ECLI:NL:RBGEL:2026:601

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/05/451105 / HA ZA 25-179
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:87 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 7:758 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer voor wateroverlast en schade na oplevering bedrijfshal

Ciseli Beheer B.V. heeft een bedrijfshal laten bouwen door [gedaagde] op basis van een koop-/aannemingsovereenkomst. Na oplevering in februari 2024 bleek er nog veel water opgesloten te zitten in de kanaalplaatvloeren en muren, wat leidde tot vochtproblemen en schade. Ciseli stelde dat [gedaagde] aansprakelijk was voor deze tekortkoming en vorderde een schadevergoeding van ruim €68.000.

De rechtbank oordeelde dat de aannemer tekortgeschoten is door het niet tijdig en adequaat aanpakken van het waterprobleem, ondanks kennis van de situatie. Er was geen plan van aanpak gepresenteerd en de aannemer had onvoldoende maatregelen getroffen om het water uit de vloeren te laten lopen. Het verzuim was ingetreden doordat de aannemer niet binnen een redelijke termijn had gereageerd op verzoeken tot herstel.

De rechtbank stelde vast dat Ciseli schade had geleden, maar wees een groot deel van de gevorderde kosten af wegens onvoldoende onderbouwing of omdat deze kosten niet voor rekening van de aannemer kwamen. Toewijsbaar waren de droogkosten (€3.500) en de kosten voor het filmwerk op de begane grond (€11.200), samen €14.700, plus wettelijke rente vanaf 4 september 2024. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €922 toegewezen en moest de aannemer de proceskosten betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De aannemer is aansprakelijk en moet €14.700 plus rente en kosten aan Ciseli betalen wegens wateroverlast na oplevering.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/451105 / HA ZA 25-179
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
CISELI BEHEER B.V.,
te 's-Heerenberg,
eisende partij,
hierna te noemen: Ciseli,
advocaat: mr. D. van Hijkoop,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L.L. de Boef.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 augustus 2025
- het (verslag) proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 december 2025.
1.2.
De rechtbank heeft tot slot bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De zaak in het kort

2.1.
Partijen hebben een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten. Op grond hiervan heeft [gedaagde] een bedrijfshal gebouwd voor Ciseli. Het ging om een casco bouw. Ciseli zou de hal voor haar rekening en risico afbouwen. Bij de oplevering van de hal bevond zich nog veel water in vloerelementen en muren. Dit water is er na de oplevering uit gestroomd.
2.2.
In deze zaak stelt Ciseli, kort gezegd, dat [gedaagde] ervoor had moeten zorgen dat er geen wateroverlast (meer) was na oplevering. Zij wil een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade en een schadevergoeding van (kort gezegd) € 68.096,34. Volgens [gedaagde] moeten de vorderingen van Ciseli worden afgewezen.
2.3.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] aansprakelijk is. Zij moet een schadevergoeding betalen aan Ciseli. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3. De beoordeling
Er is een tekortkoming
3.1.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst.
3.2.
In artikel 5 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomst van 7 december 2021 staat dat de aannemer zich ertoe verbindt de bedrijfsunits geheel voor gebruik gereed aan de koper op te leveren. Op pagina 2 van de aannemingsovereenkomst staat dat de opstallen casco worden gebouwd en opgeleverd en dat de aanvullende werkzaamheden in eigen beheer en voor eigen risico van Ciseli zouden worden verricht. Gelet hierop moet de overeenkomst zo worden uitgelegd dat de bedrijfshal op het moment van oplevering klaar moest zijn voor het uitvoeren van de aanvullende werkzaamheden. Dat wil zeggen: klaar voor afwerking.
3.3.
Partijen zijn het erover eens dat er na oplevering nog een grote hoeveelheid water opgesloten zat in de dakvloer, de verdiepingsvloeren en in de muren. De vloerelementen zijn kanaalplaatvloeren. Deze vloeren zijn hol van binnen. Bij het boren van onder meer voorzieningen voor de verlichting is water uit de vloerelementen gestroomd. Het gaat om hemelwater dat tijdens de bouw in de vloerelementen is gelopen. Dat water komt er via de bovenkant in. Het zat opgesloten door het aanbrengen van de dekvloer en het waterdicht afwerken van het dak en kon er alleen uit aan de uiteinden, dat wil zeggen, via de muren. Er zitten geen ontwateringsgaatjes aan de onderkant van de vloerelementen.
