ECLI:NL:RBGEL:2026:5956

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/05/457177
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:82 BWArt. 6:96 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging boete bij ontbinding koopwoning wegens financieringsvoorbehoud

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de koper van een woning terecht een beroep deed op het financieringsvoorbehoud in de koopovereenkomst. De koper stelde dat hij de overeenkomst mocht ontbinden omdat hij geen hypothecaire lening tijdig had verkregen, terwijl de verkoper dit betwistte en betaling van een contractuele boete vorderde.

De rechtbank oordeelde dat de koper niet voldeed aan zijn inspannings- en documentatieverplichtingen om tijdig financiering te verkrijgen. De koper had geen afwijzingsbrief van de bank overgelegd binnen de gestelde termijn en de stukken die hij aanvoerde waren onvoldoende duidelijk en te laat. Hierdoor faalde het beroep op het financieringsvoorbehoud en werd de koopovereenkomst ontbonden door de verkoper wegens tekortkoming van de koper.

De koper was daardoor een boete van 10% van de koopsom verschuldigd, maar de rechtbank matigde deze boete tot €20.000 vanwege de verhouding tussen schade en boete, de omstandigheden waaronder het beding werd ingeroepen en het belang van rechtszekerheid. Daarnaast werd de koper veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten.

In reconventie vorderde de koper terugbetaling van een contante betaling van €10.000 die onderdeel was van de afspraken over de koop. De rechtbank kende deze terugbetaling toe met wettelijke rente vanaf het vonnis. De vorderingen tot opheffing van het beslag werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het beroep op het financieringsvoorbehoud faalt, de koopovereenkomst wordt ontbonden door de verkoper, de boete wordt gematigd tot €20.000 en de contante betaling van €10.000 wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/457177 / HA ZA 25-392
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de eiser in conventie] ,
advocaat: mr. C.P. Bean,
tegen

1.[naam gedaagde in conventie 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde in conventie 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [de gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. A.M. Smetsers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026;
- het verslag (verkort proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 22 juni 2026.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De zaak in het kort

2.1.
[de eiser in conventie] heeft een woning verkocht aan [de gedaagde in conventie] In de koopovereenkomst is een financieringsvoorbehoud opgenomen. De vraag is of [de gedaagde in conventie] dit voorbehoud rechtsgeldig heeft ingeroepen. [de eiser in conventie] vindt van niet en vordert in conventie (onder meer) betaling van een contractuele boete van € 72.500,00. [de gedaagde in conventie] vindt van wel en vordert in reconventie terugbetaling van een contante betaling van € 10.000,00.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [de gedaagde in conventie] op het financieringsvoorbehoud niet slaagt. Dit betekent dat niet [de gedaagde in conventie] maar [de eiser in conventie] de koopovereenkomst heeft ontbonden en [de gedaagde in conventie] een boete moet betalen. De rechtbank matigt deze boete tot € 20.000,00. In reconventie wordt [de eiser in conventie] veroordeeld tot terugbetaling van de voornoemde € 10.000,00. De rechtbank legt hierna uit waarom.

3.De beoordeling

in conventie
3.1.
De rechtbank moet eerst beoordelen of [de gedaagde in conventie] de koopovereenkomst heeft ontbonden met een beroep op het financieringsvoorbehoud. Het gaat om een ontbindende voorwaarde, zodat het aan [de gedaagde in conventie] is om goed uit te leggen en te onderbouwen dat hij terecht een beroep op het financieringsvoorbehoud heeft gedaan.
De overeenkomst is niet ontbonden door [de gedaagde in conventie]
3.2.
In de koopovereenkomst staat het volgende. De koopovereenkomst kan worden ontbonden indien de koper uiterlijk op 17 juli 2025 geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening voor € 380.000,00 heeft verkregen (artikel 15 lid Pro 1). Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen om de hierboven bedoelde financiering te verkrijgen. De mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, dient goed gedocumenteerd te geschieden. Onder ‘goed gedocumenteerd’ wordt verstaan dat één afwijzing van een erkende geldverstrekkende bankinstelling dient te worden overgelegd. In aanvulling hierop komen partijen overeen dat koper de volgende stuk(ken) dient over te leggen om te voldoen aan het vereiste van ‘goed gedocumenteerd’: een afwijzingsbrief van de geldverstrekkende instelling waarin ten minste het onderpand, de personalia van de aanvrager(s) en de aan te vragen hypotheeksom zijn opgenomen (artikel 15 lid Pro 3).
