ECLI:NL:RBGEL:2026:5863

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/05/452807
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:159 BWArt. 6:247 lid 2 BWArt. 6:233 BWArt. 6:234 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen ontbinding koopovereenkomst dieplader wegens toepasselijkheid algemene voorwaarden

Spyfatec, een Zwitserse onderneming, kocht in 2018 een dieplader van een Nederlandse groothandel, waarbij een aanbetaling van €30.000 en een betaling van €80.000 door UBS als financier plaatsvond. Spyfatec stelde gebreken vast en weigerde de dieplader op te halen en het restantbedrag van €20.000 te betalen.

De rechtbank oordeelde dat Spyfatec de contractspartij is gebleven, omdat UBS slechts financier was en geen contractsovername had plaatsgevonden. De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van de Nederlandse partij werd bevestigd, waarbij artikel 8.3 ontbinding door de koper uitsluit. Dit is rechtsgeldig, omdat afdeling 6.5.3 BW niet van toepassing is op internationale zakelijke partijen.

Spyfatec mocht de koopovereenkomst niet buitengerechtelijk ontbinden en moest het restantbedrag betalen. Tevens werd Spyfatec veroordeeld de dieplader binnen twee maanden op te halen, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten werden aan Spyfatec opgelegd.

Uitkomst: Spyfatec is contractspartij gebleven, ontbinding is uitgesloten, en zij moet het restantbedrag betalen en de dieplader ophalen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/452807 / HA ZA 25-240 / 822 / 876
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
SPYFATEC GmbH,
te Courgevaux (Zwitserland),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: Spyfatec,
advocaat: mr. M.C.J. Swart,
tegen
[naam gedaagd bedrijf in conventie] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] , gemeente [vestigingsgemeente] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. M.J.M.C. Winkels.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
In 2018 heeft Spyfatec van [de gedaagde in conventie] een dieplader gekocht voor een bedrag van
€ 130.000,00. Van dit bedrag heeft Spyfatec € 30.000,00 betaald en UBS Switserland AG (hierna: UBS) € 80.000,00. Vanwege een geschil over mogelijke gebreken aan de dieplader heeft Spyfatec de dieplader niet opgehaald.
2.2.
Spyfatec vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat zij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden, dan wel dat de rechtbank de koopovereenkomst alsnog ontbindt, en de terugbetaling van een bedrag van € 110.000,00. [de gedaagde in conventie] betwist primair dat Spyfatec de contractspartij is en subsidiair de toewijsbaarheid van de vordering. In het geval dat de rechtbank Spyfatec als contractspartij ziet, vordert [de gedaagde in conventie] in reconventie de betaling van het restant van de koopsom, een bedrag van € 20.000,00, en de veroordeling van Spyfatec tot het ophalen van de dieplader. Mocht de rechtbank de koopovereenkomst ontbinden, dan vordert [de gedaagde in conventie] een vergoeding voor de waardevermindering van de dieplader.
2.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat Spyfatec contractspartij is, maar dat er geen recht bestaat tot ontbinding, zodat Spyfatec het restantbedrag van € 20.000,00 moet betalen en de dieplader moet ophalen bij [de gedaagde in conventie] . De rechtbank legt hierna uit waarom.

3.De feiten

3.1.
Spyfatec is een in Zwitserland gevestigde onderneming die zich onder meer bezig houdt met de verhuur van weg-railvoertuigen en speciale machines zoals kranen.
3.2.
[de gedaagde in conventie] is een Nederland gevestigde groothandel in voornamelijk gebruikte vrachtwagens, trailers, kranen en machines. [de gedaagde in conventie] hanteert algemene voorwaarden. Hierin staat, voor zover hier van belang:

Artikel 4. Prijzen
(…)
4.3
Koper heeft op grond van het bepaalde in het vorige lid niet het recht de overeenkomst te ontbinden, tenzij de in eerste instantie overeengekomen prijs met meer dan 10 % wordt verhoogd.
(…)
Artikel 8 Ontbinding Pro
(…)
8.3
Koper is niet gerechtigd enige overeenkomst met [de gedaagde in conventie] te ontbinden met uitzondering van het bepaalde in artikel 4.3.”
3.3.
Spyfatec informeert via WhatsApp bij [de gedaagde in conventie] naar de mogelijkheden voor de aanschaf van een dieplader. In een bericht van 3 oktober 2018 schrijft Spyfatec aan [de gedaagde in conventie] :
“habe heute Telefon bekommen von Tüv schweiz.
ist ok aber brauche auch leer eine Bewilligung zum fahren.
Mache dir Vorschlag:
130000 &
Komplet gestrahlt und neu lackiert, Breit für Tüv.
10 % Anzahlung
70 % Vor Abholung
20 % Wen geprüft ist in Schweiz unf alles ok.”
En in reactie daarop schrijft [de gedaagde in conventie] aan Spyfatec:
“Ruf mich bitte an wen du Zeit hast.”
3.4.
Uiteindelijk sluiten Spyfatec en [de gedaagde in conventie] een koopovereenkomst met betrekking tot een dieplader, de Goldhoffer XLE 2 + 4, voor een bedrag van € 130.000,00. Partijen spreken daarbij af dat [de gedaagde in conventie] zorgdraagt voor de controle van de dieplader en het (laten) zandstralen en spuiten van de dieplader in de door Spyfatec opgegeven kleuren.
3.5.
In de op naam van Spyfatec gestelde factuur van 4 oktober 2018 staat onder meer:
“Anzahlung bei bank € 30.000,--
Restzahlung € 100.000,--
(…)
Diese Rechnung gilt zugleich als Kaufvertrag. (…) Auf diesen Vertrag findet ausschlieβlich das Niederländische Recht Anwendung (….). Die Anwendbarkeit des Wiener Kaufrechtsübereinkommens ist ausgeschlossen. Auβerdem erkennt der Käufer an, dass für diesen Vertrag die allgemeinen Geschäftsbedingungen von [de gedaagde in conventie] gelten, die der Käufer bereits erhalten hat. Diese allgemeinen Geschäftsbedingungen stehen auf der Rückseite dieser Rechnung (…).”
3.6.
[de gedaagde in conventie] vraagt Spyfatec in een bericht van 8 oktober 2018 naar de gewenste kleurcodes. Spyfatec reageert op 9 oktober 2018:
“Ral 1007 unterboden Fahrwerke ral 7016.”
3.7.
Op 9 oktober 2018 betaalt Spyfatec de aanbetaling van € 30.000,00 aan [de gedaagde in conventie] .
3.8.
Spyfatec sluit voor de financiering van de dieplader een overeenkomst met UBS. In een e-mailbericht van 6 december 2018 schrijft Spyfatec aan [de gedaagde in conventie] onder meer:
“In weiterem fehlt mir noch die Rechnung mit UBS adresse und die Dokumente wie
Bremsberechnumg....”
In de WhatsApp correspondentie vraagt Spyfatec op 10 en 13 december 2018 ook om een factuur op naam van UBS.
3.9.
Bij de stukken bevindt zich een op naam van UBS gestelde factuur met datum
13 december 2018 voor de dieplader. Op deze factuur staat onder meer:
“Leasingnehmer:
Spyfatec GmbH
Beneyweg 5
1796 Courgevaux
Switzerland
Wir haben schon einen Anzahlung bekommen von
€ 30.000,-- von leasingnemher Spyfatec GmbH.”
3.10.
UBS betaalt op 20 december 2018 een bedrag van € 80.000,00 aan [de gedaagde in conventie] .
3.11.
Voor het zandstralen en het spuiten van de dieplader brengt [de gedaagde in conventie] de dieplader naar het bedrijf [bedrijf] in [vestigingsplaats 2].
3.12.
In een e-mailbericht van 15 februari 2019 schrijft [de gedaagde in conventie] aan Spyfatec dat de dieplader klaar staat om te worden opgehaald. Spyfatec brengt vervolgens op
20 februari 2019 een bezoek aan [bedrijf] in [vestigingsplaats 2] en inspecteert daar de dieplader.
3.13.
In een e-mailbericht van 7 maart 2019 schrijft Spyfatec aan [de gedaagde in conventie] :
“Ich war am 20. Februar in [vestigingsplaats 2] den Auflieger anschauen und haben anschliessend
auch miteinander telefoniert.
Es hatte kleine Mängel über welche man hinwegschauen könnte.
du sagtest mir das du am 21. Februar dir ein Bild machen gehst und anschliessend die
Lieferung organisierst.
Ich habe noch nichts erhalten und wollte fragen wie es aussieht?
wir benötigen den Auflieger schon seit längerem und sind Total enttäuscht.”
3.14.
Partijen corresponderen vervolgens per e-mail en WhatsApp over wanneer de dieplader kan worden opgehaald. [de gedaagde in conventie] stelt daarbij voor dat Spyfatec de dieplader op