3.4.
Partijen discussiëren erover of de aanwezigheid van het water komt doordat op verzoek van Ciseli eerder is opgeleverd. Er is een bouwtijd van 200 werkbare dagen overeengekomen en die verstreek pas in augustus 2024. Er is echter al in februari 2024 opgeleverd. Tijdens de zitting zijn de e-mails besproken die partijen elkaar hierover in februari 2024 hebben gestuurd. Eerst vraagt de heer [naam 1] van Ciseli op
5 februari 2024 wanneer zij de sleutels ontvangt. Hierop reageert de controller van [gedaagde] met de vraag aan de heren [naam 2] en [naam 3] van [gedaagde] of zij een oplevering willen plannen. Daarna schrijft [naam 1] op 9 februari 2024 dat hij vandaag wil horen wanneer de overdracht van de sleutels is. Op dezelfde dag schrijft [naam 2] dat er drie mogelijkheden zijn: “
1. wachten tot wij klaar zijn zoals overeengekomen, (…) 2. opleveren met de openstaande opleverpunten na betaling van de gehele som (…), 3. oplevering met de openstaande punten na betaling van de gehele som incl. overeengekomen meerwerk behoudens de laatste € 25.000,00 (…).” Op dezelfde dag reageert de heer [naam 4] van Ciseli. In deze e-mail staat dat het stucwerk slordig is uitgevoerd en het dak nog niet overal waterdicht is, wat heeft geleid tot veel groene aanslag. Het zou fijn zijn als Ciseli volgende week de sleutels kan ontvangen. Vervolgens schrijft [naam 2] het volgende: “
U kunt er van op aan dat we de zaken zoals we die overeengekomen zijn naar behoren afwikkelen, blijft natuurlijk wel casco opleverniveau (behoudens deel stuukwerk wat verricht is).” Aan het einde van de e-mail staat een verzoek aan [naam 3] om een afspraak te maken voor oplevering. De heer [naam 4] vraagt vervolgens “
En het stucwerk?” waarop [naam 2] als volgt reageert: “
Daar moet nog wat aan gebeuren, maar is op plaatsen te nat om nu af te kunnen werken begreep ik van [naam 5] , zal dus waarschijnlijk een opleverpunt zijn.
3.5.
Op basis van deze e-mails staat wel vast dat Ciseli heeft gevraagd aan [gedaagde] om de bedrijfshal (eerder) op te leveren. Uit de e-mails blijkt verder dat het werk nog niet gereed was en dat er nog opleverpunten zouden zijn. Uit de e-mails volgt dat Ciseli ervan op de hoogte was dat het stucwerk nog niet af was, en dat dat kwam doordat het “
op plaatsen te nat is om nu af te kunnen werken.” Dit is echter iets anders dan dat er nog grote hoeveelheden water in kanaalplaatvloeren zitten. Volgens [gedaagde] heeft zij aangegeven dat het werk nog niet gereed was voor oplevering, maar dat leest de rechtbank niet in de voornoemde e-mails. Integendeel, nu [gedaagde] instemt met eerdere oplevering in de wetenschap dat er nog opleverpunten zijn. Of er bij oplevering na 200 werkbare dagen in augustus 2024 geen water meer in de kanaalplaten zou hebben gezeten (zoals [gedaagde] zegt en Ciseli ontkent), is hier dan ook niet van belang. Door in te stemmen met oplevering haalt [gedaagde] het moment naar voren waarop zij de overeenkomst deugdelijk moet zijn nagekomen.
3.6.
Volgens [gedaagde] is het vochtprobleem in de opleverlijst niet per unit benoemd, maar als algemeen punt. Dit klopt niet. In het proces-verbaal van oplevering staat het volgende: “
Unit B1. Vochtplekken verdvloer dakvloer=droog” en “
Algemeen. Straatwerk. Stucwerk. Nutsaansluitingen. Zetwerk buitengevel. Buitenom schoonmaken.” Er lijken dus vochtplekken te zijn geweest op de verdiepingsvloer van één unit, B1, en de dakvloer van die unit was droog. De aanwezigheid van vocht is niet als algemeen punt omschreven.
3.7.
