?
Rechtbank Gelderland
Belanghebbende deed BPM-aangifte voor een gebruikte Volvo met motorschade. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op op basis van een lagere handelsinkoopwaarde vastgesteld door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ).
Belanghebbende voerde aan dat de schouw te vroeg was en dat de taxateur van DRZ niet deskundig was, en stelde vooringenomenheid van de inspecteur. De rechtbank oordeelde dat de oproeping binnen de wettelijke termijn was en dat er geen aanwijzingen waren voor ondeskundigheid of vooringenomenheid.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van een essentieel gebrek aan de motor, waardoor de auto niet aan het verkeer kon deelnemen. Hierdoor mocht de BPM-vermindering niet worden toegepast en was de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog.
Belanghebbende verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank kende een vergoeding toe van € 2.000, waarvan € 1.636 door de inspecteur en € 364 door de Staat te betalen.
De rechtbank wees het beroep af, handhaafde de naheffingsaanslag en veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd; vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.