ECLI:NL:RBGEL:2026:5992

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
464224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:29 BWArt. 4:30 BWArt. 4:31 BWArt. 4:147 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning nalatenschap en verjaring vruchtgebruik echtgenote

De zaak betreft een kort geding over de ontruiming van de woning behorende tot de nalatenschap van de overleden erflater. De echtgenote, die tevens zorgverlener was en executeur, werd door de Hoge Raad niet langer als erfgenaam erkend vanwege verboden begunstiging. Na haar ontslag als executeur is een vervangend executeur benoemd die de ontruiming vordert.

De echtgenote vordert in reconventie een recht van vruchtgebruik op de woning, gebaseerd op wettelijke bepalingen voor echtgenoten die niet als erfgenaam zijn aangewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit recht verjaard is omdat zij nooit tijdig een rechtsvordering tot vestiging van vruchtgebruik heeft ingesteld.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de echtgenote af en veroordeelt haar om uiterlijk 15 juli 2026 de woning te ontruimen en medewerking te verlenen aan verkoop. Tevens wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De vorderingen van de executeur worden grotendeels toegewezen, met uitzondering van het opleggen van dwangsommen, gezien de toezeggingen van de echtgenote.

Uitkomst: De echtgenote wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning uiterlijk 15 juli 2026 en haar beroep op vruchtgebruik wordt afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/464224 / KZ ZA 26-31
Vonnis in kort geding van 1 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij]in diens hoedanigheid van executeur/afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van de op [sterfdatum] overleden [erflater] ,
kantoorhoudende te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. S.J. Kerbusch,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16 van [eisende partij]
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 19 van [gedaagde]
- de aanvullende producties 17 tot en met 20 van [eisende partij]
- de aanvullende producties 20 tot en met 22 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026
- de pleitnota van [eisende partij]
- de pleitnota van [gedaagde]
- de aanhouding ten behoeve van overleg tussen partijen
- het verzoek van [eisende partij] om vonnis te wijzen met een wijziging van eis.

2.De feiten

2.1.
Op 17 augustus 2019 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater was de vader van [zoon] en [dochter] . Erflater was in eerste echt gehuwd met mevrouw [naam] , de moeder van [zoon] en [dochter] . Zij is overleden op [sterfdatum] .
2.2.
Tussen 2 januari 2015 en eind maart 2015 heeft erflater een relatie gekregen met [gedaagde] . Zij was op dat moment werkzaam als zorgverlener bij thuiszorgorganisatie Icare. [gedaagde] heeft in ieder geval vanaf 15 oktober 2014 als zorgverlener van Icare zorg verleend aan erflater.
2.3.
Eind maart 2025 heeft erflater de zorgrelatie met Icare beëindigd. In de loop van april 2015 is [gedaagde] door Icare ontslagen naar aanleiding van een melding van [zoon] en [dochter] dat zij een relatie was aangegaan met erflater. Na haar ontslag heeft [gedaagde] de zorg voor erflater geheel op zich genomen.
2.4.
Op 9 juni 2015 heeft [gedaagde] zich ingeschreven op het adres van erflater aan het [adres] in [woonplaats] .
2.5.
Erflater heeft bij testament van 17 december 2015 over zijn nalatenschap beschikt. In zijn testament heeft erflater zijn kinderen voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd, maar ook de wettelijke verdeling van toepassing verklaard. Ook heeft erflater [gedaagde] tot executeur benoemd. In een aanvullende testament van 28 juli 2016 heeft erflater daaraan toegevoegd dat [gedaagde] tevens afwikkelingsbewindvoerder is met de bevoegdheid naar eigen inzicht een verdeling van de nalatenschap tussen de erfgenamen tot stand te brengen.
2.6.
Op 9 september 2016 zijn erflater en [gedaagde] met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarin zij elke huwelijksgoederengemeenschap uitsloten zonder enig periodiek of finaal verrekenbeding.
2.7.
Na het overlijden van erflater in augustus 2019 heeft [gedaagde] haar benoeming tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.