3.3.
Het is vaste rechtspraak dat de achtergrond van deze documentatieplicht is dat de verkoper moet kunnen beoordelen of door de koper terecht een beroep wordt gedaan op het financieringsvoorbehoud en of dit beroep niet lichtvaardig wordt gedaan. De koper heeft namelijk ook een inspanningsverplichting om een financiering te krijgen. De koper krijgt weliswaar de tijd om financiering te verkrijgen, maar hij mag niet stilzitten en moet serieus proberen om financiering te krijgen. De documentatieplicht strekt er mede toe om te kunnen beoordelen of de koper aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. De documentatieverplichting ligt in het verlengde hiervan en heeft een bewijsfunctie.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde in conventie 1] op 17 juli 2025 een e-mail heeft gestuurd aan de verkoopmakelaar. Hierin staat dat, ondanks dat de financieringsaanvraag nog in behandeling is en er concreet zicht is op een positieve afronding, het proces helaas niet tijdig is afgerond binnen de gestelde termijn. Aangezien het verzoek tot verlenging van het financieringsvoorbehoud niet is geaccepteerd, is [gedaagde in conventie 1] genoodzaakt de koopovereenkomst te ontbinden op grond van het financieringsvoorbehoud, aldus de e-mail. Op 18 juli 2025 heeft [gedaagde in conventie 1] nog een e-mail gestuurd. Hierin zegt [gedaagde in conventie 1] een ‘officiële afwijzing van de bank’ van een hypotheekaanvraag van € 459.000,00 toe te sturen. Onder deze e-mail staat een e-mail van de financieel adviseur van [de gedaagde in conventie] Deze e-mail luidt als volgt:
“Helaas heeft ook Florius de hypotheekaanvraag van € 459.000,00 afgewezen.
Wij hebben de financieringsaanvraag bij vier verstrekkers getracht rond te krijgen, dat is helaas bij alle vier mislukt.
Reden van afwijzing is dat jouw zakelijke inkomen niet toereikend is. De banken kijken naar het gemiddelde van drie jaar.
Op basis van dat inkomen is een hypotheek van € 459.000,00 niet haalbaar.
Bijgaand de HDN-aanvraag en bevestiging dat de hypotheek niet past volgens Florius.”
3.5.
De financieel adviseur van [de gedaagde in conventie] schrijft wel dat de aanvraag is afgewezen door Florius, maar bij de e-mails van [de gedaagde in conventie] is geen afwijzingsbrief van Florius gevoegd. Er is wel een document ‘7. Samenvatting’ met als opschrift ‘Hypotheekaanvraag – Florius Hypotheken’ en datumstempel ‘18-07-2025, 16:24’ toegestuurd. Hierin staat dat de maandlast van de hypotheek € 2.302,91 is en de maximale maandlast op basis van inkomen € 2.247,29. Dat dit berust op een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag en moet worden gezien als een uitdrukkelijke afwijzing van de aanvraag door Florius heeft [de gedaagde in conventie] tegenover de betwisting door [de eiser in conventie] onvoldoende toegelicht. Het lijkt, zoals [de eiser in conventie] aanvoert, slechts te gaan om een (samenvatting van de) aanvraag die, zoals [gedaagde in conventie 1] tijdens de zitting heeft bevestigd, op 18 juli 2025 is gedaan en daarmee te laat, nu [de gedaagde in conventie] zich moest inspannen om uiterlijk op 17 juli 2025 financiering te krijgen. Weliswaar heeft [de gedaagde in conventie] gevraagd om verlenging van de termijn maar dat verzoek heeft [de eiser in conventie] afgewezen.
3.6.
