Uitspraak
1.De loop van het geding in cassatie tot dusver
Met betrekking tot het derde kenmerk, zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025, merkt belanghebbende op dat haar gemachtigde tot het schrijven van het bericht van 7 februari 2025 twintig uur heeft besteed aan deze cassatieprocedure. Uitgaande van een volgens belanghebbende redelijk uurtarief van € 250, bedragen de werkelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van rechtsbijstand in deze cassatieprocedure € 5.000, aldus belanghebbende. Gelet hierop moet volgens belanghebbende de vraag of het derde kenmerk aanwezig is bij de gemachtigde van belanghebbende ontkennend worden beantwoord en moet artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet bpm) daarom niet worden toegepast.
Onder verwijzing naar dit doel van de WHpkv heeft de Hoge Raad vervolgens in het arrest van 17 januari 2025 overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen (rechtsoverweging 3.5.1).
Gevallen die kennelijk niet alle hiervoor bedoelde kenmerken hebben, moeten volgens het arrest van 17 januari 2025 in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van de leden 1 en 2 van artikel 19a van de Wet bpm en van de leden 1 en 2 vanartikel 30a van de Wet WOZ. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende (rechtsoverweging 3.5.2).
(i) drie proceshandelingen (beroepschrift in cassatie, schriftelijke reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken [3] ) en daarmee dus van drie punten,
(ii) factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en (iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet bpm, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (de naheffingsaanslag in de bpm en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente) worden vernietigd of gewijzigd.
Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 409.