2.8.
Met een brief van 14 februari 2020 heeft VPVA notarissen [zoon] en [dochter] onder meer het volgende bericht:
“(…)
Wettelijke verdeling
In het testament van 17 december 2015 staat dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Echter door een omissie staat mevrouw [gedaagde] niet als mede-erfgenaam vermeld. Er zal aan de rechter een verklaring van recht worden gevraagd om dit te bevestigen. Ter voorbehoud van rechten heeft mevrouw [gedaagde] aanspraak gemaakt op de andere wettelijke rechten van artikel 4:29 en Pro 30 BW, Dit houdt in dat zij voor de zekerheid aanspraak maakt op het vruchtgebruik van de hele nalatenschap.
(…)”.
2.9.
Naar aanleiding hiervan zijn over de testamenten en de uitleg daarvan tussen [gedaagde] als oorspronkelijk eiseres en [zoon] en [dochter] als oorspronkelijk gedaagden langdurige procedures gevoerd over de vragen of [gedaagde] mede erfgenaam is en of zij rechten kan ontlenen aan het testament gelet op het feit dat zij erflater als zorgverlener heeft bijgestaan.
2.10.
Zowel in eerste aanleg, als bij het Gerechtshof, als bij de Hoge Raad [1] is bevestigd dat sprake is van een verboden begunstiging en dat [gedaagde] niet langer als erfgenaam heeft te gelden.
2.11.
Ten tijde van de cassatieprocedure bij de Hoge Raad hebben [zoon] en [dochter] aan de kantonrechter verzocht om [gedaagde] als executeur te ontslaan met benoeming van een opvolger. De kantonrechter van deze rechtbank heeft dit ontslag toegewezen bij mondelinge uitspraak van 17 maart 2025. Daarbij is [eisende partij] benoemd tot vervangend executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Bij beschikking van 9 maart 2026 is aan [eisende partij] het executeursloon toegekend op basis van de bestede tijd en is bepaald dat dit maandelijks ten laste van de nalatenschap mag worden gebracht.
2.12.
[eisende partij] heeft herhaaldelijk aan [gedaagde] te kennen gegeven dat indien zij door de Hoge Raad in het ongelijk zou worden gesteld zij de woning van erflater binnen een maand na het arrest zou moeten verlaten. Na het arrest van de Hoge Raad op 16 januari 2026 heeft [eisende partij] [gedaagde] meermaals gesommeerd om de woning te verlaten. Daarbij heeft [eisende partij] aan haar voorgehouden dat de ontruiming van de woning onder meer noodzakelijk is om de woning te gelde te kunnen maken om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen.
2.13.
[gedaagde] woont momenteel nog steeds in de woning van erflater en zij oefent daar haar bedrijf uit.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.
[eisende partij] vordert in conventie – na wijziging van eis en verkort weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
3.1.1.
[gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt om uiterlijk op 15 juli 2026 of zoveel eerder als mogelijk de woning gelegen aan het [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] en het perceel waarop die woning gelegen is, (hierna: de woning) te ontruimen en ontruimd te houden;
3.1.2.
[gedaagde] veroordeelt in de kosten van ontruiming als zij de woning niet tijdig vrijwillig ontruimt;
3.1.3.
[gedaagde] veroordeelt om te dulden dat [eisende partij] de woning te koop zet en de voor verkoop benodigde handelingen verricht;
3.1.4.
[gedaagde] veroordeelt op om op eerste verzoek van [eisende partij] alle medewerking aan de verkoop en levering van de woning te verlenen en alles te doen en te dulden wat volgens de verkopend makelaar en/of de transporterend notaris voor een doelmatige verkoop en levering als noodzakelijk, bevorderlijk of wenselijk kan worden beschouwd;
3.1.5.
