ECLI:NL:RBGEL:2026:5818

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/2428
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.3 TAM VoorbereidingsbesluitArt. 1.5 TAM VoorbereidingsbesluitArt. 1.7 TAM VoorbereidingsbesluitArt. 5.47 Algemene Plaatselijke Verordening gemeente ApeldoornArt. 8:41a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing op bezwaar omzettingsvergunning kamerverhuur wegens gebrekkige motivering en voorschrift naleving huisreglement

De rechtbank Gelderland heeft op 20 juli 2026 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken over de omzettingsvergunning van een zelfstandige woning naar zeven onzelfstandige woonruimten in Apeldoorn. Eisers en een derde partij hadden beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn, dat de omzettingsvergunning van 16 februari 2024 in stand hield.

De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte bij de berekening van de gebruiksoppervlakte per persoon was uitgegaan van de brutovloeroppervlakte in plaats van de gebruiksoppervlakte conform NEN 2580, waardoor de motivering van de vergunning onvoldoende was. Daarnaast was het college niet toereikend nagekomen aan de verplichting om het huisreglement bestuursrechtelijk handhaafbaar te maken, waardoor de naleving onvoldoende gewaarborgd was.

De rechtbank vernietigde daarom de beslissing op bezwaar, maar besloot zelf in de zaak te voorzien door een voorschrift toe te voegen dat de bewoners het huishoudelijk reglement moeten naleven en de vergunninghouder hierop moet toezien. De rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar blijven verder in stand. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers en de derde partij.

De rechtbank behandelde ook andere beroepsgronden, zoals het procesbelang, de beoordeling van het gebruik als hoofdverblijf, de vraag of het college voldoende onderzoek had gedaan naar het gebruik van de vergunning, en de vraag of sprake was van een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu. Deze gronden werden overwegend verworpen. De rechtbank wees op het nieuwe TAM-omgevingsplan dat de 25 m² gebruiksoppervlakte-norm had vervangen door een norm van 10 m² per kamer.

De uitspraak bevat een uitgebreide motivering over de toepassing van het TAM Voorbereidingsbesluit, de NEN 2580 norm, en de bestuursrechtelijke toetsing van vergunningen voor kamerverhuur in Apeldoorn.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar wegens gebrekkige motivering en voegt een voorschrift toe over naleving van het huisreglement, waarbij de rechtsgevolgen verder in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/2428 en 25/2459

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen
ARN 25/2428

Ontwikkelingsmaatschappij Apeldoorn B.V.,

[eiser 1] ,
[eiser 2] ,allen uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: mr. H.S.J. Leijenhorst),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] , uit [woonplaats] , vergunninghouder

(gemachtigde: mr. M.M.A.A. van Oosterhout).
ARN 25/2459

[eiser 3] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: mr. H.S.J. Leijenhorst),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] , uit [woonplaats] , vergunninghouder

(gemachtigde: mr. M.M.A.A. van Oosterhout).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers en eiser [eiser 3] tegen de beslissing op bezwaar van 25 april 2025. Met deze beslissing op bezwaar is het besluit van 16 februari 2024 om aan vergunninghouder een omzettingsvergunning te verlenen voor het omzetten van een woning naar zeven onzelfstandige woonruimten in stand gelaten.
1.1.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser 1] en de gemachtigde van eisers en eiser [eiser 3] en mr. [waarnemer] als waarnemer van de gemachtigde van eiser [eiser 3] . Namens het college hebben deelgenomen [persoon 1] , [persoon 2] en de gemachtigde van het college en namens vergunninghouder [persoon 3] en de gemachtigde van vergunninghouder.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten in de zaak met nr. ARN 25/2459 en geschorst in zaak ARN 25/2428. Partijen in die zaak zijn in de gelegenheid gesteld nadere reacties te geven. Vervolgens heeft de rechtbank op 28 mei 2026 in zaak ARN 25/2428 het onderzoek ook gesloten.

Procesverloop

Beide zaaknummers
2. Vergunninghouder is eigenaar van het pand aan [adres 1] in [woonplaats] (het pand). Op 2 maart 2022 heeft vergunninghouder een vergunning aangevraagd voor de omzetting van een zelfstandige woonruimte in zeven onzelfstandige woonruimten en/of het exploiteren van een kamerverhuurbedrijf in het pand.
2.1.
Eisers [eiser 1] en [eiser 2] zijn eigenaar van de woning op het perceel [adres 2] in [woonplaats] dat is gelegen in de directe nabijheid van het pand. De ontwikkelmaatschappij Apeldoorn B.V. heeft op haar beurt de intentie om de woning op het perceel [adres 2] ook te verkameren. Eiser [eiser 3] is eigenaar van de woning op het perceel [adres 3] in [woonplaats] . Het perceel van eiser [eiser 3] grenst aan de achterzijde aan het perceel waarop het pand is gesitueerd.
2.2.
Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college de aangevraagde omzettingsvergunning verleend voor de duur van twee jaren (het primaire besluit). [1]
2.3.
In de beslissing op bezwaar van 25 april 2025 heeft het college de grondslag van het primaire besluit gewijzigd en voor het overige het primaire besluit in stand gelaten (de beslissing op bezwaar). Door het vervallen van de vergunningplicht uit de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Apeldoorn (de APV) heeft het college de aanvraag van vergunninghouder aangemerkt als een aanvraag op grond van het TAM Voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels kamerverhuurpanden Apeldoorn (het Voorbereidingsbesluit). [2]
Zaaknummer ARN 25/2428
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek in zaak 25/2428 op de zitting van 9 maart 2026 geschorst. Op zitting heeft de rechtbank toegelicht dat zij niet bekend is met de inhoud van NEN-norm 2850. De gemachtigde van het college heeft ter zitting aangegeven dat zij in de gelegenheid is om de inhoud van deze NEN-norm bij de rechtbank aan te leveren. Dit laatste heeft het college gedaan met het schrijven van 10 maart 2026.
2.5.
Met de brief van 13 april 2026 hebben eisers gereageerd op het schrijven van het college. Vergunninghouder heeft op 17 april 2026 gereageerd. Op deze laatste reactie hebben eisers gereageerd met hun schrijven van 19 mei 2026.
2.6.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 22 april 2026 bericht dat zij zonder nadere zitting uitspraak kan doen en dat als partijen wel op een zitting willen worden gehoord, zij dit binnen twee weken moeten laten weten. Partijen hebben hierna niet aangegeven dat zij prijs stellen op een zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 28 mei 2026 en meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers en eiser [eiser 3] .
4. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers en eiser [eiser 3] gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Leeswijzer