Volgens [gedaagde] bleek tijdens de oplevering dat op diverse plaatsen in het pand plassen water stonden en grote natte plekken zichtbaar waren in wanden. Het was overduidelijk dat de kanaalplaatvloeren en de kalkzandstenen wanden compleet nat waren, aldus [gedaagde] . Tijdens de zitting heeft Ciseli het volgende verteld. [naam 1] zag een plas water en heeft hierover vragen gesteld. [naam 3] zei dat het dak droog was. Dat was bekeken omdat de verdenking was dat het water van het dak kwam. [naam 3] zei dat unit B1 nog nat was. En in unit B7 zat wat vocht. Die unit was open en er zat groene aanslag boven op de muur. De rest van de units was droog, aldus Ciseli. [naam 3] heeft hierover verteld dat het droog oogde, maar dat hij wel wist dat er water in zat. Tijdens de zitting hebben [naam 2] en [naam 3] allebei gezegd dat ze wisten dat er water in de kanaalplaatvloeren zat, maar dat ze niet wisten dat het zoveel water was.
3.8.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat bekend was bij Ciseli dat de wanden en vloeren van (delen van) het pand vochtig zouden zijn op het moment van oplevering in februari 2024. Maar nergens blijkt uit dat Ciseli wist of had moeten weten dat er grote hoeveelheden hemelwater opgesloten zaten in de kanaalplaatvloeren, laat staan dat het vocht in/op de wanden en vloeren daarvan afkomstig was. [gedaagde] wist dit wel, maar heeft geen maatregelen getroffen om de hoeveelheid water in de kanaalplaatvloeren vóór oplevering te verminderen, bijvoorbeeld door gaten te boren aan de onderkant van de vloeren zodat het water eruit kon lopen. Zij heeft Ciseli er ook niet voor gewaarschuwd dat er nog water in die vloeren zat (bij oplevering in februari 2024) [1] en heeft hierover geen (algemeen) opleverpunt opgenomen op het proces-verbaal van oplevering.
3.9.
Het pand was zodoende niet gereed voor afwerking door Ciseli, terwijl Ciseli op basis van de hiervoor genoemde e-mailwisseling en het proces-verbaal van oplevering ervan mocht uitgaan dat het werk klaar was om te worden opgeleverd met uitzondering van de daarin vermelde opleverpunten. Zij hoefde er geen rekening mee te houden dat bij het afbouwen van het pand en het boren in de kanaalplaatvloeren nog grote hoeveelheden water zouden uitstromen. Het gebouw was immers al medio november 2023 wind- en waterdicht gemaakt en dan mag Ciseli ervan uitgaan dat het een kwestie is van het (op)drogen van de vloeren en wanden, en niet dat er nog extra water zou instromen vanuit de kanaalplaatvloeren. Het argument dat Ciseli dat kon weten omdat zij kon zien dat de wanden aan de bovenkant nat waren, gaat niet op. Nog daargelaten dat Ciseli ontkent dat de wanden nat waren, heeft [gedaagde] , gelet op het voorgaande, onvoldoende toegelicht waarom Ciseli op basis daarvan redelijkerwijs had moeten ontdekken dat nog grote hoeveelheden water in de kanaalplaatvoeren zaten (zie artikel 7:758 lid 3 BW Pro).
3.10.
De conclusie is dus dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de koop-/aannemingsovereenkomst. Bij die stand van zaken hoeft de rechtbank niet te bespreken of [gedaagde] voorzieningen had moeten treffen om het inwateren tegen te gaan en of dat mogelijk was, zoals Ciseli stelt en [gedaagde] betwist. Tijdens de zitting is aan Ciseli gevraagd of zij het niet volledig filmen van de begane grond van de bedrijfshal ziet als een aparte tekortkoming. Ciseli heeft hierop geantwoord dat dit niet zo is en dat zij dit ziet als onderdeel van de schade. De rechtbank komt hierop terug bij de bespreking van de schadepost ‘stucen/filmen’.
Het verzuim is ingetreden
3.11.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of [gedaagde] in verzuim is.
3.12.
Vast staat dat er geen ingebrekestelling is gestuurd aan [gedaagde] waarin een redelijke termijn wordt gesteld om alsnog na te komen (zie artikel 6:82 lid 1 BW Pro). In de wet staan echter ook gevallen waarin verzuim zonder ingebrekestelling intreedt (zie artikel 6:83 BW Pro). Dit zijn niet alle gevallen waarin dat mogelijk is. Ook de redelijkheid en billijkheid spelen een rol. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het verzuim intreedt indien [gedaagde] niet toereikend reageert op een verzoek van Ciseli om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door Ciseli omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. [2]
3.13.
