ECLI:NL:RBGEL:2026:5879

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
AWB-25_1038
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Wsf 2000Art. 6, eerste lid, aanhef en onder c, Bsf 2000Art. 9 Bsf 2000Art. 3.8-3.13 Wsf 2000Art. 1:395a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het betrekken van het vadersinkomen bij aanvullende beurs ondanks verstoorde ouderrelatie

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister om het inkomen van haar vader mee te nemen bij de vaststelling van haar aanvullende beurs. Zij stelt dat er geen wezenlijk contact is met haar vader en dat het inkomen van haar vader daarom buiten beschouwing moet worden gelaten.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3.14 Wsf 2000 en het Besluit studiefinanciering 2000 een langdurig ernstig verstoorde verhouding moet worden aangetoond met een verklaring van een deskundige. Uit de stukken blijkt dat eiseres recentelijk geen contact had met haar vader, maar onvoldoende is vastgesteld dat dit contact sinds haar twaalfde jaar volledig is verbroken.

De rechtbank wijst erop dat het systeem van studiefinanciering uitgaat van ouderlijke bijdrage en dat loskoppeling een uitzondering is die strikt wordt toegepast. Omdat eiseres niet is verschenen op de zitting en geen deskundigenverklaring heeft overgelegd, wordt het beroep ongegrond verklaard. De aanvullende beurs blijft ongewijzigd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1038