5. De rechtbank bespreekt als eerste in beide zaaknummers of eisers en eiser [eiser 3] nog procesbelang hebben bij de procedure. Daarna bespreekt de rechtbank eerst het beroep van eisers (zaaknummer 25/2428). Vervolgens bespreekt de rechtbank het beroep van eiser [eiser 3] (25/2549).
Is er nog belang bij onderhavige procedure?
6. De omzettingsvergunning is op 16 februari 2024 verleend voor de duur van twee jaren. Dit heeft tot gevolg dat de termijn waarvoor deze omzettingsvergunning is verleend voorafgaand aan de zitting al was verlopen en de omgevingsvergunning van rechtswege is komen te vervallen. [3] De rechtbank dient daarom (ambtshalve) te beoordelen of eisers en eiser [eiser 3] nog procesbelang hebben bij deze procedure.
6.1.
Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de eiser van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. [4]
6.2.
Op de zitting is gebleken dat het college, ongeveer vier weken voorafgaand aan de zitting, een nieuwe omgevingsvergunning heeft verleend voor het pand aan vergunninghouder. Ter zitting is verder ter sprake gekomen dat de nieuwe omgevingsvergunning een voortzetting betreft van de omzettingsvergunning die in deze procedure centraal staat.
6.3.
Desgevraagd hebben eisers, eiser [eiser 3] en het college ter kennen gegeven dat zij achten dat eisers en eiser [eiser 3] nog procesbelang hebben bij deze procedure, vanwege de doorwerking van de omgevingsvergunning in deze procedure op de nieuwe omgevingsvergunning.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat eisers en eiser [eiser 3] onder deze omstandigheden nog een belang hebben bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming, namelijk de nieuw verleende omgevingsvergunning. [5] Eisers en eiser [eiser 3] hebben dus in deze procedure een belang bij het inhoudelijke oordeel over de rechtmatigheid van de inmiddels van rechtswege vervallen omgevingsvergunning. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de beroepen van eisers en eiser [eiser 3] niet-ontvankelijk te verklaren en komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen.

Zaaknummer 25/2428

Heeft het college ten onrechte alleen vergunde kamerverhuurpanden betrokken bij de beoordeling?
7. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning wegens strijd met artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Voorbereidingsbesluit niet verleend had kunnen worden. Hierin staat – kort gezegd – dat niet meer dan 1% van de woningen in de buurt gebruikt mag worden voor onzelfstandige bewoning. Eisers stellen dat het college bij de berekening van deze 1% ten onrechte alleen de vergunde kamerverhuurpanden in de buurt heeft betrokken. Uit artikel 1.5 van het Voorbereidingsbesluit blijkt volgens hen dat ook woningen die feitelijk als kamerverhuurpanden worden gebruikt, moeten worden betrokken bij de berekening. Of voor dit gebruik een vergunning is verleend is niet relevant, aldus eisers. Dat kan worden afgeleid uit het onderscheid dat in artikel 1.5 wordt gemaakt tussen gebouwen die ‘worden gebruikt’ voor onzelfstandige bewoning en gebouwen die ‘zijn geregistreerd’ als kamerverhuurpand. In de buurt [naam] (waarin het pand is gelegen) worden namelijk 4 van de 292 woningen gebruikt als kamerverhuurpand en dit is meer dan 1% van de woningen die zijn gelegen in de buurt, aldus eisers.
7.1.
Artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Voorbereidingsbesluit luidt:

Artikel 1.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3 wordt geweigerd indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de omgeving van het gebouw.
a. Hiervan is in ieder geval sprake indien: meer dan 5% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de buurten ‘Binnenstad’ en ‘De Haven’ en tenminste 1% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de overige buurten van de gemeente Apeldoorn wordt gebruikt voor huisvesting als bedoeld in artikel 1.3, zoals aangegeven op de bij deze voorbereidingsregeling gevoegde kaart ‘Wijk- en buurtindeling stedelijk gebied’ en kaart ‘Wijk- en buurtindeling landelijk gebied.’;
b. de aanvraag betrekking heeft op een pand dat, rondom dat pand gemeten vanaf de dichtstbijzijnde gevelwanden, is gelegen op minder dan vijftig meter van een geregistreerd kamerverhuurpand, rondom gemeten van gevel tot gevel, dan wel van een pand waarvoor een aanvraag tot een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3 is ingediend.’
Artikel 1.3 van het Voorbereidingsbesluit luidt:

