ECLI:NL:RBGEL:2026:5825

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/6343
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 10 Wet BPMArtikel 110 VWEUArtikel 19a Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning vergoeding immateriële schade

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €6.573 opgelegd door de inspecteur, gebaseerd op een waardebepaling van Domeinen Roerende Zaken. Belanghebbende stelde een hogere schade en waardevermindering vast via een eigen taxatierapport, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.

De rechtbank oordeelde dat de door belanghebbende opgevoerde schade niet voldoende werd onderbouwd, mede omdat facturen ook onderhoud en niet-schadegerelateerde onderdelen bevatten. Ook de waardeverminderingen wegens schadeverleden en het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand werden niet bewezen. Het beroep op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro faalde omdat geen deskundigenonderzoek werd geleverd dat de handelswaarde van vergelijkbare voertuigen aantoonde.

De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met ongeveer elf maanden was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €1.000. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €24, waarbij een vermenigvuldigingsfactor van 0,10 werd toegepast omdat niet was voldaan aan de criteria voor een bijzonder geval.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslag en veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6343

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag,
de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 april 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) van € 6.573 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon 1] en, namens de inspecteur, [persoon 2] en [persoon 3] .

Feiten

Belanghebbende heeft met dagtekening 18 april 2023 BPM-aangifte gedaan ter zake van een Maserati Levante 3.0 V6 S AWD GranSport (de auto). De bruto-BPM heeft belanghebbende bepaald op € 52.974. Datum van eerste toelating van de auto is 14 juni 2017.
In de aangifte is de te betalen belasting op basis van een taxatierapport van [bedrijf] berekend op € 2.374. De taxateur van belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 153.826. In het taxatierapport van belanghebbende is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 31.964. De taxateur heeft de herstelkosten van de schade begroot op € 19.319, wat volgens hem leidt tot een waardevermindering van € 19.319 (100%). In de schadecalculatie is een extra waardevermindering van € 2.000 meegenomen in verband met “bekend schadeverleden” en een extra waardevermindering van € 3.750 vanwege “geen oordeel kilometerstand”. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 6.895.
3. De inspecteur heeft een bedrag van € 6.573 nageheven. Daarbij heeft de inspecteur zich gebaseerd op een onderzoek waardebepaling van [persoon 4] , werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ), van 2 mei 2023. Hierbij is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 193.190 de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 34.495, allebei op basis van een koerslijst van Xray. Verder is in dat rapport de waardevermindering als gevolg van schade vastgesteld op € 1.862 (31% van € 6.007). De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bedraagt volgens het rapport van DRZ € 32.633.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de naheffingsaanslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. In geschil is:
  • de omvang van de schade en de waardevermindering;
  • de waardevermindering wegens schadeverleden en ‘geen oordeel kilometerstand’;
  • het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Handelsinkoopwaarde; omvang van de schade
7. Belanghebbende betoogt dat de schade € 19.319 bedraagt en verwijst ter ondersteuning van haar standpunt op het ingebrachte taxatierapport en de overgelegde herstelnota’s van in totaal € 18.734,57.
8. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade rekening moet worden gehouden dan waarvan de inspecteur bij uitspraak op bezwaar is uitgegaan. Deze meer schade is in ieder geval niet zichtbaar op de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport. Ook de overgelegde facturen onderbouwen niet dat sprake zou zijn van meer schade. Zo ziet één van de overgelegde facturen op een onderhoudsbeurt (€ 3.327,20). Daarnaast zijn onderdelen opgenomen die niet als schade kunnen kwalificeren, zoals een ruitenwisser, drukkers en clips, en verzendkosten van verschillende kleine artikelen. Ook komen het merk en de maat van de gekochte banden komt niet overeen met de banden zoals opgenomen in het schaderapport. Deze banden zijn dus niet te herleiden naar de auto. Tot slot zien facturen ook op het herstel van gebruikssporen.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schadeverleden
9. Belanghebbende heeft gesteld dat er een waardevermindering van € 2.000 in aanmerking dient te worden genomen wegens het schadeverleden van de auto. De bewijslast daaromtrent rust op belanghebbende.
10. De rechtbank stelt voorop dat het schadeverleden van een auto een waardedrukkend effect kan hebben. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de oorzaak van de schade en in het bijzonder de aard ervan (of sprake is van schade die ook na herstel risico’s oproept, dan wel of het een schade betreft die zich volledig laat herstellen).
11. Belanghebbende heeft omtrent het schadeverleden gesteld dat de auto deels slecht is overgespoten en sprake is van corrosie. Belanghebbende heeft niet onderbouwd dat dit kwalificeert als een schadeverleden een ook niet dat, laat staan in welke mate, dit tot een waardevermindering leidt. Daarnaast is de verwijzing naar een tabel die is gebaseerd op algemene uitgangspunten en dus niet zijn toegespitst op de auto, onvoldoende om een waardevermindering vanwege het gestelde schadeverleden in aanmerking te nemen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een schadeverleden en ook niet aannemelijk is gemaakt dat dit zou moeten leiden tot een waardevermindering.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’
12. Belanghebbende heeft gesteld dat er een waardevermindering van € 3.750 in aanmerking dient te worden genomen in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’. De bewijslast daaromtrent rust op belanghebbende.
13. De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor kan zijn en ook een omstandigheid kan zijn die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat in dit geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect rust op belanghebbende. [1]
14. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de auto sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand. Belanghebbende heeft in beroep slechts volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan, behoudens algemene stellingen. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, is in de taxatierapporten onvoldoende onderbouwd. Bovendien is de door belanghebbende in aanmerking genomen waardevermindering gebaseerd op een algemene tabel. Ook daarom slaagt belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat sprake is van een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’.