[gedaagde] gebiedt toe te staan dat veranderingen aan de woning en de inrichting daarvan worden aangebracht die naar het oordeel van de verkopend makelaar bevorderlijk zijn voor de verkoop(baarheid) van de woning en in dat kader op eerste verzoek toegang tot de woning te verschaffen aan de makelaar, [eisende partij] , [zoon] en/of bouwvakkers en andere personen die door [eisende partij] worden ingeschakeld om die veranderingen te realiseren
3.1.6.
[gedaagde] gebiedt om op eerste verzoek van [eisende partij] samen met
hem en [zoon] in de woning te inventariseren welke zaken tot de nalatenschap behoren
en dit vast te leggen in een ondertekend geschrift en aan [zoon] toe te staan dat hij de zaken over de eigendom waarvan tussen partijen redelijkerwijs geen discussie kan bestaan direct meeneemt;
In alle gevallen
3.1.7.
[gedaagde] veroordeelt om alle goederen die in eigendom toebehoorden aan erflater achter te laten in de woning;
3.1.8.
[gedaagde] veroordeelt tot afgifte van alle sleutels behorend bij de woning aan [eisende partij] ;
3.1.9.
[gedaagde] verbiedt om de woning na de ontruiming opnieuw te betreden of toe te staan dat anderen die daartoe niet door [eisende partij] gemachtigd zijn de woning betreden,
3.1.10.
[gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 10.000,-- per dag(deel) dat zij niet of niet volledig voldoet aan het onder 3.1.7. tot en met 3.1.9. gevorderde;
3.1.11.
[eisende partij] machtigt om alle zaken die door [gedaagde] worden achtergelaten in of rondom de woning na de ontruiming af te voeren en/of te gelde te maken ten behoeve van de nalatenschap, op kosten van [gedaagde] ;
3.1.12.
[gedaagde] veroordeelt om ervoor zorg te dragen dat binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] niet langer in het handelsregister is vermeld als bezoek- of postadres van haar pedicurepraktijk, haar dagopvang of eventuele andere ondernemingen;
3.1.13.
[gedaagde] veroordeelt in de integrale proceskosten van [eisende partij] , te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisende partij] legt – kort weergegeven – het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.
[gedaagde] verblijft zonder recht of titel in de woning die tot de nalatenschap behoort en die liquide moet worden gemaakt om schulden te kunnen voldoen. [zoon] en [dochter] zijn als enige erfgenamen eigenaren van de woning. [gedaagde] heeft geen andere wettelijke rechten – zoals bijvoorbeeld het recht op vruchtgebruik – op grond waarvan zij de woning mag blijven bewonen en mag gebruiken voor haar bedrijf, dan wel is een mogelijk beroep op die rechten verjaard.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert – kort weergegeven – het volgende aan.
[eisende partij] kan bij het uitoefenen van zijn taak niet voorbijgaan aan de wil en de wensen van erflater die ervoor heeft gekozen met [gedaagde] in het huwelijk te treden. Ondanks dat zij door het arrest van de Hoge Raad niet langer is aan te merken als erfgenaam moet [eisende partij] wel rekening houden met haar belangen als wettelijke echtgenote. Bovendien heeft [gedaagde] door de verklaring van 14 februari 2020 tijdig aanspraak gemaakt op de andere wettelijke rechten. Met de vordering tot ontruiming kan [eisende partij] dan ook in redelijkheid niet voorbijgaan aan de andere wettelijke rechten van haar als echtgenote van erflater.
3.5.
[gedaagde] vordert in reconventie – verkort weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
3.5.1.
[eisende partij] veroordeelt tot het onderwerpen van de opbrengst, die resteert na
verkoop en levering van de woning, aan het recht van vruchtgebruik van [gedaagde] ;
3.5.2.
[eisende partij] gelast om omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen der
nalatenschap en de wijze van tegeldemaking, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak
behorende voldoening van schulden der nalatenschap, in overleg te treden met [gedaagde] en haar in de gelegenheid te stellen om volgens de voorschriften in artikel 4:147 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) daarover de beslissing van de kantonrechter in te roepen;
3.5.3.
[eisende partij] verbiedt om zonder voorafgaand verkregen schriftelijke instemming
van [gedaagde] , te beschikken over de opbrengst, die resteert na verkoop en levering van de woning;
3.6.