Artikel 1.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten voor het omzetten en het (daarna) omgezet houden van een zelfstandige woonruimte in drie of meer onzelfstandige woonruimtes dan wel zelfstandige woonruimte als kamerverhuurpand te exploiteren of te doen exploiteren.’
7.2.
De rechtbank neemt bij de uitleg van het Voorbereidingsbesluit de letterlijke tekst van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Voorbereidingsbesluit tot uitgangspunt. Daaruit volgt dat het gaat om gebruik voor huisvesting als bedoeld in artikel 1.3 van het Voorbereidingsbesluit. Omdat in artikel 1.3 de vergunningsplicht voor het gebruiken en exploiteren van panden als kamerverhuurpand is neergelegd, komt de rechtbank niet toe aan de discussie en de vraag of het gebruik en de exploitatie van de overige panden in de buurt [naam] legaal dan wel illegaal plaatsvindt. Dit mocht en hoeft het college niet mee te nemen bij haar berekening, omdat het gebruik en de exploitatie van deze panden niet is toegestaan met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3 van het Voorbereidingsbesluit. De stelling van eisers dat uit de systematiek van artikel 1.3 volgt dat ook feitelijk in gebruik zijnde panden moeten worden meegerekend omdat in artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Voorbereidingsbesluit de term ‘geregistreerde kamerverhuurpanden’ wordt gebezigd, brengt in het voorgaande geen verandering. De letterlijke tekst van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Voorbereidingsbesluit is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk genoeg, zodat geen acht hoeft te worden geslagen op de systematiek van artikel 1.5 van het Voorbereidingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een hoofdverblijf?
8. Eisers betogen dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de omgevingsvergunning wordt gebruikt zoals deze is vergund. Eisers stellen dat het college (meer) onderzoek had moeten verrichten naar de vraag of het pand gebruikt gaat worden door personen die daar permanent wonen en hun hoofdverblijf hebben. Het pand wordt namelijk gebruikt voor het huisvesten en dit gebruik wordt wel eens niet als permanente bewoning of gebruik als hoofdverblijf gekwalificeerd, aldus eisers. Zo wijzen eisers op de snelle wijzigingen van bewoners in het pand en de onduidelijkheid over het aantal bewoners van het pand. Daarbij merken eisers op dat het voorgaande geen kwestie van handhaving is. De bedoeling van de aanvrager moet vooraf helder zijn, om zodoende te kunnen toetsen of het beoogde gebruik wel is aan te merken als bewoning zoals in de beoordelingsregels van het Voorbereidingsbesluit is bedoeld, aldus eisers.
8.1.
In de beslissing op bezwaar heeft het college het volgende voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning: ‘
de verhuurder verhuurt de onzelfstandige woonruimte slechts aan degene die uiterlijk vijf dagen nadat hij de onzelfstandige woonruimte heeft betrokken, hiervan aangifte doet bij de gemeente Apeldoorn conform de Wet Basisregistratie Personen’. [6]
8.2.
Op grond van artikel 1.2, tweede lid, van het Voorbereidingsbesluit wordt met ‘bewoning’ bedoeld dat men daar permanent woont en zijn hoofdverblijf heeft, zoals bedoeld in de Wet basisregistratie personen.
In artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet basisregistratie personen wordt het volgende verstaan onder ‘het woonadres’:
‘1˚ het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
2˚ het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.’
8.3.
De rechtbank stelt vast dat toezichthouders van het college op 14 november 2024 een controle in het pand hebben uitgevoerd. In het daaropvolgende controleverslag hebben de toezichthouders onder meer het volgende geconcludeerd:

Wij toezichthouders hebben aan deze vijf personen om een verklaring gevraagd. Omdat niet alle aangetroffen personen Nederlands of Engels spraken, heeft 1 persoon ons het volgende in het Engels verklaard, namelijk: ‘‘Ik ben … en woon samen met de andere aanwezige personen in dit huis. Wij wonen hier allen voor onbepaalde tijd.’’
In de beslissing op bezwaar is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Daarnaast is er een controle ter plaatse uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er 7 kamers gerealiseerd zijn en de situatie overeen komt met de vergunde situatie. Tevens bleek uit de controle dat er op dat moment 5 bewoners in het pand verbleven. Het college stelt vast dat er in principe van de aangevraagde vergunning uitgegaan dient te worden. Het college ziet geen aanleiding om redelijkerwijs aan te nemen dat het pand uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan wonen.
(…)
8.4.
In de aanvraag is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