Nu geen afwijzingsbrief van Florius is overgelegd waaruit blijkt dat een aanvraag uiterlijk op 17 juli 2025 is afgewezen (en, in het kort, waarom), is niet voldaan aan het vereiste van een ‘goed gedocumenteerde’ mededeling. Dit wordt niet anders als in aanmerking wordt genomen dat [de gedaagde in conventie] tevens de HDN-aanvraag met daarin het onderpand, de personalia van de aanvragers en de hypotheeksom heeft toegestuurd aan de verkoopmakelaar. De verschillende e-mails scheppen namelijk te veel onduidelijkheid over de inspanningen die [de gedaagde in conventie] heeft verricht. In de e-mail van 17 juli 2025 wordt gesproken over een aanvraag die nog in behandeling is, maar welke aanvraag dat is, staat er niet in en heeft [de gedaagde in conventie] ook niet gesteld. In elk geval niet de aanvraag bij Florius, want die is pas op 18 juli 2025 ingediend. De e-mail van 18 juli 2025 noemt een afwijzing van Florius, maar die is niet bijgevoegd. En de e-mail van de financieel adviseur van [de gedaagde in conventie] benoemt vier aanvragen, maar wanneer die zijn ingediend, bij welke geldverstrekker en voor welk bedrag is niet duidelijk. Hiervan zijn geen stukken overgelegd, ook niet in deze procedure. Dat [de eiser in conventie] uit de wel overgelegde stukken heeft kunnen opmaken dat [de gedaagde in conventie] zich voldoende heeft ingespannen om (tijdig) financiering te verkrijgen, kan dan niet worden geconcludeerd.
3.7.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde in conventie 1] verteld dat hij wachtte op Overviewz, die zijn inkomen als ondernemer moest bepalen. Aanvragen worden direct afgewezen als je inkomen niet is vastgesteld door Overviewz. De e-mail van Overviewz kwam kort na het verstrijken van de termijn binnen en heeft ertoe geleid dat ING op 6 augustus 2025 alsnog een offerte voor een hypothecaire geldlening heeft verstrekt. In juni en juli zijn de cijfers van het vorige jaar nog niet bekend. Op basis van de cijfers van de drie jaren daarvoor was het niet voldoende, maar met het huidige jaar erbij was het wel voldoende, en daarom heeft ING de aanvraag wel goedgekeurd, aldus [de gedaagde in conventie] De rechtbank stelt echter vast dat [de gedaagde in conventie] hierover niets heeft gezegd tegen [de eiser in conventie] op 17 of 18 juli 2025. De stukken van het traject bij Overviewz zijn bovendien niet overgelegd, ook niet in deze procedure.
3.8.
Al met al is onvoldoende onderbouwd welke inspanningen [de gedaagde in conventie] in de periode tussen het aangaan van de koopovereenkomst op 23 april 2025 en 17 juli 2025 heeft verricht om financiering te verkrijgen. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat [de gedaagde in conventie] , al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om tijdig financiering te krijgen, en moet worden geoordeeld dat [de gedaagde in conventie] niet aan zijn documentatie- en inspanningsverplichtingen heeft voldaan. Het beroep op het financieringsvoorbehoud slaagt daarom niet.
3.9.
Gelet op dit oordeel kan in het midden blijven of de koopovereenkomst is aangegaan onder invloed van wederzijdse dwaling, zoals [de gedaagde in conventie] stelt. Volgens [de gedaagde in conventie] is een financieringsvoorbehoud voor een bedrag van € 500.000,00 overeengekomen, terwijl een bedrag van € 380.000,00 is opgenomen in de koopovereenkomst, zodat beide partijen zijn uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken. [de gedaagde in conventie] wil daarom dat de rechtbank, in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst wijzigt op de voet van artikel 6:230 lid 2 BW Pro. Dit door de koopovereenkomst zo te wijzigen dat in artikel 15.1 het overeengekomen bedrag van € 500.000,00 wordt opgenomen. Bij de beoordeling van dit verweer heeft [de gedaagde in conventie] evenwel geen belang, omdat de hoogte van het bedrag van het financieringsvoorbehoud in artikel 15.1 niet redengevend is voor de conclusie dat hij niet aan zijn inspannings- en documentatieverplichting heeft voldaan. Met andere woorden: ook als er een bedrag van € 500.000,00 in de overeenkomst wordt gelezen, is de conclusie dat zijn beroep op het financieringsvoorbehoud niet kan slagen.
De overeenkomst is ontbonden door [de eiser in conventie]
3.10.