15 maart 2019 bij haar kan bezichtigen, het restantbedrag kan betalen en de dieplader mee kan nemen. Spyfatec reageert daarop met de mededeling dat zij de dieplader niet bij [de gedaagde in conventie] kan controleren. Op 11 april 2019 schrijft Spyfatec aan [de gedaagde in conventie] dat Spyfatec de dieplader op 17 april 2019 komt ophalen, waarbij een vertegenwoordiger vanuit Goldhofer aanwezig moet zijn voor een professionele keuring. [de gedaagde in conventie] reageert daarop per WhatsApp dat Spyfatec de dieplader pas mee mag nemen na betaling van het restantbedrag.
3.15.
Op 6 februari 2024 laat Spyfatec bij deurwaardersexploot een ingebrekestelling met datum 2 februari 2024 betekenen. Hierin staat, voor zover hier van belang:
“(…)
Vastgesteld moet worden is dat in de eerste plaats nog geen keuring en toelating
door Tüv in Zwitserland heeft plaatsgevonden en daarmee thans nog niet duidelijk is
of deze thans aan de gestelde wettelijke eisen voor toelating in Zwitserland voldoet.
In het bijzonder is het een gebrek dat de dieplader was gelakt in de RAL-kleur 1007,
terwijl dit overeenkomstig de wettelijke voorschriften in Zwitserland en de specifieke
instructie van cliënt de RAL-kleur 7016 moet zijn, zoals cliënt u op 9 oktober 2018 bij
whatsapp heeft bericht.
In de tweede plaats is onduidelijk gebleven of u de cruciale gebreken heeft hersteld
zoals tijdens de bezichtiging op 20 februari 2019 met elkaar is besproken. Bij
gebreke van andersluidende informatie gaat cliënt ervan uit dat dit herstel niet heeft
plaatsgevonden. Dit betreft in het bijzonder het gebrekkig uitgevoerde zandstralen
waardoor de remmen, cilinders en hydraulische systemen zodanig zijn aangetast dat
dit kan leiden tot ongelukken en ernstige schade aan onderdelen.
Alvorens het voertuig in ontvangst te willen nemen is het tot nu toe voor cliënte
onduidelijk gebleven of u voormelde gebreken inmiddels zijn verholpen. Bovendien
heeft cliënte geen antwoord van u gekregen op haar vraag bij email d.d. 7 maart
2009 of u de documenten/formaliteiten in orde had gemaakt voor toelating door de
douane in Zwitserland. Ik verzoek u mij te bevestigen dat dit het geval is. De termijn
die ik u hiervoor stel is
14 dagen na heden.
Indien u mij tijdig kunt bevestigen dat de geconstateerde gebreken zijn hersteld,
wenst cliënt het voertuig te inspecteren en ter keuring aan Tüv aan te bieden voor
toelating in Zwitserland. (…)
Indien u in gebreke blijft met voormelde sommatie, moet ik met cliënte vaststellen
dat u in gebreke bent met de nakoming van de overeengekomen afspraken tot
levering van voormeld voertuig met aanverwante zaken. Voor dat geval ontbind ik nu
reeds voor alsdan voormelde koopovereenkomst.(…)”
3.16.
In reactie hierop schrijft de advocaat van [de gedaagde in conventie] op 27 februari 2024 onder meer:
“Uw stelling over de keuring en toelating door Tüv in Zwitserland kan cliënte niet plaatsen. Partijen hebben hierover geen afspraken gemaakt. Dit blijkt ook niet uit de inhoud van de koopovereenkomst. De stelling dat de dieplader overeenkomstig wettelijke voorschriften in Zwitserland en specifieke instructie van uw cliënte niet in RAL-kleur 1007 maar in RAL- kleur 7016 gespoten had moeten worden, is ook onjuist. Cliënte heeft voorafgaand aan het spuiten immers verzocht om de kleurcodes, waarop uw cliënte antwoordde:
"Ral 1007 unterboden Fahrwerke ral 7016". Het bovenstel moest worden voorzien van de huisstijlkleur van uw cliënte, RAL-kleur 1007, en het chassis van RAL-kleur 7016.
Hieraan heeft cliënte gehoor gegeven. Partijen hebben buiten de kleurcodes om geen nadere afspraken gemaakt over het spuiten van de dieplader.
Ondanks dat cliënte de dieplader, conform overeenkomst, volledig heeft laten controleren en laten spuiten in de door uw cliënte gewenste kleuren, weigert uw cliënte het restant van de koopsom te voldoen en de dieplader af te nemen. Cliënte heeft de afgelopen jaren tevergeefs geprobeerd om met uw cliënte in contact te komen over het ophalen van de dieplader.
Ik stel uw cliënte hierbij een termijn van 14 dagen om alsnog de resterende koopsom van
€ 20.000,- aan cliënte te voldoen. Zodra dit bedrag is betaald, kan uw cliënte contact met cliënte opnemen om een afspraak te maken om de dieplader op te halen. In het geval uw cliënte binnen deze termijn betaalt, zal cliënte geen aanspraak maken op de door uw cliënte verschuldigde rente.
(…)”
3.17.
De dieplader staat nog steeds buiten op het terrein van [de gedaagde in conventie] .