Vast staat dat Ciseli contact heeft opgenomen met [gedaagde] om het inwateringsprobleem op te lossen. Anders dan Ciseli schrijft in de dagvaarding, is [gedaagde] wel degelijk op de bouw geweest. Vast staat dat partijen eind februari en begin maart 2024 contact met elkaar hebben gehad via WhatsApp. Daarna is [naam 3] op 4 maart 2024 langs gegaan en is de situatie besproken met [naam 1] . Volgens [gedaagde] hebben [naam 3] en [naam 1] vervolgens op 8 maart 2024 met een stucadoor een opname gedaan van het reparatiewerk aan het filmwerk. Dit zou twee dagen werk zijn voor twee of drie man. Maar tijdens de opname bleek dat Ciseli bezig was met het frezen in de wanden om daar leidingen in te leggen. [gedaagde] heeft tegen Ciseli gezegd dat zij de gefreesde muren niet zou filmen, omdat het niet zinvol was om eerst filmwerk aan te brengen, waarna zou worden gefreesd in de muren en alsnog stucwerk moest worden aangebracht. Op 8 maart 2024 heeft [gedaagde] voorgesteld het filmwerk gedeeltelijk te crediteren voor € 2.800,00, maar Ciseli wilde dat al het filmwerk zou worden gecrediteerd. Na contact via WhatsApp op 10 maart 2024 heeft [gedaagde] iemand gestuurd om de kanaalplaatvloeren na te lopen en er gaten in te boren.
3.14.
Op 28 maart 2024 heeft de advocaat van Ciseli een e-mail gestuurd aan [gedaagde] . Hierin verzoekt en sommeert hij [gedaagde] om op 2 april 2024 uiterlijk om 12:00 uur op de bouw te verschijnen om het gebrek door te nemen en te komen met een plan van aanpak. Tijdens de zitting is besproken dat, anders dan in de dagvaarding staat, de heren [naam 2] en [naam 3] toen (op tijd) op de bouw waren en met [naam 1] hebben gesproken. Zij hebben echter geen plan van aanpak gepresenteerd. Tijdens de zitting heeft [naam 2] verteld dat zij hebben aangegeven dat [gedaagde] al gaten had geboord in de kanaalplaatvloeren en dat het filmwerk niet kon worden voltooid, omdat er in de wanden was gefreesd. De problemen zouden inherent zijn aan de eerdere oplevering. En [gedaagde] heeft aangeboden om de creditering van € 2.800,00 voor het filmwerk te verhogen naar € 7.500,00. Dit was niet akkoord voor Ciseli.
3.15.
In de conclusie van antwoord schrijft [gedaagde] dat zij alle kanaalplaten op 11 maart 2024 heeft nagelopen en open heeft geboord waar er water in het kanaal zat. Dit klopt niet. Tijdens de zitting heeft [naam 3] namelijk verteld dat [gedaagde] meerdere keren ter plaatse is geweest. Hoe vaak weet hij niet precies, maar hij denkt 4, 5, 6 keer. Per keer zijn gaten geboord in de kanalen waarvan ze vermoedden dat er water in zat. Ze hebben het per vloerdeel aangepakt, aldus [naam 3] . Dit is geen toereikende betwisting van de stelling van Ciseli dat er nog water in de kanaalplaatvloeren zat en dat zij een oplossing wilde om het vocht uit
alleplaten te krijgen. Tijdens de zitting heeft Ciseli verteld dat zij daarna zelf gaten in ieder vloerelement heeft geboord, waarna de wanden konden drogen. Volgens [gedaagde] klopt dit niet. Maar waarom dit niet klopt, heeft zij onvoldoende uitgelegd.
3.16.
Op basis van het voorgaande staat vast dat [gedaagde] op 2 april 2024 geen plan van aanpak heeft gepresenteerd waarmee zij aan de slag zou gaan om het resterende water uit de resterende kanaalplaatvloeren zou laten lopen en de bedrijfshal zo spoedig mogelijk alsnog droog genoeg en daarmee gereed voor afwerking zou krijgen. Zij heeft in de kern aangegeven dat zij al genoeg had gedaan, niet meer kon doen en een financieel voorstel voor de afwikkeling gedaan. Hiermee heeft zij zich onvoldoende ingespannen om het gebrek en de gevolgen daarvan op zo kort mogelijke termijn weg te nemen. In het licht van de voornoemde omstandigheden is de conclusie dat het verzuim is ingetreden.