Het voorgaande betekent dat [de gedaagde in conventie] de koopovereenkomst moest nakomen. Niet betwist is dat [de gedaagde in conventie] niet uiterlijk op 24 juli 2025 een bankgarantie heeft gesteld en geen medewerking heeft verleend aan de levering van de woning op die dag. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of op 24 juli 2025 (al) sprake was van een tekortkoming die [de eiser in conventie] – na ingebrekestelling – de bevoegdheid gaf om de overeenkomst te ontbinden.
3.11.
In artikel 11.1 van de koopovereenkomst staat dat, indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van zijn verplichtingen, de wederpartij de koopovereenkomst kan ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring. In artikel 11.2 staat dat ontbinding op grond van tekortkoming slechts mogelijk is na voorafgaande ingebrekestelling.
3.12.
[de gedaagde in conventie] is bij e-mail van de verkoopmakelaar van 24 juli 2025 om 18:05 uur in gebreke gesteld en de koopovereenkomst is vervolgens ontbonden bij brief van de verkoopmakelaar van 2 augustus 2025. Volgens [de gedaagde in conventie] is dat te vroeg, omdat hij op
24 juli 2025 nog de hele dag een bankgarantie kon stellen en medewerking kon verlenen aan levering. Dit betekent, gelet op artikel 11.1, dat [de eiser in conventie] pas op 25 juli 2025 in gebreke kon stellen en pas op 3 augustus 2025 kon ontbinden, aldus [de gedaagde in conventie]
3.13.
De rechtbank oordeelt anders. Er is geen enkele aanwijzing dat [de gedaagde in conventie] in de avond van 24 juli 2025 alsnog zou zijn nagekomen, integendeel. [de eiser in conventie] wijst namelijk terecht op de brief van de advocaat van [de gedaagde in conventie] van 22 juli 2025. Hierin staat dat hij de overeenkomst tijdig heeft ontbonden op basis van het financieringsvoorbehoud en dat de verplichting tot levering is vervallen en dat het [de eiser in conventie] vrij staat om de woning aan een derde te verkopen. In deze brief staat verder dat [de eiser in conventie] het bedrag van € 10.000,00 per omgaande moet terugbetalen (zie hierna in overweging 3.25) en wordt [de eiser in conventie] succes gewenst bij de verkoop van zijn woning. Deze brief kan slechts op één manier worden gelezen: [de gedaagde in conventie] voelt zich niet meer gebonden aan de overeenkomst en zal dus niet (tijdig) aan zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst voldoen.
3.14.
Hiermee bestond grond voor ingebrekestelling op grond van artikel 11.1 en 11.2 van de koopovereenkomst, zodat noch de ingebrekestelling noch de ontbinding prematuur waren. Het beroep van [de gedaagde in conventie] op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] gaat niet op. In die zaak oordeelde het hof dat de koopovereenkomst niet kon worden ontbonden zonder voorafgaande ingebrekestelling. In deze zaak gaat het om de vraag
wanneerin gebreke kan worden gesteld. Een redelijke uitleg van artikel 11.1 en 11.2 van de koopovereenkomst brengt mee dat dit ook kan wanneer vaststaat dat de koper zijn medewerking aan de uitvoering van de koopovereenkomst staakt.
[de gedaagde in conventie] moet een boete van € 20.000,00 betalen
3.15.
Vast staat dat [de gedaagde in conventie] in de acht dagen van artikel 11.1 niet alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Dit betekent dat [de eiser in conventie] de koopovereenkomst heeft kunnen ontbinden en dat [de gedaagde in conventie] daarom in beginsel een boete van 10% van de koopsom moet betalen. [de eiser in conventie] vordert op grond hiervan dat [de gedaagde in conventie] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van € 72.500,00. [de gedaagde in conventie] wil dat de boete wordt gematigd. De rechtbank zal de boete matigen tot een bedrag van € 20.000,00 en zal hierna uitleggen waarom.
3.16.
In de wet staat dat de rechter een boete kan matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. [2] De rechter moet daarbij terughoudend zijn. De toepassing van een boetebeding moet in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leiden. De rechter moet letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete. Ook zijn de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen, van belang. [3] Dit alles geldt ook bij de matiging van de 10%-boete uit de NVM-akte. [4]
3.17.