4.Het geschil in conventie

4.1.
Spyfatec vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair voor recht verklaart dat de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden per 20 februari 2024 dan wel subsidiair deze koopovereenkomst ontbindt,
[de gedaagde in conventie] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 110.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 20 februari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
[de gedaagde in conventie] veroordeelt in de proceskosten, alsmede de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Spyfatec legt aan haar vordering, kort samengevat, ten grondslag dat zij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. In haar brief van 6 februari 2024 heeft zij [de gedaagde in conventie] gewezen op de door haar geconstateerde gebreken aan de dieplader die zijn ontstaan door het zandstralen. De aantasting van de remmen, de cilinders en de hydraulische systemen is zodanig dat dit de dieplader ongeschikt maakt voor gebruik op de openbare weg in Zwitserland. Ook het feit dat de dieplader niet in de overeengekomen kleuren is gespoten, zorgt ervoor dat de dieplader niet zal worden toegelaten voor gebruik in Zwitserland. Na het uitblijven van een reactie van [de gedaagde in conventie] op de aanwezigheid van de gestelde gebreken, is de reeds op voorhand ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding ingetreden, zodat er tussen partijen vanaf 20 februari 2024 ongedaanmakingsverplichtingen gelden. Deze houden in dat [de gedaagde in conventie] de beschikking houdt over de dieplader en dat [de gedaagde in conventie] Spyfatec een bedrag van
€ 110.000,00 moet terugbetalen. Voor het geval de koopovereenkomst niet rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, vordert Spyfatec de ontbinding van de koopovereenkomst vanwege de gestelde tekortkomingen van de zijde van [de gedaagde in conventie] in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst.
4.3.
[de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] voert ten eerste aan dat UBS haar contractspartij is (geworden), zodat reeds daarom de vorderingen van Spyfatec moeten worden afgewezen. Indien Spyfatec wel als contractspartij moet worden aangemerkt, voert [de gedaagde in conventie] primair aan dat artikel 8.3. van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden ontbinding uitsluit. Subsidiair betwist [de gedaagde in conventie] dat er gebreken zijn aan de dieplader die een ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigen. De kleine onvolkomendheden waar Spyfatec haar op heeft gewezen in het e-mailbericht van 7 maart 2019 heeft [de gedaagde in conventie] hersteld of laten herstellen voordat zij de dieplader na het zandstralen en het spuiten naar haar eigen terrein heeft vervoerd. Tot levering van de dieplader is het echter nooit gekomen, omdat Spyfatec daar niet aan heeft willen meewerken en Spyfatec niet tot betaling van het restantbedrag van € 20.000,00 is overgegaan. Het schuldeisersverzuim van Spyfatec zorgt er ook voor dat [de gedaagde in conventie] niet in verzuim kan zijn. Als [de gedaagde in conventie] tot terugbetaling van enig bedrag moet overgaan, dan kan dit maar ten hoogste het bedrag van € 30.000,00 zijn, namelijk het bedrag dat Spyfatec heeft betaald. Verder moet dan rekening worden gehouden met de waardevermindering van de dieplader, nu het voor rekening en risico van Spyfatec moet komen dat de dieplader al zeven jaar buiten stilstaat.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.Het geschil in (voorwaardelijke) reconventie

5.1.
Indien de rechtbank Spyfatec als contractspartij aanmerkt, vordert [de gedaagde in conventie] dat de rechtbank bij vonnis, na vermindering van eis ter zitting, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Spyfatec veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag van volledige betaling,
II. Spyfatec veroordeelt om binnen veertien dagen na de datum van het vonnis de dieplader bij [de gedaagde in conventie] op te halen,
III. Spyfatec veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis, dat Spyfatec niet voldoet aan het gevorderde onder II,
dan wel indien wordt voldaan aan de voorwaarde onder randnummer 84 van de conclusie van antwoord dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
IV. Spyfatec veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 90.000,00 ter vergoeding van de waardevermindering van de dieplader, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
en in alle gevallen dat de rechtbank:
V. Spyfatec veroordeelt in de proceskosten alsmede de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
5.2.
Aan haar voorwaardelijke tegenvordering legt [de gedaagde in conventie] ten grondslag dat zij aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst heeft voldaan, terwijl Spyfatec heeft nagelaten het restantbedrag van € 20.000,00 te betalen en de dieplader bij haar op te halen. Daarom moet Spyfatec daartoe worden veroordeeld, aldus [de gedaagde in conventie] . Als de rechtbank de koopovereenkomst ontbindt, stelt [de gedaagde in conventie] dat zij op grond van artikel 6:272 BW Pro recht heeft op een vergoeding voor de waardevermindering van de dieplader. Het is immers aan Spyfatec te wijten dat op 15 maart 2019 geen levering heeft plaatsgevonden, waardoor de dieplader sinds die tijd buiten op het terrein van [de gedaagde in conventie] is blijven staan. Door de langdurige blootstelling aan weersinvloeden en stilstand is de staat van de dieplader verslechterd. Berekend naar de huidige marktwaarde (€ 40.000,00) van de dieplader, stelt [de gedaagde in conventie] dat zij recht heeft op vergoeding van de waardevermindering van € 90.000,00.
5.3.
Spyfatec voert aan dat zij het restantbedrag van € 20.000,00 niet heeft betaald omdat de dieplader niet voldoet aan wat partijen zijn overeengekomen. Spyfatec voert verder aan dat het voor haar onmogelijk is om de dieplader binnen veertien dagen bij [de gedaagde in conventie] op te halen en te transporteren naar Zwitserland. Daarvoor heeft zij de goedkeuring voor de toelating tot de openbare weg nodig van de Tüv in Zwitserland. Deze goedkeuring zal vanwege de gebreken en het feit dat [de gedaagde in conventie] heeft nagelaten de dieplader te spuiten in de door Spyfatec opgegeven en in Zwitserland voorgeschreven RAL-kleuren zeer waarschijnlijk niet worden gegeven. Spyfatec betwist verder de redelijkheid van de gevorderde termijn van veertien dagen, het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de tegenvordering en, tot slot, de (hoogte) van de gestelde waardevermindering.
5.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