aantal te verhuren kamers: 7
Welke voorzieningen worden door de bewoners gedeeld? Toilet, Douche, Keuken
Eventuele toelichting: Bewoners hebben toegang tot gehele huis (niet slaapkamers van anderen uiteraard).’
8.5.
De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag niet af te wijzen omdat op voorhand vast zou staan dat het pand niet zal worden gebruikt zoals in de aanvraag is vermeld en dit is toegestaan door de omgevingsvergunning. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat er bij de aanvraag of tijdens de controle geen omstandigheden zijn gebleken waaruit blijkt of kon blijken dat in het pand mensen verblijven die niet langer drie maanden in het pand verblijven. De enkele omstandigheid dat arbeidsmigranten het pand bewonen is geen omstandigheid die aanleiding had moeten geven voor het college om te twijfelen aan het (beoogde) gebruik. Niet is gebleken dat deze arbeidsmigranten korter dan 3 maanden verblijven in het pand. Verder acht de rechtbank van belang dat het college in de beslissing op bezwaar een voorschrift heeft verbonden aan de omgevingsvergunning. De stelling van eisers er vele wisselingen plaatsvinden van de bewoners van het pand hebben eisers niet onderbouwd en leidt om die reden niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er een te kleine gebruiksoppervlakte per gebruiker in het pand?
9. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning wegens strijd met artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit niet verleend had kunnen worden. Eisers stellen dat voor iedere bewoner een kamer beschikbaar moet zijn met een omvang van 25 m². De uitleg zoals deze door het college is gegeven van de beoordelingsregel van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit is onjuist, aldus eisers.
9.1.
Het college voert hierover aan dat de omgevingsvergunning niet is verleend in strijd met artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit. Het college stelt dat in artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit is opgenomen dat er per persoon een gebruiksoppervlakte van 25 m² moet zijn. Zolang per persoon 25 m² aan gebruiksoppervlakte aanwezig is in het pand, is de weigeringsgrond niet van toepassing, aldus het college. Volgens het college geldt er, anders dan eisers stellen, geen oppervlakte-eis per kamer.
9.2.
Vergunninghouder stelt hierover dat ruimschoots is voldaan aan het minimum van 25 m² gebruiksoppervlakte per persoon. Volgens vergunninghouder is de gangbare berekening dat het totaal aan gebruikersoppervlakte wordt gedeeld door het aantal gebruikers. De uitkomst van deze berekening is 26,86 m² per gebruiker en daarmee is ruimschoots voldaan aan artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit, aldus vergunninghouder.
9.3.
Artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit luidt:

Artikel 1.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3 wordt geweigerd indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de omgeving van het gebouw. Hiervan is in ieder geval sprake indien:c. de gebruiksoppervlakte in de woning per persoon kleiner is dan 25 m2, gemeten conform de NEN 2580.’
9.4.
Het college heeft in de beslissing op bezwaar gemotiveerd en toegelicht dat het totale gebruiksoppervlakte van het pand 188,05 m² bedraagt en dit oppervlak door zeven is gedeeld, omdat er zeven personen mogen verblijven in het pand. Gelet hierop is er volgens het college een gebruiksoppervlakte van 26,82 m² per persoon aanwezig.
9.5.
De vergunninghouder heeft onderstaande plattegrondtekening gevoegd bij haar aanvraag. Op deze plattegrondtekening is het brutovloeroppervlakte per verdieping zichtbaar. Het totaal volgens deze plattegrondtekening bedraagt 182,4 m².
9.6.
De rechtbank stelt vast dat, nadat zij hiervan in het bezit is gekomen door het college, in de norm NEN 2580 onder meer het volgende is opgemerkt over het begrip gebruiksoppervlakte [7] :
‘Het begrip GO geeft de op vloerniveau gemeten oppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten (bijvoorbeeld een kantoorfunctie) aan, die geschikt is voor het beoogde gebruik van deze ruimte of groep van ruimten.
Voor de bepaling van de GO van een gebruiksfunctie moeten de volgende stappen worden doorlopen.
1) Bepaal welke ruimten tot de desbetreffende gebruiksfunctie worden gerekend. Neem hiervan eerst alleen de niet-gemeenschappelijke ruimten van en groepeer deze zoveel mogelijk.
2) Bepaal welke vloeroppervlakten buiten beschouwing moeten blijven (zoals met kleine nettohoogte, liften, trapgaten, zie normtekst);
3. Bepaal de oppervlakte van de resterende ruimte (dus van stap 1 minus stap 2); dit is het uitgangspunt voor GO van de gebruiksfunctie;
4) Volg nu de stappen 1 t.m.3 voor de gemeenschappelijke ruimte(n) van de gebruiksfunctie;
5) Verdeel de GO van de gemeenschappelijke ruimte(n) (dus de uitkomst van 4) naar rato van de oppervlakte over de gebruiksfuncties die van deze gemeenschappelijke ruimte(n) gebruik maken (dus naar rato van de uitkomsten van stap 3). De GO van een gebruiksfunctie is dan de oppervlakte van de niet-gemeenschappelijke ruimte(n) plus het aandeel in de gemeenschappelijke ruimte(n) (dus de uitkomsten van stap 3 plus stap 5). Bij woon- en logiesfuncties vindt geen toedeling plaats van gemeenschappelijke verkeersruimten, die buiten de niet-zelfstandige eenheden liggen.’
9.7.
Het college heeft in de bezwaarfase de volgende berekening ten grondslag gelegd aan de berekening van de gebruiksoppervlakte van het pand:

Op plattegrondtekening horend bij de vergunning staat een bruto vloeroppervlak (BVO) genoemd. Volgens de tekening bedraagt de begane grond 86,5 m², de eerste verdieping 67,4 m² en de tweede verdieping 28,5 m². Totaal is er volgens de tekening 182,4 m² BVO. Volgens artikel 1.5 lid 1 onder c van het Voorbereidingsbesluit moet de gebruiksoppervlakte (GO) in de woning per persoon groter dan 25 m² zijn, gemeten conform de NEN 2580.
  • GO op de begane grond is 95,08 m² (9.6+0.1*4.17+2.55*9.6+4.79+4.048+0.1*3.42)
  • GO op de eerste verdieping is 65,78 m² (4.17*3.59+2.72+3.15+2.55*3.59+2.72+3.15)
  • GO op de tweede verdieping is 27,19 m² (5.012*2.782+5.012*2.644)
Het college merkt op dat het BVO op de begane grond zoals aangegeven op de tekening niet overeenkomt met de aangegeven maten op de tekening, omdat het BVO altijd groter moet zijn dan het GO. Het college houdt de maatvoering aan zoals op tekening staat. Het GO komt in totaal uit op 188,05 m². (…)’
9.8.
Eisers hebben in hun aanvullende reactie van 13 april 2026 gesteld dat het college niet heeft toegelicht hoe het college aan de NEN 2580 heeft getoetst en vervolgens tot de conclusie is gekomen dat de gebruiksoppervlakte per bewoner, conform NEN 2580, niet kleiner is dan 25 m². Verder hebben eisers gesteld dat het college alleen beschikte over tekeningen waarin het brutovloeroppervlakte tot uitgangspunt is genomen en niet de gebruiksoppervlakte. Dit heeft volgens eisers tot gevolg dat het college niet heeft kunnen concluderen dat aan artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit is voldaan. Bij hun aanvullende reactie hebben eisers ook een berekening ingebracht. Eisers hebben op basis van de tekeningen die behoren bij de aanvraag een berekening volgens NEN 2580 uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat de brutovloeroppervlakte per bewoner gemiddeld 20,19 m² bedraagt en daarmee ruim onder de eis van 25 m² ligt, aldus eisers. Tot slot stellen eisers dat het niet duidelijk is waarop de oppervlakte van 188,05 m² die door het college tot uitgangspunt wordt genomen op is gebaseerd, omdat volgens de informatie op de plattegrondtekening een brutovloeroppervlakte is opgenomen van in totaal 182,4 m².
9.9.
Vergunninghouder heeft in haar aanvullende reactie een brandveiligheidstekening ingebracht waarop zowel de brutovloeroppervlakte en de gebruiksoppervlakte per verdieping zijn vermeld. Blijkens deze brandveiligheidstekening bedraagt het totale gebruiksoppervlakte 185,3 m². Gedeeld door 7 is dat per bewoner een gebruiksoppervlakte van 26,47 m² en daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de drempel van 25 m² gebruiksoppervlakte per persoon, aldus vergunninghouder. Daarbij merkt vergunninghouder op dat zij uitkomt op een gebruiksoppervlakte/brutovloeroppervlakte-ratio van 0,928 in plaats van de door eisers aangehouden schatting van 0,85. Tot slot heeft vergunninghouder opgemerkt dat zij inmiddels beschikt over een nieuwe omgevingsvergunning die is verleend onder het nieuwe rechtsregime waarin de zogenoemde 25 m² gebruiksoppervlakte-norm uit het Voorbereidingsbesluit niet meer als voorwaarde is opgenomen. [8]
9.10.
De rechtbank stelt voorop dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend met inachtneming van de maatvoering die is opgenomen op de plattegrondtekening onder 9.5. Dit blijkt onder meer uit de motivering van de beslissing op bezwaar en de stempel die is opgenomen op de plattegrondtekening. Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet (althans niet kenbaar) de door vergunninghouder (later) ingebrachte brandveiligheidstekening betrokken. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning kent de rechtbank om die reden dan ook geen waarde toe aan de door vergunninghouder ingebrachte brandveiligheidstekening.
9.11.
De rechtbank stelt vast dat het college in de beslissing op bezwaar voor de gebruiksoppervlakte van het pand is aangesloten bij de maatvoering van de verdiepingen zoals deze is opgenomen op de plattegrondtekening. Dat het afwijkt van de gegeven brutovloeroppervlakte op de plattegrondtekening is verklaard door het college in de reactie op het bezwaarschrift. Volgens het college week namelijk de brutovloeroppervlakte op de begane grond zoals die was aangegeven op de tekening af van de aangegeven maten op de plattegrondtekening. Zoals het college in haar reactie op het bezwaarschrift al heeft aangegeven moet de brutovloeroppervlakte van het pand groter zijn dan de gebruiksoppervlakte van het pand. Deze stelling is (impliciet) ook bevestigd door de andere partijen, omdat zij in hun aanvullende reacties namelijk ook een verhouding hebben opgenomen tussen de brutovloeroppervlakte van het pand en de gebruiksoppervlakte van het pand. Dit voorgaande staat los van de vraag of eisers of vergunninghouder de juiste verhouding tussen de brutovloeroppervlakte van het pand en de gebruiksoppervlakte van het pand naar voren hebben gebracht.
9.12.
De rechtbank oordeelt dat het college met de door hem uitgevoerde berekening niet heeft aangetoond dat de aanvraag van vergunninghouder voldoet aan de beoordelingsregel van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit. Het college is voor de bepaling van het gebruiksoppervlakte per persoon ten onrechte aangesloten bij het totaal aan brutovloeroppervlakte van het pand. Zoals het college al heeft benoemd in de reactie op de bezwaarschriften en ook is bevestigd door de andere partijen, moet de gebruiksoppervlakte echter kleiner zijn dan het brutovloeroppervlakte. Voor dit standpunt vindt de rechtbank ook steun in het stappenplan uit norm NEN 2580 waarmee de gebruiksoppervlakte van een pand kan worden bepaald. Uit dit stappenplan volgt namelijk uit stap 2 dat bepaalde vloeroppervlakten buiten beschouwing moeten worden gelaten. Nu dat niet is gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat het college ter voorbereiding van de beslissing op bezwaar niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en daaropvolgend bevat de beslissing op bezwaar ook een gebrekkige motivering. De beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie
10. Het beroep is gelet op de voorgaande overweging gegrond en de beslissing op bezwaar moet daarom op grond van artikel 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Op grond van artikel 8:41a, van de Awb moet de bestuursrechter het geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank onderzoeken of op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven.
10.1.
Bij de beoordeling van de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, moet de rechtbank uitgaan van de feiten en het recht die zich voordoen op het moment van het doen van de uitspraak. [9]
10.2.
In het Voorbereidingsbesluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Inwerkingtreding en vervallen
Het voorbereidingsbesluit treedt in werking met ingang van 5 april 2024.
De voorbereidingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden, of, als binnen die termijn het besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan waarvan de regels, bedoeld in het eerste lid, deel uitmaken is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop dat besluit in werking treedt of is vernietigd.’
10.3.
De rechtbank stelt vast dat op 25 september 2025 de gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q kamerverhuur en woningsplitsing’ (TAM-omgevingsplan) heeft vastgesteld. [10] Dit TAM-omgevingsplan heeft de vergunningplicht en de daarbij behorende beoordelingsregels uit het Voorbereidingsbesluit vervangen. Aanvragen voor het verkameren van gebouwen moeten worden getoetst aan het wettelijk kader zoals dat is neergelegd in het TAM-omgevingsplan.
10.4.
In artikel 5.5 van het TAM-omgevingsplan is het volgende bepaald:
5.5 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het verkameren wordt verleend indien de vergunning niet leidt tot een onaanvaardbare negatieve inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het betreffende gebouw. Of sprake is van een onaanvaardbare negatieve inbreuk op het woon- en leefklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregels kamerverhuur en woningsplitsing, (…).’
In artikel 2, aanhef en onder f, van de ‘Beleidsregels kamerverhuur en woningsplitsing’ (beleidsregels) is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