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO [1] ), de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van (de hoogte van) de aanvullende beurs van eiseres. Eiseres is het er niet mee eens dat de minister het inkomen van haar vader meeneemt bij de vaststelling van haar aanvullende beurs. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht het inkomen van de vader van eiseres heeft betrokken bij de vaststelling van de aanvullende beurs. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 5 november 2024 is de aanvullende beurs van eiseres opnieuw vastgesteld. Met het bestreden besluit van 17 januari 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiseres heeft op 14 juni 2024 studiefinanciering aangevraagd. Met het besluit van 14 juni 2024 is aan eiseres studiefinanciering in de vorm van een aanvullende beurs toegekend.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 5 november 2024 is de aanvullende beurs van eiseres voor de periode januari tot en met december 2025 naar beneden bijgesteld.
4.1.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De hoogte van de aanvullende beurs verandert niet. DUO [2] berekent een ouderbijdrage op basis van het inkomen van de ouders van eiseres van twee jaar geleden (het peiljaar). Deze inkomensgegevens ontvangt DUO van de Belastingdienst. Vervolgens brengt DUO de ouderenbijdrage in mindering op de maximale aanvullende beurs. Eerst is de aanvullend beurs berekend naar de voorlopige opgave. De Belastingdienst heeft daarna een hoger inkomen van de vader van eiseres doorgegeven. Hierdoor is de aanvullende beurs lager vastgesteld.
4.2.
Eiseres geeft aan dat zij geen contact meer heeft met haar vader en dat hij geen onderdeel uitmaakt van haar leven. Daarom wil eiseres dat haar aanvullende beurs wordt berekend met (enkel) het inkomen van haar moeder. In sommige gevallen is het mogelijk om het inkomen van een ouder buiten beschouwing te laten. Eiseres kan daartoe een verzoek indienen. Op dit moment is de aanvullende beurs van eiseres correct berekend, aan de hand van de gegevens van beide ouders.
Is het inkomen van de vader van eiseres (on)terecht meegenomen?
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het inkomen van de vader van eiseres terecht betrokken bij de vaststelling van de aanvullende beurs. De rechtbank legt dit hieronder uit.
Loskoppeling wegens geen wezenlijk contact
6. Op grond van artikel 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan de minister op aanvraag het inkomen van een ouder loskoppelen bij de berekening van een aanvullende beurs, indien sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen die ouder en de student of van onvindbaarheid van die ouder.
6.1.
Er is sprake van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en student in de zin van artikel 3.14 van de Wsf 2000 en de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder c, en 9 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) als de student vanaf de maand waarin hij de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overgelegd.
6.2.
De Wsf 2000 heeft met het bepaalde in de artikelen 3.8 tot en met 3.13 als uitgangspunt dat de aanspraak op een aanvullende beurs afhankelijk is van een, op basis van het ouderlijk inkomen berekende, veronderstelde ouderlijke bijdrage. Met de loskoppeling wordt afgeweken van dit fundamenteel wettelijke uitgangspunt van ouderafhankelijkheid en ouderverantwoordelijkheid voor de aanspraken op een aanvullende beurs (met uitzondering van de juridisch afdwingbare onderhoudsverplichting op grond van artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek tot het bereiken van de leeftijd van 21 jaar, ingevolge het bepaalde in artikel 12 van Pro het Bsf 2000).
6.3.
Gelet op de bedoeling van de wetgever, zoals deze uit de ontstaansgeschiedenis van de voorwaarde van geen (wezenlijk) contact kan worden afgeleid, en in aanmerking genomen het onder 6.2 geschetste systeem van de wet, is voldaan aan de loskoppelingsgrond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 9 van Pro het Bsf 2000 als het contact duurzaam, vanaf ten minste het twaalfde jaar, verbroken is. Indien er nog (enig) contact tussen ouder en kind plaatsvindt, ook als dit contact oppervlakkig van aard is, dan is sprake van wezenlijk contact in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 9 van Pro het Bsf 2000. [3] Wezenlijk contact in de zin van deze loskoppelingsgrond is dan ook niet hetzelfde als wat daaronder naar heersende maatschappelijke opvattingen wordt verstaan. [4]
Beoordeling door de rechtbank
7. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval onvoldoende komen vast te staan dat voldaan is aan de voorwaarde van geen wezenlijk contact in de zin van het Bsf 2000. Daartoe wordt het volgende overwogen.
7.1.
Zoals gezegd ligt de lat voor loskoppeling heel hoog. Uit de stukken die eiseres heeft opgestuurd blijkt dat zij middels een UHA [5] -traject heeft gewerkt aan contactherstel met haar vader, dat dit traject uiteindelijk als niet geslaagd is afgesloten en dat eiseres en haar vader niet wensen om verdere stappen te ondernemen. Hoewel uit de stukken blijkt dat eiseres in 2023 geen contact had met haar vader en de rechtbank het op basis van deze stukken ook aannemelijk acht dat eiseres in de periode daar direct aan voorafgaand geen contact had met haar vader, blijkt uit die stukken niet dat zij vanaf haar twaalfde verjaardag geen contact meer heeft gehad met haar vader. Of sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen eiseres en haar vader vanaf haar twaalfde verjaardag is op basis van deze stukken niet vast te stellen. In die zin is het spijtig dat eiseres, zonder voorafgaand bericht, niet tijdens de zitting is verschenen. Daarnaast ontbreekt er een verklaring van een ter zake een deskundige. Uit overweging 6.1 en de aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2024 (noot 2) blijkt dat die verklaring noodzakelijk is voor de toekenning van een loskoppelingsverzoek. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Nieuwe aanvraag
8. Zoals al door de gemachtigde van de minister bij het bestreden besluit en het verweerschrift naar voren is gebracht, wil de rechtbank eiseres op het hart drukken om een nieuwe aanvraag in te dienen bij DUO. De rechtbank wijst daarbij op artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Bsf 2000, waaruit volgt dat een aanvraag om loskoppeling niet in behandeling wordt genomen indien deze betrekking heeft op een periode die meer dan twee jaar voor het moment van aanvragen ligt. Met andere woorden: eiseres moet uiterlijk binnen twee jaar, na het begin van de periode waarvoor zij loskoppeling wenst, een aanvraag indienen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. De aanvullende beurs van eiseres over de periode januari tot en met december 2025 verandert niet. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dienst Uitvoering Onderwijs.
2.Dienst Uitvoering Onderwijs.
3.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3542 en 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:981.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1439.
5.Uniform Hulpaanbod vanuit de rechtbank.