6.De beoordeling in conventie

De Nederlandse rechter is bevoegd.
6.1.
Spyfatec is in Zwitserland gevestigd, zodat de vordering een internationaal karakter heeft. Daarom moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
6.2.
Zwitserland en Nederland zijn gebonden aan de bepalingen uit EVEX II (Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007, PbEU L 339). Uit artikel 2 EVEX Pro II volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Nederlands recht is van toepassing
6.3.
[de gedaagde in conventie] stelt dat partijen uitdrukkelijk een rechtskeuze [1] hebben gemaakt voor Nederlands recht. Spyfatec heeft dit niet, of althans onvoldoende, weersproken. Deze rechtskeuze is ook opgenomen in de factuur van 4 oktober 2018, waarvan onweersproken is dat deze tussen partijen tevens als schriftelijke koopovereenkomst geldt.
Spyfatec is contractspartij bij de koopovereenkomst
6.4.
[de gedaagde in conventie] voert aan dat UBS contractspartij is geworden en verwijst daarvoor naar de factuur die zij op 13 december 2018 op verzoek van Spyfatec op naam van UBS heeft gezet, het feit dat Spyfatec met UBS een leaseovereenkomst heeft gesloten en naar het feit dat UBS vervolgens een bedrag van € 80.000,00 heeft betaald.
6.5.
Spyfatec stelt in dit verband dat zij met UBS een overeenkomst heeft gesloten op basis waarvan UBS de aanschaf van de dieplader zou financieren. Daarom heeft zij verzocht om de factuur, nadat zij zelf het bedrag van € 30.000,00 heeft aanbetaald, op naam te zetten van UBS. De latere betrokkenheid van UBS ziet enkel op de financiering en niet op een wijziging van de rechtsverhouding, aldus Spyfatec.
6.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat op 4 oktober 2018 een koopovereenkomst is gesloten tussen contractspartijen Spyfatec en [de gedaagde in conventie] , waarbij Spyfatec op 9 oktober 2018 de aanbetaling van € 30.000,00 heeft voldaan en alle communicatie tussen Spyfatec en [de gedaagde in conventie] is verlopen.
6.7.
De vraag is nu of UBS op enig moment contractspartij is geworden in de plaats van Spyfatec. Voor contractsoverneming is nodig dat aan de vereisten van artikel 6:159 BW Pro wordt voldaan. Spyfatec moet haar rechtsverhouding tot [de gedaagde in conventie] met medewerking van [de gedaagde in conventie] hebben overgedragen aan UBS bij een tussen Spyfatec en UBS opgemaakte akte.
6.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is van contractsoverneming geen sprake. Dat de factuur op verzoek van Spyfatec op een later moment op naam van UBS is gezet, zorgt er op zichzelf niet voor dat reeds daarmee sprake is van contractsoverneming. Daarvoor moet, naast een daartoe bestemde akte tussen Spyfatec en UBS, die ontbreekt, de wil van Spyfatec bestaan om haar rechtsverhouding aan UBS over te dragen, welke wil door middel van een verklaring daartoe aan [de gedaagde in conventie] moet zijn geopenbaard. De enkele (herhaalde) vermelding van Spyfatec dat zij een factuur op naam van UBS nodig heeft, geldt niet als een op contractsoverneming gerichte verklaring van Spyfatec. Voor het feit dat de factuur op naam van UBS moest worden gesteld, heeft Spyfatec een verklaring gegeven; namelijk de tussen Spyfatec en UBS gesloten financieringsovereenkomst (in de latere producties door UBS ook aangeduid als leaseovereenkomst). Dat UBS naar aanleiding van de factuur een bedrag van € 80.000,00 aan [de gedaagde in conventie] heeft betaald, maakt UBS evenmin een contractspartij. Immers is het mogelijk om voor een ander na te komen (artikel 6:30 BW Pro). Tot slot is de communicatie over de dieplader ook na de aangepaste factuur van 13 december 2018 tussen Spyfatec en [de gedaagde in conventie] blijven lopen. Hoewel [de gedaagde in conventie] ter zitting heeft verklaard dat zij contact heeft gehad met iemand van UBS, heeft [de gedaagde in conventie] dat onvoldoende concreet toegelicht om aan te nemen dat het contact verder gaat dat alleen contact met een financierder over bijvoorbeeld de betaling. Daarbij blijkt uit de stukken dat de contacten over de levering van de dieplader allemaal met Spyfatec zijn verlopen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] zich ook niet gedragen als dat zij ervan uit is gegaan dat UBS contractspartij is geworden in plaats van Spyfatec. De rechtbank is daarom van oordeel dat Spyfatec contractspartij is gebleven bij de koopovereenkomst van de dieplader en dat UBS is betrokken als financierder voor Spyfatec.
De algemene voorwaarden van [de gedaagde in conventie] staan aan een ontbinding door Spyfatec in de weg