Artikel 2. Specifieke beoordelingsregels kamerverhuur
Er is geen sprake van een onaanvaardbare negatieve inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de verkamerde woning indien:
f. de kamers in de woning ieder een gebruiksoppervlak hebben van minimaal 10 m², gemeten conform de NEN 2580.’
10.5.
De rechtbank overweegt dat uit het hiervoor genoemd wettelijk kader blijkt dat de zogenoemde 25 m²-norm uit het Voorbereidingsbesluit is vervangen door de norm van een gebruiksoppervlak per kamer van 10 m² gemeten conform NEN 2580. Gelet op deze omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dit onderdeel in stand kunnen blijven. Daartoe acht de rechtbank van belang dat het college bij een nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van eisers niet opnieuw hoeft te beoordelen of de inmiddels vervallen omgevingsvergunning voldoet aan de 25m²-norm zoals die was neergelegd in artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit. Op het moment van deze uitspraak is deze 25 m²-norm namelijk vervallen en vervangen door een aanzienlijk lagere norm van 10m² per kamer. Op voorhand ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het pand van vergunninghouder niet voldoet aan deze nieuwe eis. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het college op te dragen opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen over een omgevingsvergunning die reeds is vervallen en die, buiten het door eisers naar voren gebrachte gebrek, de rechterlijke toets kan doorstaan.

