ECLI:NL:RBGEL:2026:5868

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
11697140 \ BR VERZ 25-910 \ 814
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet Algemeene BepalingenArt. 3:4 AwbArt. 5:46 AwbArt. 6 EVRMArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke matiging verkeersboete na overschrijding redelijke termijn en toetsing evenredigheidsbeginsel

Betrokkene werd een verkeersboete opgelegd wegens het rijden in strijd met een geslotenverklaring in Nijmegen op 18 januari 2024. Het beroep tegen deze boete werd behandeld op 7 juli 2026. De kantonrechter achtte de ambtsedige verklaring van de verbalisant voldoende en verwierp de betwisting van betrokkene.

Betrokkene voerde aan dat de algemene verhoging van de Wahv-boetes in 2024 onrechtmatig en disproportioneel was, omdat deze deels was ingegeven door budgettaire redenen. De rechtbank overwoog dat hoewel er valide argumenten zijn, de beoordeling van de hoogte van boetes een politieke afweging betreft die aan het parlement toekomt. De rechter mag niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen, conform art. 11 Wet Pro Algemeene Bepalingen.

Wel mag de rechter de boete toetsen aan de concrete omstandigheden van het geval, zoals ernst van de overtreding en financiële draagkracht. De redelijke termijn van twee jaar was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. De boete werd gewijzigd naar € 90,- exclusief administratiekosten. De officier van justitie werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 233,50.

De uitspraak bevestigt dat politieke controle over boetebeleid primair bij de Tweede Kamer ligt en dat rechterlijke toetsing terughoudend is, maar dat individuele boetes wel aan evenredigheid kunnen worden getoetst.

Uitkomst: De verkeersboete wordt gematigd naar € 90,- wegens overschrijding redelijke termijn, het beroep wordt gegrond verklaard en de proceskosten worden toegewezen aan betrokkene.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 11697140 \ BR VERZ 25-910 \ 814
cjib-nr / registratienr 265519772 / 024VZZ
zitting van 7 juli 2026
beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene]
wonende te [adres] [woonplaats]
betrokkene
gemachtigde mr. P. van den Aarsen, Verkeersboete.nl
tegen
de officier van justitie
Gronden voor de beslissing

1.De procedure

1.1
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
1.2
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen, op 18 januari 2024 om 12.52 uur, te Nijmegen, Waalkade.
1.3
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 7 juli 2026, alwaar zijn gehoord:
- [medewerker CVOM] namens het Parket CVOM;
- P. van den Aarsen namens betrokkene.