6.9.
Volgens [de gedaagde in conventie] zijn haar algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing en sluit artikel 8.3 van de algemene voorwaarden ontbinding door de koper
(Spyfatec) uit.
6.10.
Spyfatec betwist dat de algemene voorwaarden op de koopovereenkomst van toepassing zijn en voert aan dat deze algemene voorwaarden niet aan haar zijn verstrekt en dat zij geen redelijke mogelijkheid heeft gehad om van de voorwaarden kennis te nemen. Indien ze wel van toepassing zijn, dan moet het beding dat de ontbinding uitsluit als onredelijk bezwarend worden aangemerkt en is het ingevolge artikel 6:248 lid 2 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om het beding vanwege de ernstige tekortkoming van [de gedaagde in conventie] toe te passen, aldus Spyfatec.
6.11.
De rechtbank is van oordeel dat [de gedaagde in conventie] terecht een beroep doet op artikel 6:247
lid 2 BW. Daarin is bepaald dat afdeling 6.5.3 BW (de afdeling die handelt over algemene voorwaarden) niet van toepassing is op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beiden in Nederland zijn gevestigd. Dit geldt ook als de overeenkomst wel door Nederlands recht wordt beheerst, zoals hier het geval is. [2] Dit betekent dat artikel 6:233 en Pro 6:234 BW niet van toepassing zijn op de overeenkomst tussen Spyfatec en [de gedaagde in conventie] . Het verweer van Spyfatec dat zij geen mogelijkheid heeft gehad om kennis te nemen van de algemene voorwaarden en het verweer dat artikel 8.3 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is, kunnen daarom niet slagen.
6.12.
Dit neemt niet weg dat wel moet worden vastgesteld dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden tussen partijen is overeengekomen. [3] Deze vraag moet worden beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen omtrent aanbod en aanvaarding. Deze aanvaarding is op grond van artikel 3:37 lid 1 BW Pro vormvrij en kan liggen in een gedraging en kan ook stilzwijgend plaatsvinden. De rechtbank acht hiervoor het volgende van belang. Onderaan de factuur van 4 oktober 2018 is opgenomen dat de factuur tevens geldt als koopovereenkomst. Daar staat verder (zie 3.5 voor de Duitse tekst) dat koper (Spyfatec) erkent dat op de koopovereenkomst de algemene voorwaarden van [de gedaagde in conventie] van toepassing zijn, dat koper die voorwaarden reeds heeft ontvangen en dat ze op de achterkant van de factuur staan. Spyfatec wordt als handelsonderneming ervan op de hoogte geacht dat voetteksten op een factuur/koopovereenkomst een verwijzing naar algemene voorwaarden kunnen bevatten. Vast staat dat Spyfatec niet om toelichting op deze tekst of om toezending van de algemene voorwaarden heeft verzocht noch dat zij heeft geprotesteerd tegen het van toepassing verklaren van deze voorwaarden op de overeenkomst. Hoewel een handtekening van Spyfatec op deze factuur/koopovereenkomst ontbreekt, heeft te gelden dat niet in geschil is dat Spyfatec deze factuur/koopovereenkomst heeft ontvangen en ook aan de hand daarvan het aanbetalingsbedrag van € 30.000,00 heeft voldaan. De rechtbank is van oordeel dat Spyfatec met het voldoen van de aanbetaling, de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden stilzwijgend heeft aanvaard. En voor zover Spyfatec niet de wil heeft gehad om de algemene voorwaarden te aanvaarden, geldt dat [de gedaagde in conventie] , doordat Spyfatec geen nadere toelichting heeft gevraagd over deze toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en de aanbetaling heeft voldaan en daarmee uitvoering heeft gegeven aan deze koopovereenkomst, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Spyfatec instemde met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. De conclusie is dan ook dat ervan moet worden uitgegaan dat toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [de gedaagde in conventie] is overeengekomen.
6.13.
Dit heeft tot gevolg dat de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst (welke bevoegdheid van regelend recht is) tussen partijen is uitgesloten. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen van Spyfatec afwijst, nu die zien op de ontbinding en de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen (terugbetaling koopsom).
Spyfatec moet de proceskosten betalen
6.14.
Spyfatec is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde in conventie] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.111,00
6.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7.De beoordeling in (voorwaardelijke) reconventie