[eisende partij] veroordeelt in de proceskosten, inclusief nasalaris.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Uit de aard van de vorderingen, ontruiming vanwege verblijf zonder recht of titel, volgt een spoedeisend belang zodat [eisende partij] ontvankelijk is in dit kort geding.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van 9 april 2026 zijn partijen de volgende afspraken overeengekomen:
“• De executeur en afwikkelingsbewindvoerder, de heer [eisende partij] , laat de woning aan het [adres] ( [postcode] ) [huisnummer] te [woonplaats] (de woning) zo snel mogelijk inde verkoop zetten;
• Mevrouw [gedaagde] (hierna: [gedaagde] ) verleent alle medewerking aan de verkoop van de woning. Zij verlaat de woning uiterlijk 15 juli 2026 of zoveel eerder als mogelijk;
• Wanneer de verkopende makelaar de woning komt bezichtigen, gaan beide kinderen van erflater ( [zoon] en [dochter] ), of één van hen, mee met de makelaar om te bekijken wat zij esthetisch aan de woning willen en kunnen doen om de verkoop te bevorderen. De werkzaamheden die daaruit voortvloeien bekostigen [zoon] en [dochter] zelf. [gedaagde] verschaft indien nodig daarvoor ingehuurde personen toegang tot de woning;
• De executeur loopt samen met [zoon] en [gedaagde] door de woning om te bezien welke inboedel van erflater nog in de woning staat. De inboedelgoederen waarover tussen partijen geen discussie bestaat dat die van erflater zijn kan [zoon] direct meenemen. De executeur plant hiervoor in overleg met [gedaagde] en [zoon] een datum;
• Over de verdere afwikkeling van de nalatenschap gaan partijen nog in overleg. De
voorzieningenrechter is beschikbaar in het geval partijen in het kader van dat overleg een impasse aan hem willen voorleggen;
• Partijen berichten de rechtbank na zes weken (op 21 mei 2026) over de stand van zaken en kunnen daarbij vragen om nadere aanhouding, vonnis of doorhaling.”
4.4.
[eisende partij] heeft de rechtbank op 20 mei 2026 bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de gepretendeerde vorderingen over en weer en heeft verzocht uitspraak te doen met betrekking tot hetgeen in conventie en reconventie is gevorderd, waarin ook de ter zitting tussen partijen gesloten overeenkomst wordt opgenomen. Op verzoek van de rechtbank heeft [eisende partij] op 16 juni 2026 een gewijzigd petitum in conventie toegezonden, door het opnemen van de afspraken ter zitting. Dit petitum zoals hiervoor weergegeven in 3.1.1. tot en met 3.1.13 bevat zowel de ter zitting gemaakte afspraken als een deel van de oorspronkelijke vorderingen (in 3.1.7 tot en met 3.1.13.).
4.5.
[gedaagde] heeft vervolgens geprotesteerd tegen de naar haar zeggen ingrijpende eiswijziging op alle onderdelen. Volgens haar kan de eiswijziging worden geformuleerd conform de hiervoor onder 4.3. weergegeven afspraken en zijn de afspraken nog steeds actueel. [gedaagde] stelt dat zij meewerkt aan verkoop van de woning conform de gemaakte afspraken en zij zich daaraan zal houden. Volgens haar zijn dwangsommen dan ook niet aan de orde. [gedaagde] stelt dat zij de woning op 15 juli 2026 met al het hare zal hebben verlaten en niet meer in de woning zal terugkeren.
4.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] zich dus niet verzet tegen de wijziging van eis voor zover die aansluit bij de ter zitting gemaakte afspraken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter sluiten de vorderingen onder 3.1.1. tot en met 3.1.6. zich daarbij aan. Deze vorderingen zullen worden toegewezen, met uitzondering van het toekennen van een dwangsom. De voorzieningenrechter ziet daartoe vooralsnog geen aanleiding omdat de voorzieningenrechter erop vertrouwt dat [gedaagde] haar woorden gestand zal doen. Wel zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de ontruiming indien zij de woning (ondanks haar toezegging) niet tijdig vrijwillig ontruimt en de deurwaarder over moet gaan tot ontruiming.