2.De beoordeling

2.1
In Wahv-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2.2
De kantonrechter heeft geen reden te twijfelen aan de - in het zaakoverzicht
weergegeven - bevindingen van de verbalisant. De enkele niet onderbouwde ontkenning van de gedraging, de betwisting van de bevoegdheid van de verbalisant en de gebruikte bewijsmiddelen is daarvoor onvoldoende. Naar het oordeel van de kantonrechter is de gedraging verricht en betrokkene hiervoor aansprakelijk.
Exceptieve evenredigheidstoetsing
2.3
Namens betrokkene is betoogd dat de algemene verhoging van de Wahv-boetebedragen in 2024 onrechtmatig was en de betreffende Algemene Maatregel van Bestuur onverbindend is wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het betrof een door de minister van justitie vastgestelde verhoging van de boetes met 10%, onderverdeeld in een verhoging van 5,7% vanwege de inflatie en een extra ‘beleidsmatige’ verhoging van 4,3% om de binnen het kabinet afgesproken bezuinigingstaakstelling van het ministerie te realiseren en aldus de departementale begroting sluitend te krijgen.
Daarbij is verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2026, waarin is geoordeeld dat de boeteverhoging in 2024 excessief was en onrechtmatig, waarbij een belangrijke rol speelde dat deze verhoging deels was ingegeven door budgettaire overwegingen van de minister. [1]
2.4
Er zijn veel valide argumenten aan te voeren voor dit verweer. Verkeersboetes zijn bedoeld om regelconform en veilig verkeersgedrag te bevorderen. Zij zijn niet bedoeld om budgettaire problemen van de minister op te lossen. Er is al jarenlang een steeds grotere disbalans tussen enerzijds de Wahv-boetes en anderzijds de OM-boetes voor andere verkeersovertredingen en de strafrechtelijke boetes voor commune, niet verkeer gerelateerde delicten. In de afgelopen jaren is hier keer op keer op gewezen, door het openbaar ministerie, de Raad van State, talloze – wetenschappelijke - publicaties en ook de Tweede Kamer. Dit is allemaal uitgebreid terug te lezen in de genoemde, uitvoerig gemotiveerde uitspraak van de Utrechtse kantonrechter, die leidt tot de conclusie:
“61. De noodzaak om de Wahv-boetes met ingang van 1 maart 2024 te verhogen, is niet goed gemotiveerd. Deze verhoging van de Wahv-boetes is bovendien onevenwichtig. De algemene maatregel van bestuur van 20 december 2023 die ten grondslag ligt aan deze verhoging, is in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb vastgelegde evenredigheidsbeginsel. De algemene maatregel van bestuur is daarom onverbindend.”
2.5
In het voetspoor daarvan heeft dezelfde kantonrechter hetzelfde geoordeeld over de daarop volgende boeteverhogingen in 2025. [2]
2.6
Tegelijkertijd hebben twee andere Utrechtse kantonrechters anders geoordeeld en de boeteverhogingen niet onverbindend geacht. [3]
2.7
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft eerder geoordeeld:
“9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.
10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.
11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.
12. … De financiële taakstelling van de overheid kan een factor zijn die een rol mag spelen bij de vaststelling van de hoogte van de sanctietarieven.” [4]
2.8
De kantonrechter sluit zich aan bij deze overweging. Het is in beginsel niet aan de rechter om de juistheid en evenredigheid van de hoogte van de verkeersboetes
in zijn algemeenheidte beoordelen, ook al is hier het nodige op af te dingen. Artikel 11 Wet Pro Algemeene Bepalingen luidt immers: “De regter moet volgens de wet regt spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.” Aangenomen moet worden dat dit algemene uitgangspunt van de trias politica ook geldt voor uitvoeringswetgeving als een AMvB. [5]
Zaakgebonden evenredigheidstoetsing
2.9
Dat neemt niet weg dat de rechter bij de beoordeling van de zaak wel de concrete omstandigheden van het geval mag en zelfs moet meewegen bij de beoordeling of het opgelegde boetebedrag redelijk is (artikel 5:46 Awb Pro). Daarbij kan gedacht worden aan de verminderde verwijtbaarheid van de gedraging, de beperkte ernst van de overtreding, de financiële draagkracht van betrokkene. Ook dat is een toepassing van het evenredigheidsbeginsel, hetgeen nog pregnanter is indien het betreft een wettelijk gefixeerde boete. [6] Deze omstandigheden kunnen in het concrete geval leiden tot matiging of zelfs nihil stelling van de boete, van welke mogelijkheid kantonrechters ook regelmatig gebruik maken. Dat de rechter in Wahv zaken de hoogte van deze boete zonder meer op basis van het evenredigheidsbeginsel mag toetsen aan de concrete omstandigheden van het geval als hiervoor geschetst, heeft het hof andermaal bevestigd in zijn uitspraak van 19 juni 2026. [7]
Politieke controle in plaats van rechterlijke controle
2.1
Er is veel af te dingen op de zich opstapelende verhogingen van de verkeersboetes, zeker wanneer die verhogingen steeds weer door de verantwoordelijke minister van justitie worden beargumenteerd en verdedigd met een verwijzing naar de begroting van haar/zijn ministerie, die wel sluitend moet zijn.
2.11
Dit is echter uiteindelijk een politieke afweging en het is daarmee aan het parlement als staatsrechtelijke controleur van de regering om de minister hier te corrigeren. De Tweede Kamer heeft meermalen kritische vragen gesteld en zelfs een motie aangenomen waarin de minister werd verzocht de verkeersboetes niet meer te laten stijgen om de gaten in de begroting te dichten en de ontstane disbalans tussen de verschillende boetes te corrigeren. De minister heeft die opvatting van de Kamer en de adviezen van het openbaar ministerie en de Raad van State telkens naast zich neergelegd en is de verkeersboetes ieder jaar blijven verhogen. [8]
2.12
Het is uiteindelijk aan het parlement om deze gang van zaken te accepteren of niet te accepteren (en in het verlengde daarvan: aan de kiezer bij de volgende parlementsverkiezingen). De vraag of een en ander acceptabel is, is in de kern een politieke afweging en kan daarom in het licht van de geldende regels van de scheiding der staatsmachten niet op de rechter worden afgewenteld.
Conclusie met betrekking tot de evenredigheidstoetsing
2.13
Het verweer tot exceptieve evenredigheidstoetsing wordt daarom verworpen.
2.14
Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel verwijst de kantonrechter naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juni 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:4078). De kantonrechter is niet gebleken dat de hoogte van het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag niet in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging.
De redelijke termijn
2.15
De redelijke termijn van twee jaar, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is overschreden. Gelet op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6369) wordt het sanctiebedrag met 25% gematigd.
De proceskosten
2.16.
Er zijn termen voor een proceskostenveroordeling.
De kantonrechter kent voor het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en verschijning ter zitting 1 punt per proceshandeling toe, met een wegingsfactor van 0,5 – licht -. Op grond van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv wordt, nu de beslissing van de officier van justitie dateert van na 1 januari 2024, een vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toegepast. De officier van justitie zal derhalve worden veroordeeld in de kosten tot een bedrag van
€ 233,50 (2 x € 934,- x 0,5 x 0,25).
Er zal daarom als volgt worden beslist.
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
-vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
-verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 90,-
(exclusief administratiekosten);
-bepaalt dat het CJIB de gestelde zekerheid gedeeltelijk aan betrokkene terugbetaalt;
-veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 233,50.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. F.J.H. Hovens, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer C.1.06, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op:

Voetnoten

1.Rb Midden-Nederland 30 juni 2026,
2.Rb Midden-Nederland 30 juni 2026,
3.Rb Midden-Nederland 3 juli 2026,
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 31 juli 2025,
5.HR 16 mei 1986,
6.AB RvS 24 september 2025,
7.Hof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2026,
8.Zie wederom de hiervoor vermelde uitspraak van de kantonrechter Midden-Nederland.