Zaaknummer 25/2459

Heeft het college voldoende onderzoek verricht naar het gebruik van de vergunning?
11. Eiser betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de omgevingsvergunning wordt gebruikt zoals deze is vergund. Eiser stelt het college meer onderzoek had moeten verrichten naar de roulatie van de bewoners in het pand. In meerdere bezwaarschriften is volgens eiser aangevoerd dat er met regelmaat tot tien personen in het pand verblijven en daarmee het maximaal aantal bewoners wordt overschreden. De eenmalige controle van het college in het pand is volgens eiser onvoldoende om aan te nemen dat de omgevingsvergunning wordt gebruikt zoals deze is vergund. Daarbij merkt eiser op dat hij geen afschrift heeft gehad van het rapport over de uitgevoerde controle.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat de vergunninghouder de volgende plattegrondtekening heeft gevoegd bij haar aanvraag:
11.2.
De rechtbank stelt verder vast dat toezichthouders van het college op 14 november 2024 een controle in het pand hebben uitgevoerd. In het daaropvolgende controleverslag hebben de toezichthouders onder meer het volgende geconcludeerd: ‘
Tijdens de controle hebben wij de plattegronden behorende bij de omgevingsvergunning met kenmerk 22/67538 gebruikt. Hieruit bleek ons tijdens de controle in de woning dat de door ons aangetroffen situatie in de praktijk in overeenstemming is met hierboven genoemde plattegrond.
(…)
Mijn collega en ik constateren dat het pand zeven kamers heeft, waarvan er in vijf kamers wordt geslapen. (…)’
11.3.
De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag niet af te wijzen omdat op voorhand vaststaat dat het pand niet zal worden gebruikt zoals in de aanvraag is vermeld en dit is toegestaan door de omgevingsvergunning. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de vergunninghouder in de plattegrond behorend bij haar aanvraag zeven afzonderlijke kamers heeft ingetekend en dit overeen komt met wat de vergunninghouder heeft aangevraagd, namelijk het omzetten van een zelfstandige woning naar zeven afzonderlijke kamers. De stelling van eiser dat er met regelmaat 10 personen in het pand verblijven brengt geen verandering in het voorgaande. Los van de omstandigheid dat deze stelling niet is onderbouwd heeft de enkele omstandigheid dat er meerdere personen zijn waargenomen bij het pand niet tot gevolg dat daarmee vaststaat dat het pand niet wordt gebruikt in zoals dit is toegestaan. Dat er meer dan zeven personen aanwezig zijn wil immers niet zeggen dat die ook allemaal in de woning slapen en wonen. In het controleverslag daarentegen is uitdrukkelijk opgetekend dat op het moment van de controle er in vijf kamers wordt geslapen. De omstandigheid dat eiser geen afschrift heeft gehad van het controlerapport, heeft niet tot gevolg dat beslissing op bezwaar een gebrek bevat. De controle bevat slechts een bevestiging van het eerder door het college ingenomen standpunt dat op voorhand niet vaststaat dat het pand niet wordt gebruikt zoals dit is toegestaan middels de omgevingsvergunning. [11] De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu?
12. Eiser betoogt dat sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op zijn woon- en leefomgeving als gevolg van de omgevingsvergunning en stelt dat daarom de aanvraag op grond van artikel 1.5 van het Voorbereidingsbesluit had moeten worden afgewezen. Eiser stelt dat er verschillende omstandigheden zijn waaruit deze ontoelaatbare inbreuk bestaat. Dit gaat onder meer om geluidsoverlast, een fysieke aanval door een van de bewoners richting eiser, het niet tijdig verwijderen van huisvuil, het roken van marihuana in de tuin, urineren in de tuin, tuinafval op de oprit van de woning en het slechte onderhoud van de woning. Eiser stelt verder dat deze mate van overlast in ieder geval reden had moeten zijn om de geldigheidsduur van de vergunning te beperken. [12]
12.1.
In het primaire besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