Handelsinkoopwaarde; waardevermindering als gevolg van begrote herstelkosten

15. Belanghebbende heeft gesteld dat de waardevermindering als gevolg van de begrote herstelkosten 100% bedraagt omdat sprake is van een relatief jonge auto uit een bijzonder segment en de herstelnota’s optellen tot een bedrag van € 18.734,57, waarmee de schade is bevestigd. De 31%-norm acht zij in strijd met het Europese recht, omdat sprake is van een slecht onderbouwd forfait.
16. De bewijslast van de omvang van de waardevermindering als gevolg van schade rust op belanghebbende. [2] De wet- en regelgeving komt tegemoet aan deze bewijslast door de waardevermindering in ieder geval op 31% van de aanwezige schade te stellen. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende meent, is hierbij geen sprake van een forfait, maar van een bewijsvermoeden. Belanghebbende heeft de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat in dit geval een hoger percentage dient te gelden. Dat heeft belanghebbende niet gedaan, omdat zij blijft hangen in de vermelding van algemeenheden. Bovendien ontbreekt de feitelijke grondslag van haar standpunt dat het om een relatief jonge auto gaat. Ten tijde van het doen van aangifte was de auto al ongeveer zes jaar oud met een kilometerstand van bijna 59.000. De herstelnota’s zijn verder niet meer relevant, omdat de rechtbank al heeft geoordeeld dat hiermee de hogere gestelde schade niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om een hoger percentage van de reparatiekosten van de geconstateerde schade als waardevermindering in aanmerking te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 110 van Pro het VWEU
17. Belanghebbende beroept zich op het discriminatieverbod van artikel 110 van Pro het VWEU. Volgens haar zijn referentievoertuigen in Nederland geregistreerd met een lagere rest BPM. Uit de door haar toegevoegd tabel blijkt volgens belanghebbende dat de verschuldigde BPM voor de auto hoger uitvalt dan bij soortgelijke referentievoertuigen en daardoor is sprake van verboden discriminatie.
18. Voor een succesvol beroep op het discriminatieverbod moet belanghebbende aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto’s aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbare RDW-registratie (‘geen oordeel kilometerstand’) vergelijkbare vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en vergelijkbare schade in Nederland was geregistreerd en wat daarvan de waardeverminderende invloed op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijke RDW-registratie vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en schade kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende. [3]
19. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure voor de auto geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De enkele vermelding van referentievoertuigen in het nadere stuk van 25 juni 2026 – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Bovendien betreft het uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte referentievoertuigen waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat zij ten tijde van de registratie (van de onderhavige auto) op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s te koop waren aangeboden. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar bepleite verminderingen. [4]
Overschrijding van de redelijke termijn
20. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. [5]
21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. [6] Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.
22. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 14 augustus 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) elf maanden langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven twee keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 1.000 (€ 500 per half jaar). De uitspraak op bezwaar is van 19 april 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 3/11e deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 8/11e deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 272 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 728 aan belanghebbende te betalen.
Proceskosten