4.7.
De vorderingen onder 3.1.7. tot en met 3.1.9, betreffende het achterlaten van de goederen die in eigendom toebehoorden aan erflater in de woning, het afgeven van alle sleutels behorend bij de woning en het niet opnieuw betreden van de woning na ontruiming, volgen naar het oordeel van de voorzieningenrechter logischerwijs uit de ter zitting gemaakte afspraken zodat ook die vorderingen zullen worden toegewezen. Evenmin zal aan deze vorderingen een dwangsom worden verbonden, gelet op de hiervoor vermelde toezegging van [gedaagde] .
4.7.1.
De door van [eisende partij] gevorderde machtiging om alle zaken die door [gedaagde] worden achtergelaten in of rondom de woning na de ontruiming af te voeren en/of te gelde te maken ten behoeve van de nalatenschap, op haar kosten, zal worden afgewezen nu anderzijds ook wordt gevorderd haar te veroordelen tot het achterlaten in de woning van de goederen die in eigendom toebehoren aan erflater. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat [gedaagde] al haar eigen goederen uit de woning zal (doen) verwijderen. De kosten van het afvoeren van de goederen, die achterblijven, dan wel het te gelden maken van die goederen ten behoeve van de nalatenschap dienen voor kosten van de nalatenschap zelf te komen.
4.7.2.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen ervoor zorg te dragen dat binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] niet langer in het handelsregister is vermeld als bezoek- of postadres van haar pedicurepraktijk (3.1.12), haar dagopvang of eventuele andere ondernemingen, zal wel worden toegewezen. Deze vordering vloeit logischerwijs voort uit de gevorderde en ook toegezegde ontruiming en medewerking aan verkoop van de woning. [gedaagde] kan haar bedrijf dan niet meer op die locatie uitoefenen zodat de informatie in handelsregister in overeenstemming moet worden gebracht met de feitelijke situatie.
4.8.
[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen in een integrale proceskostenvergoeding. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
152,95
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.859,95
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beoordeling in reconventie
4.10.
[gedaagde] beroept zich eerst in deze procedure op een recht van vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29, eerste lid van het BW. De artikelen 4:29 eerste lid en 4:30 eerste lid van het BW zien op het geval dat de in dit geval echtgenoot van de erflater de in deze bepalingen bedoelde goederen zelf niet als erfgenaam of legataris verkrijgt tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater, maar die goederen wel voor zijn of haar verzorging nodig heeft. De bepalingen geven in dit geval de echtgenote de mogelijkheid om jegens de erfgena(a)m(en) of andere rechthebbende(n) aanspraak te maken op de vestiging van vruchtgebruik op deze goederen. Op grond van artikel 4:31 eerste Pro lid van het BW kan het vruchtgebruik niet worden ingeroepen tegens schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder Pro a tot en met f. Op grond van het tweede lid van dit artikel vervalt de mogelijkheid om aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik indien de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk voor de toepassing van artikel 4:29 van Pro het BW zes maanden en voor de toepassing van artikel 4:30 van Pro het BW een jaar na het overlijden van de erflater heeft verklaard op de vestiging van het vruchtgebruik aanspraak te maken. Ingevolge het derde lid verjaart de rechtsvordering ingevolge de artikelen 4:29 en 4:30 van het BW door verloop van één jaar en drie maanden na het openvallen der nalatenschap.