overwegende dat:
(…)
  • bij de stadsdeelmanager, de politie alsmede het Team Woonoverlast geen overlast met betrekking tot het kamerverhuurpand is gemeld en derhalve positief staan tegenover de verlening;
  • ons college er van uitgaat dat de omzetting tot kamerverhuur niet zal leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de omgeving van het gebouw.’
12.2.
In de beslissing op bezwaar is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Aanvullende vergunningsvoorschriften
Vergunninghouder en een bezwaarde hebben gevraagd of het college een aanvullende voorwaarde kan verbinden aan de vergunning met betrekking tot het opnemen van een huisreglement. (…)
-
de verhuurder draagt zorg voor een huisreglement.’
12.3.
In artikel 1.5, eerste lid, van het Voorbereidingsbesluit luidt, voor zover relevant:
Artikel 1.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.3 wordt geweigerd indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de omgeving van het gebouw. Hiervan is in ieder geval sprake indien: (…)’.
12.4.
De rechtbank overweegt dat het tussen partijen niet ter discussie staat dat de omgevingsvergunning in bepaalde mate een inbreuk vormt op het geordende woon- en leefmilieu van de omgeving waaronder het perceel van eiser. Wat wel tussen partijen ter discussie staat is de vraag of deze inbreuk zo groot is dat deze ontoelaatbaar is.
12.5.
De rechtbank stelt vast dat het college voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning advies heeft ingewonnen bij de stadsdeelmanager, de politie en het Team Woonoverlast en deze vervolgens positief hebben geadviseerd aan het college. Daaropvolgend heeft het college in de bezwaarfase opnieuw navraag gedaan bij dezelfde organen. Daaruit is gebleken dat er bij de politie 2 meldingen bekend zijn over het pand die zijn gemaakt door dezelfde persoon, namelijk eiser. Het college heeft mede hierom de voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat er een huisreglement moet worden opgesteld om het geordende woon- en leefmilieu verder te waarborgen.
12.6.
De rechtbank is van oordeel dat de door eiser genoemde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat het college had moeten besluiten dat het vaststaat of redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de verlening van de omgevingsvergunning leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op het geordende woon- en leefmilieu van de omgeving. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het college voorafgaand aan het primaire besluit advies heeft ingewonnen en dit advies positief was. Dit is bovendien in de bezwaarfase bevestigd. De omstandigheid dat er twee meldingen zijn gedaan betekent op voorhand niet dat sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu. Dit zou anders kunnen zijn indien sprake is van structurele meldingen van overlast, maar daarvan is niet gebleken. Ook acht de rechtbank van belang dat vergunninghouder een onderhoudscontract heeft overlegd van een hovenier die werkzaamheden moet uitvoeren rondom het pand, zoals het groenafval afvoeren en het opruimen van grofvuil. Ter zitting is door de gemachtigde van vergunninghouder aangegeven dat de duur van dit onderhoudscontract is verlengd. Tot slot acht de rechtbank van belang dat het college, op (mede)initiatief van de vergunninghouder een nader voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, waarin is opgenomen dat een huishoudelijk reglement vastgesteld dient te worden. Dit ter waarborging van het voorkomen van een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefklimaat. De door eiser ingenomen stelling dat de genoemde omstandigheden hadden moeten leiden tot een beperking van de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2017, volgt de rechtbank niet. In de betreffende uitspraak had het college namelijk geoordeeld dat wél sprake was een ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu van de omgeving van de betreffende woning, terwijl in onderhavige situatie het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat dit niet het geval is. De beroepsgrond slaagt niet.
Huisreglement als vergunningvoorschrift
13. Eiser betoogt dat het wenselijk is om het huisreglement als voorschrift aan de vergunning te verbinden. Eiser stelt dat daarmee het huisreglement bestuursrechtelijk handhaafbaar is en dat het niet wenselijk als het huisreglement niet bestuursrechtelijk handhaafbaar is.
13.1.
Het college voert hierover aan dat aan de omgevingsvergunning reeds een voorschrift is verbonden dat de vergunninghouder zorg dient te dragen voor een huisreglement. Het college heeft het niet in haar macht om de inhoud van dit huisreglement te bepalen, aldus het college.
13.2.
Vergunninghouder voert hierover aan dat voorschriften over het interne beheer of de exploitatie van een gebouw niet conform een omgevingsvergunning kunnen worden afgedwongen, tenzij deze ruimtelijk relevant zijn. Daarbij merkt vergunninghouder op dat er al een huisreglement is vastgesteld.
13.3.
De vergunninghouder heeft, in overeenstemming met het vergunningvoorschrift een huishoudelijk reglement vastgesteld. In dit huishoudelijk regelement zijn onder meer regels opgenomen die zien op het voorkomen van geluidsoverlast, het in overeenstemming met de regels aanbieden van afval en het ordelijk parkeren van motorvoertuigen. Anders dan de vergunninghouder heeft gesteld zien deze huisregels hiermee op aspecten die ruimtelijk relevant zijn, zoals parkeren en het produceren van geluid.
13.4.
De rechtbank stelt voorop dat de huisregels zoals deze vorm zijn gegeven door de vergunninghouder afdoende zijn om de inbreuk op het woon- en leefmilieu van de omgeving te beperken. Omdat het pand is gelegen in een woonwijk, dient het college wel voldoende te waarborgen dat overlast wordt voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college in dit geval echter niet volstaan met een voorschrift dat de vergunninghouder verplicht is om een huisreglement op te stellen. Eiser kan dan immers niet het college vragen om vergunninghouder te dwingen tot toezicht op de naleving van het huisreglement. In dit geval acht de rechtbank het dan ook aangewezen dat eiser de mogelijkheid moet hebben om een verzoek tot naleving van dat huishoudelijk reglement in te dienen zodat eiser desgewenst aan het college kan verzoeken om toe te zien op naleving van het huishoudelijk reglement. Nu dat niet is gebeurd, vertoont de vergunning een gebrek en komt deze in zoverre ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting echter aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en een dergelijke verplichting aan de beslissing op bezwaar toe te voegen.
Conclusie en gevolgen in beide zaken
14. De beroepen zijn gegrond omdat de beslissing op bezwaar een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek bevat en ten onrechte alleen is volstaan met een voorschrift dat vergunninghouder verplicht is om een huisreglement op te stellen zonder te waarborgen dat dit reglement wordt nageleefd. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar, maar het college hoeft geen nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers en het bezwaar van eiser [eiser 3] . De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en aan de voorschriften van de omgevingsvergunning het volgende voorschrift toevoegen: “
De bewoners moeten het huishoudelijk reglement naleven. Vergunninghouder is verplicht om hierop toe te zien.” Voor het overige laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand.
14.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college wel het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt voor eisers € 2.335,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en na de zitting op verzoek van de rechtbank nog een schriftelijke uiteenzetting heeft gegeven. [13] De vergoeding bedraagt voor eiser [eiser 3] € 1.868,- omdat zijn gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en een vervanger van de gemachtigde aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar;
  • verbindt het volgende voorschrift aan de omgevingsvergunning: “
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar voor zover deze is vernietigd;
  • bepaalt dat voor het overige de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser [eiser 3] moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser [eiser 3] .
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze vergunning is verleend op grond van artikel 5.47 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Apeldoorn (de APV).
2.Door een wetswijziging van de Huisvestingswet 2014 is per 1 januari 2024 de vergunningplicht uit artikel 5.47 van de APV van rechtswege vervallen, zie het Gemeenteblad 2024, nr. 529323, p. 9.
3.Dit blijkt expliciet uit het primaire besluit waarin is opgenomen: ‘
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3815, r.o. 4.1.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4059, r.o. 4.4 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming.
6.Dit voorschrift wordt ingevolge artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorbereidingsbesluit aan iedere omgevingsvergunning verbonden die is gebaseerd op artikel 1.3 van het Voorbereidingsbesluit.
7.In de norm NEN 2580 afgekort als GO.
8.Dit betreft volgens vergunninghouder het volgende regime: Hoofdstuk 22q van het Omgevingsplan en de Beleidsregels kamerverhuur woningsplitsing.
9.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3497, r.o. 5.2.
10.TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kamerverhuur en woningsplitsing: BIJLAGEN
11.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2821.
12.Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:856.
13.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1402 waarin de Afdeling aan de desbetreffende appellant een kostenvergoeding toekende van een half punt voor het geven van een nadere schriftelijke uiteenzetting, omdat de nadere schriftelijke uiteenzetting was gegeven op het verzoek van de Afdeling. Dit ondanks het gegeven dat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in vergoeding van deze kosten.