Tijdens de zitting heeft [de eiser in conventie] erkend dat hij de woning intussen voor € 760.000,00 heeft verkocht en dat de woning op 12 juni 2026 is overgedragen. Dit is € 35.000,00 althans € 25.000,00 meer dan de koopsom die [de gedaagde in conventie] zou betalen van € 725.000,00 althans
€ 735.000,00 als de contant betaalde € 10.000,00 wordt meegeteld (zie hierna in overweging 3.25). Tijdens de zitting heeft [de eiser in conventie] verder verteld dat zijn schade bestaat uit dubbele kosten (makelaar, notaris, hypotheek) omdat de woning bijna een jaar langer op zijn naam stond en een tweede keer moest worden verkocht. Over de omvang van deze kosten heeft [de eiser in conventie] echter niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom, gelet op het soort kosten en de periode waarin deze kosten zouden zijn gemaakt, van uit dat de extra kosten ruimschoots zijn gecompenseerd door de extra verkoopopbrengst.
3.18.
Uitgangspunt is reeds daarom dat er een wanverhouding bestaat tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete. Maar niet al het nadeel van [de eiser in conventie] is op geld te waarderen. Tijdens de zitting heeft hij verteld dat hij in onzekerheid verkeerde, omdat hij niet wist of hij de woning nog moest leveren aan [de gedaagde in conventie] dan wel vrij was om de woning aan iemand anders te verkopen. In de tussentijd stond de woning bijna een jaar leeg.
3.19.
Hiertegenover is belangrijk dat [de gedaagde in conventie] heeft laten zien dat hij de woning daadwerkelijk wilde kopen. Hij heeft uiteindelijk (maar te laat) financiering verkregen bij ING op 6 augustus 2025. Vervolgens heeft hij bij brief van 7 augustus 2025 aangeboden aan [de eiser in conventie] om een nieuwe koopovereenkomst te sluiten onder dezelfde voorwaarden (behalve het financieringsvoorbehoud) en de woning begin of half september af te nemen. En bij brief van 14 augustus 2025 is daaraan toegevoegd een voorstel tot betaling van € 7.000,00 bovenop de koopsom. [de eiser in conventie] heeft deze voorstellen afgewezen. Dat stond hem vrij, maar hiermee had [de eiser in conventie] , die niet heeft onderbouwd dat zijn schade toen (al) groter dan € 7.000,00 was, de voornoemde periode van onzekerheid en extra kosten aanzienlijk kunnen beperken.
3.20.
De rechtbank neemt tot slot in aanmerking dat het boetebeding één bedrag omvat voor vele, mogelijk sterk uiteenlopende, tekortkomingen. Niet is aangevoerd dat partijen voorafgaand aan de ondertekening van de koopovereenkomst over de gevolgen van het boetebeding hebben gesproken of zelfs onderhandeld. Het gaat om particulieren voor wie een boete van € 72.500,00 een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigt.
3.21.
Gelet op de voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank gronden om de boete te matigen tot een bedrag van € 20.000,00. Voor een matiging tot nihil, zoals [de gedaagde in conventie] heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. Het boetebeding is immers onderdeel van de modelkoopovereenkomst van de NVM. Van deze overeenkomst wordt veelvuldig gebruikgemaakt, zodat het boetebeding mede de rechtszekerheid dient. [5] Het beding is niet alleen gericht op schadefixatie maar ook op het prikkelen van partijen tot nakoming van hun verplichtingen. Een (te vergaande) matiging van de boete zou de functie van deze bepaling, ook voor toekomstige koopovereenkomsten met eenzelfde beding, te veel uithollen. Dit is in strijd met de rechtszekerheid.
De wettelijke rente
3.22.
De wettelijke rente is, zoals is gevorderd, toewijsbaar vanaf 17 augustus 2025. [de eiser in conventie] heeft namelijk onbetwist gesteld dat [de gedaagde in conventie] niet heeft voldaan aan een sommatie om de boete uiterlijk op 16 augustus 2025 te betalen, zodat [de gedaagde in conventie] in verzuim was. [6]
De buitengerechtelijke incassokosten
3.23.
[de eiser in conventie] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.815,00. Aan de wettelijke eisen voor deze vergoeding is voldaan. [7] De rechtbank zal de gevorderde vergoeding toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij het toewijsbare gedeelte van de hoofdsom. Dit betekent dat een bedrag van € 975,00 zal worden toegewezen.
De beslagkosten
3.24.