3.17.
Nu [gedaagde] de omzetting naar vervangende schadevergoeding alleen betwist op de grond dat er geen verzuim was, staat daarmee ook vast dat Ciseli de verbintenis op 25 april 2024 heeft omgezet in een tot vervangende schadevergoeding (zie artikel 6:87 lid 1 BW Pro).
Causaal verband en schade
3.18.
De derde vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of Ciseli schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] en, zo ja, hoeveel schade.
3.19.
Ciseli wil een schadevergoeding van € 68.096,34. Dit bedrag is opgebouwd uit een hoofdsom van € 62.260,-, wettelijke rente van 4 september 2024 tot 14 april 2025 van
€ 4.438,74 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.397,60. Zij wil over het totaalbedrag ook wettelijke rente vanaf 14 april 2025. De hoofdsom is onderbouwd met een factuur van [naam 6] van 19 juni 2024. Op deze factuur staat onder meer het volgende:
De droogkosten van € 3.500,00 zijn toewijsbaar
3.20.
In de dagvaarding schrijft Ciseli dat een schade van € 3.500,00 is geleden vanwege de huur van twee drogers voor de duur van veertien dagen. Dit voor het drogen van de wanden in de bedrijfsunits. Volgens [gedaagde] had Ciseli het gebouw niet hoeven drogen, indien zij [gedaagde] en het gebouw de tijd had gegeven om het resterende vocht te laten verdampen, aldus [gedaagde] . De rechtbank gaat hier niet in mee. Tijdens de zitting heeft [naam 2] namelijk bevestigd dat er zoveel water in de kanaalplaatvloeren zat dat dit niet zou verdampen bij verwarming. Uit de foto’s en video’s die zijn overgelegd door Ciseli als productie 14 en 15 blijkt ook dat er zoveel water in de kanaalplaatvloeren zat dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat dit water uit zichzelf, in de loop van de tijd, zou verdampen of uit zou stromen via de muren. Zij heeft in het geheel niet toegelicht hoe snel dit zou gebeuren en waarom [gedaagde] op dit punt moest afwachten en stilzitten. De eerste post ‘trocknung’ van € 3.500,00 zal dan ook worden toegewezen.
De kosten van stucen/filmen
3.21.
De derde post van € 33.900,00 ziet op ‘anbringen von Schienen und Putzarbeiten’. In de dagvaarding schrijft Ciseli dat een bedrag van € 33.900,00 gevorderd wordt vanwege het aanbrengen van stucprofielen en stuc aan de randen van de bedrijfsunits. Door de waterlekkage moest zij de wanden herstellen, aldus Ciseli.
3.22.
In de conclusie van antwoord schrijft [gedaagde] dat er een onderscheid bestaat tussen een stuclaag en een filmlaag. Filmwerk is veel dunner dan gewoon stucwerk. In de meer-/minderwerkbegroting van 5 april 2023 staat de omschrijving “
Filmwerk wanden afwerkingsklasse groep 2 alleen beganegrond.” Tijdens de zitting heeft [naam 2] verteld dat zij de wanden op de begane grond alsnog van een filmlaag zou voorzien, omdat zij daar vuilwerkblokken had toegepast in plaats van schoonwerkblokken, die niet leverbaar waren. Afwerkingsklasse groep 2 ziet volgens [gedaagde] op het creëren van een glad oppervlak. Het gaat niet om een glad gestucte muur die gereed is voor afwerking. Zij heeft in januari 2024 75% van de begane grond voorzien van filmwerk. Maar het gebouw was te nat om het filmwerk te kunnen voltooien. Om die reden is het filmwerk een opleverpunt. Na de oplevering heeft Ciseli gefreesd in de wanden om de elektrische installatie in de muren aan te brengen, terwijl [gedaagde] ervan uitging dat sprake zou zijn van opbouw. Hierdoor was filmen niet meer mogelijk, omdat er twee centimeter diep is gefreesd en niet om leidingen heen kan worden gefilmd, en moest er sowieso worden gestuct en geschilderd, aldus [gedaagde] .
3.23.