7.1.
De vaststelling dat Spyfatec contractspartij is van [de gedaagde in conventie] en het oordeel dat de koopovereenkomst niet kan worden ontbonden, leidt ertoe dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de vorderingen in reconventie onder I, II, III en V.
Spyfatec moet de restant koopsom betalen
7.2.
[de gedaagde in conventie] vordert onder I. de betaling van het openstaande bedrag van € 20.000,00. De vraag is of dit bedrag al verschuldigd is. Volgens [de gedaagde in conventie] hebben partijen afgesproken dat de betaling plaats zou vinden door een aanbetaling van € 30.000,00 en een restbetaling van
€ 100.000,00.
7.3.
Spyfatec betwist dit en voert aan dat een aanbetaling van 10 %, een betaling vóór levering van 70 % en een restbetaling van 20 % nadat de dieplader is getest en akkoord is bevonden, is afgesproken. Spyfatec verwijst hierbij naar een WhatsApp bericht van
3 oktober 2018 (zie 3.3)
7.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het WhatsApp bericht van 3 oktober 2018 volgt niet de door Spyfatec gestelde betalingsafspraak. Immers heeft [de gedaagde in conventie] in reactie daarop Spyfatec diezelfde dag gevraagd om haar te bellen, wat ook is gebeurd. Partijen verschillen van mening over wat er in dat telefoongesprek is afgesproken over de betaling. In ieder geval staat vast dat in de factuur is opgenomen dat betaling in twee termijnen zou geschieden, namelijk een aanbetaling van € 30.000,00 en een restbetaling van € 100.000,00. Gesteld noch gebleken is dat Spyfatec bij [de gedaagde in conventie] heeft geprotesteerd tegen deze in de factuur opgenomen betalingsafspraak. Integendeel, Spyfatec heeft juist bij de aanbetaling voldaan aan de afspraak zoals die is opgenomen op de factuur (betaling van
€ 30.000,00) in plaats van een aanbetaling te doen volgens de door haar gestelde betalingsafspraak, zijnde een aanbetaling van 10 % (€ 13.000,00). Daarna heeft Spyfatec dan wel USB de restbetaling beperkt tot een bedrag van € 80.000,00 en daarmee een bedrag van € 20.000,00 onbetaald gelaten. Dit openstaande bedrag komt ook niet overeen met de stelling van Spyfatec dat is afgesproken dat na correcte levering de resterende 20 % van de koopsom (€ 26.000,00) verschuldigd is. Het niet protesteren en het in eerste instantie voldoen aan de op de factuur opgenomen betalingsafspraak, zorgt ervoor dat, naar het oordeel van de rechtbank, [de gedaagde in conventie] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat partijen een betalingsafspraak van € 30.000,00 en € 100.000,00 zijn overeengekomen. Dat er een afspraak is gemaakt over het doen van een restbetaling nadat de dieplader zou zijn geleverd en getest is dan ook niet vast komen te staan.
7.5.
Dat er andere redenen zijn waarom Spyfatec het openstaande bedrag nog niet is verschuldigd, heeft Spyfatec in haar verweer tegen de reconventie niet of althans onvoldoende aangevoerd. Voor zover de in conventie gestelde gebreken aan de verschuldigdheid van de betaling van het restbedrag van € 20.000,00 in de weg zouden staan, merkt de rechtbank het volgende op. Zoals ter zitting is besproken, staat in het geheel niet vast dat deze gebreken aanwezig waren op het moment van de door [de gedaagde in conventie] beoogde levering (15 maart 2019). Immers heeft [de gedaagde in conventie] toegelicht dat zij de dieplader, voordat zij deze van de locatie van [bedrijf] naar haar eigen locatie heeft vervoerd, heeft gecontroleerd en waar nodig herstelwerkzaamheden aan de dieplader heeft verricht. Zij heeft daarmee aan alle veiligheidsaspecten voldaan voordat zij de dieplader heeft vervoerd, aldus [de gedaagde in conventie] . Dat [de gedaagde in conventie] de dieplader in de verkeerde kleuren zou hebben gespoten, heeft Spyfatec in het licht van de betwisting door [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd. [de gedaagde in conventie] heeft aangevoerd dat zij conform de door Spyfatec opgegeven kleurcodes het bovenstel in de RAL kleur 1007 en het chassis in de RAL kleur 7016 heeft laten spuiten. Deze kleuren komen overeen met de opdracht die Spyfatec in het bericht onder 3.6 heeft gegeven. De rechtbank wijst de vordering van [de gedaagde in conventie] tot betaling van een bedrag van € 20.000,00 toe. De gevorderde ingangsdatum van de wettelijke handelsrente is de datum waarop Spyfatec in de gelegenheid was om de dieplader op te halen en de laatste termijn te betalen. Spyfatec heeft geen verweer gevoerd hiertegen, zodat de rechtbank deze toewijst zoals gevorderd.
Spyfatec moet de dieplader ophalen
7.6.
[de gedaagde in conventie] vordert onder II de veroordeling van Spyfatec om de dieplader binnen veertien dagen na datum vonnis op te halen.
7.7.
Niet is in geschil dat de verplichting tot levering van [de gedaagde in conventie] inhoudt dat zij het mogelijk maakt dat Spyfatec de dieplader bij haar ophaalt.
7.8.