23. Belanghebbende krijgt een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten, uitsluitend omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen. In geschil is of de proceskosten op grond van artikel 19a van de Wet BPM moeten worden vermenigvuldigd met factor 0,10.
24. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 [7] geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [8] worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 19a, eerste en tweede lid, van de Wet BPM, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.
25. Het is aan (de gemachtigde van) belanghebbende om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij sinds 1 januari 2024 niet meer op basis van no cure no pay optreedt. Volgens gemachtigde staat dit tevens op zijn website vermeldt. De gemachtigde heeft aan belanghebbende een factuur gestuurd ten bedrage van € 500 exclusief 21% omzetbelasting, in totaal dus € 605. Belanghebbende heeft die factuur daadwerkelijk betaald. Belanghebbende wijst verder op de volmacht waarin is opgenomen dat eventuele proceskostenvergoedingen en (immateriële) schadevergoedingen direct aan de volmachtgever (belanghebbende) worden overgemaakt. Daarnaast stelt hij dat hij door andere rechterlijke instanties ook al is aangemerkt als een bijzonder geval.
26. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. Zoals de Hoge Raad in haar arrest van 25 april 2025 [9] heeft geoordeeld, gaat het bij de beoordeling van het bedrijfsmodel om de algemene wijze waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Het overleggen van slechts één factuur en één volmacht in deze specifieke zaak biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een eenduidig beeld van het bedrijfsmodel. Ook de verwijzing naar een vermelding op de website is onvoldoende. De betreffende vermelding is niet ingebracht en ook is niet inzichtelijk of die informatie ook al op de website stond ten tijde van het instellen van het beroep. Voor wat betreft de stelling dat de gemachtigde al eerder is aangemerkt als een bijzonder geval geldt het volgende. Gemachtigde heeft niet naar specifieke uitspraken verwezen en daardoor niet voldaan aan de op hem rustende substantiëringsplicht. De rechtbank kan dus niet vaststellen of dit juist is en zo ja, over welk jaar is geoordeeld en welke informatie daarbij is getoetst. De rechtbank ziet het niet als haar taak om met dergelijke beperkte informatie zelf op onderzoek uit te gaan. Er is dus niet voldaan aan de criteria uit het arrest van 17 januari 2025 om als bijzonder geval te kunnen worden aangemerkt. Artikel 19a van de Wet BPM is daarom van toepassing. Dit betekent dat op het bedrag van de proceskostenvergoeding zoals dat voortvloeit uit het Bpb nog de factor 0,10 dient te worden toegepast. [10]
27. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de proceskostenvergoeding vaststellen op € 24. [11] De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft van die vergoeding betalen.

Conclusie en gevolgen

28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag in stand blijven. Belanghebbende heeft recht op een proceskostenvergoeding van € 24. Het griffierecht krijgt hij niet terug, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [12] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 272;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 728;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 12 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 12 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 17 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876, r.o. 4.14.
2.Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:2019:1084.
3.Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
4.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4341.
5.Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
8.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.
9.HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.
10.Artikel 19a, tweede lid, letter b, van de Wet BPM.
11.1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25 (Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.), vermenigvuldigd met factor 0,10.
12.ECLI:NL:HR:2024:567. Omdat de redelijke termijn op 31 mei 2024 nog niet was overschreden, is het overgangsrecht niet van toepassing en is de nieuwe regel uit dit arrest van toepassing op deze zaak.