De rechtbank vindt dat Ciseli onvoldoende heeft onderbouwd dat de factuur van [naam 6] ziet op het aanbrengen van een filmlaag op de wanden. Op de factuur wordt gesproken over het aanbrengen van ‘Putz’ en in de dagvaarding spreekt Ciseli zelf over stucen. Verder heeft [naam 3] op de zitting gezegd dat hij heeft gezien dat de stukadoor bezig was. Er was afgedekt en hij was stucwerk op de muur aan het spuiten. En [naam 2] heeft op de zitting gezegd dat het stucen was omdat er daarna geschilderd is. Stucwerk kun je sauzen, maar filmwerk is niet sausklaar. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat er sowieso moest worden gestuct en geschilderd omdat er twee centimeter diep in de muren was gefreesd. Dit is niet op te vullen met filmwerk. Tijdens de zitting heeft Ciseli alleen gezegd dat de muren schimmelvrij zijn gemaakt en dat er daarna filmwerk op is gezet om de muren saus- of behangklaar te maken voor de huurder. Maar daarmee heeft zij haar stelling tegenover de betwisting door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er is gestuct, zodat het gevorderde bedrag van € 33.900,00 niet toewijsbaar is.
3.24.
Dit neemt niet weg dat wel aannemelijk is dat Ciseli schade heeft geleden. In de dagvaarding staat dat lekkagesporen ontstonden op de muren en de muren zelf vol met water raakten. Hierdoor ontstond schimmel op de muren en liet het filmwerk los waarmee de wanden waren afgewerkt. De wandafwerking die door [gedaagde] is aangebracht, is groen uitgeslagen en moest worden verwijderd, aldus Ciseli. Dit heeft [gedaagde] niet althans niet voldoende betwist. Verder staat vast dat 25% van het filmwerk niet is aangebracht omdat het te vochtig was. Voor het filmwerk op de begane grond heeft Ciseli daarom aanspraak op (vervangende) schadevergoeding, ook al heeft herstel feitelijk niet plaatsgevonden. [3]
3.25.
Dit geldt echter niet voor het filmwerk/stucwerk op de eerste verdieping. Dit behoorde niet tot de opdracht van [gedaagde] en Ciseli heeft onvoldoende onderbouwd dat de kosten van het aanbrengen van filmwerk/stucwerk op de eerste verdieping het gevolg zijn van de tekortkoming. Zij heeft tijdens de zitting gezegd dat er op de verdieping ook vocht en schimmel was en dat er daarom kosten zijn gemaakt om de wanden daar opnieuw afwerkklaar te maken. Ook als dat zo is, heeft zij onvoldoende toegelicht welke werkzaamheden daartoe zijn verricht en wat de kosten daarvan waren.
3.26.
De rechtbank schat de kosten van het herstel van het filmwerk op de begane grond op € 11.200,00. Vast staat immers dat [gedaagde] in januari 2024 75% van de begane grond heeft voorzien van filmwerk en daarvan uitgaande een bedrag van € 2.800,00 wilde crediteren voor de niet aangebrachte 25%. Hiervan uitgaande zal met het aanbrengen van het filmwerk, dat als gevolg van de vochtproblematiek deels niet deugdelijk (75%) en deels in het geheel niet (25%) is aangebracht, op de volledige begane grond een bedrag van ongeveer
(4 maal € 2.800,00 is) € 11.200,00 gemoeid zijn geweest. Deze post is derhalve toewijsbaar tot dit bedrag. De meerkosten van het stucen blijven dus voor rekening van Ciseli.
3.27.
De kosten van het ‘anbringen von Schienen’ worden afgewezen. Tijdens de zitting heeft Ciseli gezegd dat [gedaagde] heeft verzuimd hoekprofielen aan te brengen in het werk en dat dit door Ciseli is hersteld. Nog daargelaten dat dit lijkt te zijn gebeurd ten behoeve van het stucwerk, heeft Ciseli niet voldoende toegelicht dat en waarom [gedaagde] verplicht was om hoekprofielen aan te brengen. Dit deel van de schadepost is daarom niet toewijsbaar.
De kosten van het afdekken van ramen en vloeren
3.28.