4.11.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal een beroep van [gedaagde] op het recht van vruchtgebruik in een bodemprocedure niet slagen omdat die vordering is verjaard. Daarvoor is het volgende van belang. Voor zover [gedaagde] in de brief van 14 februari 2020 al een geldige aanspraak op het recht van vruchtgebruik zou hebben gemaakt, hetgeen eveneens door [eisende partij] wordt betwist, geldt dat de rechtsvordering ingevolge het derde lid van artikel 4:31 van Pro het BW verjaart door het verstrijken van een termijn van één jaar en drie maanden na het openvallen van de nalatenschap. [gedaagde] heeft nooit een rechtsvordering tot het daadwerkelijk vestigen van een recht van vruchtgebruik ingediend, terwijl zij dat wel had kunnen doen. Daarmee is die rechtsvordering verjaard door verloop van de termijn van één jaar en drie maanden zoals opgenomen in artikel 4:31 derde Pro lid van het BW. Evenmin is gebleken van stuitingshandelingen. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat zij de vordering tot vruchtgebruik te allen tijde kan inroepen ter afweer van de ingestelde vorderingen van [eisende partij] , ook al is die vordering verjaard. Deze stelling miskent dat het niet [eisende partij] die een vordering, maar [gedaagde] zelf en die vordering is verjaard.
4.12.
Nu de reconventionele vorderingen van [gedaagde] voortvloeien uit het door haar gestelde recht van vruchtgebruik zullen deze, gelet op het hiervoor overwogene, worden afgewezen.
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- salaris advocaat
588,50
(0,5 punt)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
777,50

5.De beslissing in conventie en in reconventie

De voorzieningenrechter
In conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 15 juli 2026 of zoveel eerder als mogelijk de woning gelegen aan het [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] en het perceel waarop die woning gelegen is, hierna “de woning”, met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de ontruiming indien zij de woning niet tijdig vrijwillig ontruimt en de deurwaarder overgaat tot ontruiming, te voldoen conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van de ontruiming dat wordt opgemaakt door de deurwaarder,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] te dulden dat [eisende partij] de woning te koop zet, dat hij in dat kader foto’s laat nemen aan de binnen- en buitenkant van de woning, die foto’s publiceert op Funda.nl en/of andere woningwebsites en potentiële kopers laat rondleiden, ook als [gedaagde] nog in de woning woont, door een makelaar,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om op eerste verzoek van [eisende partij] alle medewerking aan de verkoop en levering van de woning te verlenen en alles te doen en te dulden wat volgens de verkopend makelaar en/of de transporterend notaris voor een doelmatige verkoop en levering als noodzakelijk, bevorderlijk of wenselijk kan worden beschouwd,
5.5.
gebiedt [gedaagde] toe te staan dat dat veranderingen aan de woning en de inrichting daarvan worden aangebracht die naar het oordeel van de verkopend makelaar bevorderlijk zijn voor de verkoop(baarheid)van de woning en in dat kader op eerste verzoek toegang tot de woning te verschaffen aan de makelaar, [eisende partij] , erflaters zoon [zoon] en/of
bouwvakkers en andere personen die door [eisende partij] worden ingeschakeld om die veranderingen te realiseren,
5.6.
gebiedt [gedaagde] om op eerste verzoek van [eisende partij] samen met
hem en erflaters zoon [zoon] in de woning te inventariseren welke zaken tot de nalatenschap behoren en dit vast te leggen in een ondertekend geschrift en aan [zoon] toe te staan dat hij de zaken over de eigendom waarvan tussen partijen redelijkerwijs geen discussie kan bestaan direct meeneemt,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] om alle goederen die in eigendom toebehoorden aan erflater achter te laten in de woning en alle andere goederen te verwijderen;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van alle sleutels behorend bij voornoemde woning aan [eisende partij] ,
5.9.
verbiedt [gedaagde] om de woning na de ontruiming opnieuw te betreden of toe te staan dat anderen die daartoe niet door [eisende partij] gemachtigd zijn de woning betreden,
5.10.
veroordeelt [gedaagde] om ervoor zorg te dragen dat binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] niet langer in het handelsregister is vermeld als bezoek- of postadres van haar pedicurepraktijk, haar dagopvang of eventuele andere ondernemingen,
5.11.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.859,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.12.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.13.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.14.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.15.
wijst de vorderingen af,
5.16.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 777,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.17.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.,
5.18.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62.