Het betreft hier een nakomingsvordering tot voldoening van de verplichtingen uit de koopovereenkomst, namelijk het ophalen van de dieplader. Spyfatec heeft op zichzelf in het kader van de tegenvordering geen omstandigheden aangevoerd waarom zij niet tot het ophalen van de dieplader zou kunnen worden verplicht. Zij heeft slechts aangevoerd dat zij hiervoor de goedkeuring voor toelating op de weg nodig heeft van de Tüv in Zwitserland. Ter zitting heeft Spyfatec verklaard dat uit de koopovereenkomst alleen de verplichting voor [de gedaagde in conventie] volgt om de dieplader in de staat te brengen dat deze veilig op de weg kan worden gebruikt en niet dat het voertuig daadwerkelijk in Zwitserland wordt toegelaten. Dat laatste ziet Spyfatec als haar eigen plicht. Hoewel ook van de zijde van [de gedaagde in conventie] is toegelicht dat de dieplader nu na zeven jaar stilstand gebreken vertoont, die ervoor zouden kunnen zorgen dat de dieplader in de staat waarin deze zich nu bevindt niet zal worden toegelaten tot de weg, is de rechtbank van oordeel dat dit voor rekening en risico van Spyfatec komt. Op het moment waarop [de gedaagde in conventie] heeft aangegeven dat de dieplader gereed was en kon worden opgehaald, heeft Spyfatec nagelaten om hieraan te voldoen. Dat was ook het moment geweest waarop Spyfatec kon controleren of de dieplader voldeed aan de verwachtingen die Spyfatec mocht hebben uit de koopovereenkomst. Spyfatec heeft vervolgens vijf jaar lang niet voldaan aan haar verplichting om de dieplader op te halen en uiteindelijk in 2024 onterecht een beroep gedaan op ontbinding. Hierdoor heeft Spyfatec de situatie dat de dieplader bij [de gedaagde in conventie] buiten is gestald in afwachting van levering laten voortduren. Dit leidt tot de conclusie dat de staat waarin de dieplader zich nu bevindt, voor rekening en risico van Spyfatec moet komen.
7.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is een termijn van veertien dagen voor het ophalen van de dieplader niet redelijk. Zowel de huidige staat van de dieplader en het feit dat Spyfatec in Zwitserland gevestigd is, maken het moeilijker om de dieplader op korte termijn op te halen. De rechtbank acht daarvoor een termijn van twee maanden na de datum van dit vonnis redelijk. De rechtbank ziet, gelet op de periode die inmiddels is verstreken, aanleiding om aan deze verbintenis een dwangsom te koppelen, zoals is gevorderd. Deze dwangsom zal worden vastgesteld en gemaximeerd als hierna vermeld.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
7.10.
Spyfatec verweert zich tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de tegenvordering en wijst daarbij op verstrekkende gevolgen bij toewijzingen daarvan. De rechtbank oordeelt dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar dat dit een omstandigheid is die moet worden meegewogen. De rechtbank acht echter het belang van [de gedaagde in conventie] dat er eindelijk een einde komt aan een situatie die al zeven jaar voortduurt, zwaarder wegen dan dit bezwaar van [de gedaagde in conventie] en wijst de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad toe.
Spyfatec moet de proceskosten betalen
7.11.
Spyfatec is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde in conventie] worden begroot op:
- salaris advocaat
2.051,00
(2 punten × factor 0,5 × € 2.051,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.199,00
7.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

8.De beslissing

De rechtbank
in conventie
8.1.
wijst de vorderingen van Spyfatec af,
8.2.
veroordeelt Spyfatec in de proceskosten van € 11.111,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
8.3.
veroordeelt Spyfatec tot betaling aan [de gedaagde in conventie] van een bedrag van € 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag van volledige betaling,
8.4.
veroordeelt Spyfatec om binnen twee maanden na de datum van dit vonnis de dieplader bij [de gedaagde in conventie] op te halen,
8.5.
veroordeelt Spyfatec tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag vanaf twee maanden na de datum van dit vonnis dat Spyfatec niet voldoet aan de veroordeling onder 8.4, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
8.6.
veroordeelt Spyfatec in de proceskosten van € 2.199,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
8.7.
veroordeelt Spyfatec tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als Spyfatec niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.8.
veroordeelt Spyfatec tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
8.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 8.2. tot en met 8.8. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
8.10.
wijst het meer of anders gevorderde af
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening)
2.Hoge Raad van 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0730
3.Hof Amsterdam 07-05-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1431