De tweede post van € 6.780,00 ziet op de ‘abdeckung der Fenster und Böden.’ In de dagvaarding schrijft Ciseli dat zij de wanden en vloerdelen heeft afgedekt om zo weinig mogelijk wateroverlast en daardoor schade te lijden. Volgens [gedaagde] is er afgedekt ten behoeve van het machinaal aanbrengen van stucwerk. Als er slechts filmwerk zou zijn aangebracht, zou er niet zijn afgeplakt, omdat filmwerk handmatig wordt aangebracht. Dit laatste heeft Ciseli niet weersproken. Tijdens de zitting heeft zij iets anders gezegd dan in de dagvaarding staat, namelijk dat de vloeren, trappen en deur- en raamkozijnen moesten worden ingepakt voordat de wanden konden worden hersteld. Zij heeft ook gezegd dat het houtwerk moest worden beschermd voor de stucadoor; anders wilde hij het niet doen. Hiervan uitgaande had het afdekken dus niets te maken met het voorkomen van schade en alles met het aanbrengen van het stucwerk. Dit was de eigen keuze van Ciseli die mede het gevolg was van het frezen in de wanden (zie hiervoor in 3.23). Deze schadepost komt daarom in zoverre niet voor vergoeding in aanmerking. Onder deze post valt ook het ‘auftragen von Betonkontakt auf alle Wände’. Welke werkzaamheden onder deze omschrijving vallen en waarom die het gevolg zijn van de tekortkoming van [gedaagde] heeft Ciseli niet toegelicht. Ook in zoverre is deze post daarom niet toewijsbaar.
De kosten van het schilderwerk
3.29.
De vierde post van € 18.080,00 ziet op ‘Tiefgrund- und Weiβanstrich’ en ‘Abdichtung der Ecken mit Acryl’. In de dagvaarding schrijft Ciseli dat de wanden ook dienden te worden geschilderd in verband met het herstellen hiervan. In de conclusie van antwoord wijst [gedaagde] erop dat uit de technische omschrijving en de aanvullende opdracht van 5 april 2023 volgt dat schilder- en sauswerk niet bij de prijs was inbegrepen en door en voor rekening van koper moest plaatsvinden. Tijdens de zitting heeft Ciseli bevestigd dat schilderwerk niet in de opdracht zat. Zij stelt echter dat er is geschilderd toen ze dachten dat het droog genoeg was. Het schilderwerk kwam eraf omdat de wanden vol water liepen. De schadepost is dus dat het schilderwerk opnieuw moest gebeuren, aldus Ciseli. Tegenover de betwisting door [gedaagde] heeft zij deze stelling niet nader gemotiveerd en onderbouwd. Een rekening van dit eerdere schilderwerk is niet overgelegd. Evenmin is onderbouwd dat het schilderwerk ‘eraf kwam’ en geheel opnieuw moest. Ciseli heeft niet toegelicht wanneer dit is verricht en waarom men er toen van uit ging dat het droog genoeg was. Zij heeft immers vanaf eind februari 2024 contact opgenomen met [gedaagde] over de vochtproblemen en de factuur van [naam 6] dateert van 19 juni 2024. Nu er kennelijk eerst moest worden gestuct voordat er kon worden geschilderd, valt ook daarom zonder nadere toelichting niet in te zien dat er tweemaal is geschilderd. Deze schadepost is dan ook niet toewijsbaar.
[gedaagde] moet € 14.700,00 plus wettelijke rente betalen
3.30.
Er zijn dus twee schadeposten (deels) toewijsbaar: de droogkosten van € 3.500,00 en het filmwerk van € 11.200,00. Samen maakt dit € 14.700,00. De wettelijke rente hierover is, zoals is gevorderd, toewijsbaar vanaf 4 september 2024. De gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van Ciseli als gevolg van de inwatering van de dak- en vloerelementen in de bedrijfshal zal eveneens worden gegeven.
[gedaagde] moet € 922,00 betalen voor buitengerechtelijke incassokosten
3.31.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is deels toewijsbaar. Uitgaande van de hoofdsom die wordt toegewezen, is in aansluiting op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, een bedrag van € 922,00 toewijsbaar. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding, omdat Ciseli niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) eerder is geleden.
[gedaagde] moet de proceskosten van € 5.723,35 betalen
3.32.
[gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ciseli worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.523,35
Uitvoerbaar bij voorraad
3.33.
Dit vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een (andere) beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van Ciseli als gevolg van de inwatering van de dak- en vloerelementen in de bedrijfshal;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Ciseli te betalen een bedrag van € 14.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 4 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Ciseli te betalen een bedrag van € 922,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.523,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
1906

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3144.
2.Zie Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581.
3.Vergelijk Hoge Raad 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9339, rov. 3.4.2.