ECLI:NL:RBGEL:2026:5995

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/3100
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na verkoop perceel en intrekken aanvraag omgevingsvergunning

Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een tuinmuur, erfafscheiding en bamboeconstructie bij een woning. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eisers geen eigenaar meer waren van het perceel. Eisers maakten bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Eisers zijn vervolgens in beroep gegaan bij de rechtbank, die op zitting het geschil behandelde. De rechtbank oordeelde dat eisers geen procesbelang meer hadden omdat zij het perceel hadden verkocht en de nieuwe eigenaren de situatie conform regelgeving hadden aangepast. Eisers konden met hun beroep niet meer bereiken wat zij wilden, namelijk legalisatie van de illegale situatie.

Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden door het besluit. De rechtbank benadrukte dat de schade die zij stelden te hebben geleden verband hield met de last onder dwangsom en niet met het buiten behandeling stellen van de aanvraag. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees de vordering af zonder inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling laten van de omgevingsvergunning is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3100

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten

(gemachtigde: mr. P.L. Nolte).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de door eiser [eiser 1] (hierna ook: eiser) aangevraagde omgevingsvergunning. Eisers zijn het niet eens met het buiten behandeling laten van de aanvraag en het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift daartegen. Eisers voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eisers geen procesbelang meer hebben. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een bestaande tuinmuur van 245 cm, een erfafscheiding aan de voorzijde en een bamboe constructie in leibomen. Het college heeft deze aanvraag in het primaire besluit van 29 januari 2025 buiten behandeling gesteld. In de beslissing op bezwaar van 3 juni 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze procedure over?
3. Eiser heeft op 10 oktober 2023 aan omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van:
  • een bestaande tuinmuur van 245 cm,
  • een erfafscheiding aan de voorzijde en
  • een bamboe constructie in leibomen bij de woning [adres] in [plaats] .
De aanvraag is ingediend naar aanleiding van een handhavingsprocedure waarin op 25 juli 2022 aan eisers een last onder dwangsom is opgelegd. De last onder dwangsom ziet onder andere op de hiervoor opgesomde zaken.
De aanvraag was niet volledig en daarom heeft het college eisers een termijn gegeven om de aanvraag aan te vullen. Deze termijn is op verzoek van eisers verlengd tot 2 weken na de uitspraak van de bestuursrechter in de procedure tegen de opgelegde last onder dwangsom.
3.1.
Eisers hebben vervolgens de woning eind 2023/begin 2024 verkocht. De kopers zijn geïnformeerd over de lopende procedures met het college. In de koopovereenkomst is afgesproken, zo blijkt uit het door eisers overgelegde deel van die overeenkomst, dat eisers bij een uitspraak ten nadele van hen, de erfafscheiding voor eigen rekening, maar wel in overleg met kopers, aanpassen conform de uitspraak. Daarnaast is aangegeven dat er een legaliserende omgevingsvergunning is aangevraagd bij het college.
3.2.
Het college heeft de aanvraag in het primaire besluit van 29 januari 2025 buiten behandeling gelaten. Dit heeft het college gedaan omdat eiser geen eigenaar meer is van het perceel. Daarom heeft eiser volgens het college geen belang meer bij de eventuele afwijking van het bestemmingsplan en de verlening van de omgevingsvergunning. Eiser is volgens het college geen belanghebbende in de zin van Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom is geen sprake van een aanvraag waarop het bestuursorgaan dient te beslissen. Daarnaast hebben de nieuwe eigenaren de strijdige situatie in overeenstemming gebracht met de op dit moment geldende ruimtelijke regelgeving, en is een eventuele verlening van de omgevingsvergunning niet meer opportuun. Het college heeft eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag in te trekken. Eiser heeft aangegeven de aanvraag niet in te willen trekken.
3.3.
In de beslissing op bezwaar van 3 juni 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eisers tegen het besluit van 29 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers geen belanghebbende zijn bij de beoordeling van het besluit van 29 januari 2025.
3.4.
Eisers zijn ook opgekomen tegen de aan hen opgelegde last onder dwangsom. De rechtbank heeft het beroep in die zaak in de uitspraak van 27 juni 2025 tegen de beslissing op bezwaar van 14 februari 2023 gegrond verklaard en dat besluit onder andere vernietigd en herroepen voor zover dat ziet op de tuinmuur en de bamboe leiboomconstructie [1] .
3.5.
Eisers zijn ook opgekomen tegen de factuur voor leges voor de aangevraagde omgevingsvergunning. In de beslissing op bezwaar van 9 september 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eisers in deze zaak gegrond verklaard en bepaald dat de factuur volledig komt te vervallen omdat het heffen van leges in dit geval onevenredig is. Dat besluit is onherroepelijk geworden. Gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting bij de rechtbank aangegeven dat het college daar niet op terug kan komen.
3.6.
De voorliggende procedure ziet alleen op het buiten behandeling laten van de aangevraagde omgevingsvergunning. De andere twee procedures (de handhavingsprocedure en de legesheffing) kunnen niet in deze beroepsprocedure over de aangevraagde omgevingsvergunning aan de orde komen.
Procesbelang
4. De bestuursrechter hoeft een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen, als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang niet (meer) aanwezig is, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. [2] Als iemand stelt schade te hebben geleden, kan dat betekenen dat diegene belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het moet wel enigszins aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
4.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat nog sprake is van procesbelang bij het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor legalisatie van een volgens het college illegale situatie bij de woning [adres] in [plaats] , maar eisers zijn inmiddels geen eigenaar meer van het perceel. De kopers van de woning hebben de aanvraag niet overgenomen en hebben ervoor gekozen de bouwwerken zelf aan te passen conform de last onder dwangsom. Eisers kunnen daarom het bouwplan niet meer verwezenlijken.
Dat eisers een financieel belang zouden hebben bij de uitkomst van deze procedure volgt de rechtbank niet. Eisers hebben niet enigszins aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden door de voorliggende besluitvorming. De schade die eisers stellen te hebben geleden (schade door een lagere verkoopprijs en kosten voor het voldoen aan de last) is niet het (rechtstreeks) gevolg van de voorliggende besluitvorming, maar van de last onder dwangsom en die ligt hier niet ter beoordeling voor. Daarom kan de vraag of het college terecht handhavend heeft opgetreden in de voorliggende procedure niet aan de orde komen. Dat de aanvraag volgens eisers onderdeel uitmaakt van de voornoemde koopovereenkomst maakt het oordeel niet anders. De aanvraag van de omgevingsvergunning, die is ingegeven door een bestuursrechtelijke handhavingsprocedure, staat los van de koopovereenkomst.
Nu eisers met hun beroep niet meer kunnen bereiken wat zij wilden bereiken, namelijk legalisatie van een illegale situatie, is het procesbelang vervallen. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank kan daarom niet inhoudelijk ingaan op de door eisers aangevoerde beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter is niet in de gelegenheid
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Gelderland met zaaknummer 23/1619, niet gepubliceerd.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404.