[de eiser in conventie] vordert een veroordeling tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is, gelet op wat hierover in de wet staat, [8] toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op
€ 361,50 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 653,00 voor salaris advocaat (1 punt x € 653,00), totaal € 1.345,50.
in reconventie
[de eiser in conventie] moet € 10.000,00 terugbetalen
3.25.
In reconventie vordert [de gedaagde in conventie] dat [de eiser in conventie] wordt veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 10.000,00. Volgens [de gedaagde in conventie] heeft hij dit bedrag contant betaald in ruil voor enig respijt indien [de gedaagde in conventie] de financiering niet tijdig rond zou krijgen. [de eiser in conventie] erkent dat hij dit bedrag heeft ontvangen. Maar volgens hem is dit bedrag betaald zodat [de eiser in conventie] de woning aan [de gedaagde in conventie] zou verkopen, aangezien er meerdere geïnteresseerden waren, in ruil voor exclusiviteit gedurende de onderhandelingen dus. De rechtbank kan in het midden laten waarom en waarvoor [de gedaagde in conventie] dit bedrag contant heeft betaald. Tijdens de zitting heeft [gedaagde in conventie 1] namelijk verteld dat er eerst een bod van € 732.500,00 is gedaan, dat dit is verhoogd naar € 735.000,00 en dat hiervan € 10.000,00 contant is betaald. [de eiser in conventie] heeft deze gang van zaken niet betwist. Uit een e-mail van 11 april 2025 blijkt inderdaad ook dat [de gedaagde in conventie] een bod van € 732.500,00 heeft gedaan, terwijl in de koopovereenkomst een koopsom van
€ 725.000,00 is opgenomen. Op basis hiervan staat vast dat de contante betaling onderdeel was van de afspraken die partijen hebben gemaakt over de koop van de woning. De koopovereenkomst is ontbonden door [de eiser in conventie] en dan volgt uit de wet dat [de gedaagde in conventie] zijn geld terugkrijgt. [9] Wat partijen verder hebben aangevoerd in dit kader behoeft daarom geen bespreking. De vordering van [de gedaagde in conventie] zal in zoverre worden toegewezen.
3.26.
Over de wettelijke rente stelt [de gedaagde in conventie] weliswaar dat het bedrag van € 10.000,00 is betaald op 15 april 2025 en dat hij restitutie verlangde op 22 juli 2025, maar niet vanaf wanneer [de eiser in conventie] in verzuim zou zijn met de terugbetaling. De wettelijke rente is daarom, conform de meer subsidiaire vordering, toewijsbaar vanaf de dag van dit vonnis.
Het beslag wordt niet opgeheven
3.27.
Verder heeft [de gedaagde in conventie] in reconventie gevorderd dat het conservatoir beslag op zijn woning wordt opgeheven althans dat [de eiser in conventie] wordt veroordeeld tot opheffing hiervan, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Deze vordering wordt, gelet op wat in conventie is overwogen, afgewezen. Hierbij is van belang dat [de gedaagde in conventie] niet heeft toegelicht dat zijn belang bij opheffing zwaarder weegt dan dat van [de eiser in conventie] bij handhaving van het beslag.
in conventie en reconventie
3.28.
Partijen krijgen (in conventie en reconventie) over en weer op enkele punten ongelijk. De proceskosten worden daarom gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en geen vergoeding hoeft te betalen aan de andere partij.
3.29.
De veroordeling zal deels hoofdelijk worden uitgesproken. Dit betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3.30.
De veroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat dit vonnis meteen ten uitvoer kan worden gelegd, ook als een van partijen hoger beroep instelt en de zaak aan het gerechtshof voorlegt.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 975,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] in de beslagkosten tot op heden vastgesteld op € 1.345,50,
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
4.6.
veroordeelt [de eiser in conventie] om aan [de gedaagde in conventie] te betalen een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van de dag van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,
4.7.
verklaart de beslissing in 4.6 uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in conventie en reconventie
4.9.
compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op
22 juli 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8272.
2.Artikel 6:94 lid 1 BW Pro.
3.Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:207.
4.Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986.
5.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:10543.
6.Artikel 6:119 BW Pro, artikel 6:82 BW Pro en Hoge Raad 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127.
7.Artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
8.Artikel 706 Rv Pro.
9.Artikel 6:271 BW Pro.