ECLI:NL:RBGEL:2026:6115

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/2211
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 57 MswArt. 5:46 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bestuurlijke boete voor overschrijding gebruiksnorm dierlijke meststoffen

Eiseres, exploitant van een melkveehouderij, kreeg van de minister een bestuurlijke boete opgelegd van €51.505 wegens het overschrijden van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 7.715 kilogram stikstof in 2022. Tevens werd de derogatievergunning ingetrokken en werd eiseres uitgesloten van deelname aan derogatie in 2025. Eiseres betwistte de hoogte van de boete en voerde aan dat zij niet bewust de norm had overschreden, maar had vertrouwd op een foutief advies van een deskundige.

De rechtbank stelt vast dat de overtreding is begaan en dat eiseres als overtreder verantwoordelijk is. De kern van het geschil betreft de vraag of de boete gematigd moet worden vanwege bijzondere omstandigheden. De rechtbank toetst de evenredigheid van de boete aan de hand van het EVRM en de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De rechtbank oordeelt dat de boete proportioneel is en dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, zoals het vertrouwen op een adviseur en het ontbreken van milieuschade, onvoldoende zijn om matiging te rechtvaardigen. De overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen leidt volgens de rechtbank onmiskenbaar tot milieuschade, ook als de bredere stikstofgebruiksnorm niet is overschreden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het boetebesluit en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiseres wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard en het boetebesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

maatschap [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister

(gemachtigde: mr. A.R. Alladin).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die de minister aan eiseres heeft opgelegd voor overtreding van de Meststoffenwet (Msw). Eiseres is het niet eens met de hoogte van de opgelegde boete en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het opleggen van deze boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de hoogte van de boete juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 november 2024 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van
51.505 voor overtreding van de Msw in 2022. Verder heeft de minister de derogatievergunning voor 2022 ingetrokken en eiseres voor 2025 uitgesloten voor deelname aan derogatie.
2.1.
Met de beslissing op bezwaar van 8 april 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] en [eiser 2] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres exploiteert een melkveehouderij. Een toezichthouder van de NVWA [1] heeft gecontroleerd of eiseres zich in 2022 heeft gehouden aan de meststoffenregelgeving. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 11 december 2023.
3.1.
Met de brief van 12 september 2024 heeft de minister, naar aanleiding van de bevindingen in het rapport van 11 december 2023, eiseres het voornemen meegedeeld om de derogatievergunning voor 2022 in te trekken en om eiseres een bestuurlijke boete op te leggen van € 54.005. Eiseres heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.
3.2.
Met het besluit van 12 november 2024 heeft de minister de derogatievergunning voor 2022 ingetrokken, eiseres voor 2025 uitgesloten van deelname aan derogatie en eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 51.505 wegens het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 7.715 kilogram stikstof. In dit bedrag is op grond van het door de minister gehanteerde boetebeleid [2] een matiging van 10% verwerkt wegens het overschrijden van de redelijke beslistermijn.
3.3.
Met het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
De omvang van het geding
4. Eiseres erkent dat zij in 2022 de gebruiksnormen voor dierlijke mest met 7.715 kilogram stikstof heeft overschreden. Dit volgt ook uit het boeterapport van de NVWA van 11 december 2023 dat de minister ten grondslag heeft gelegd aan het boetebesluit van 12 november 2024. Hiermee staat vast dat de overtreding is gepleegd en dat eiseres de overtreder is. De omvang van het geding wordt dan ook beperkt tot de vraag of de voor de overschrijding opgelegde boete moet worden gematigd.
Beoordelingskader
5. De aan de eiseres opgelegde boete is aan te merken als een bestraffende sanctie, die valt onder het bereik van artikel 6 van Pro het EVRM. [3] Dat brengt mee dat de rechtbank moet toetsen of de hoogte van de opgelegde boete evenredig is of – anders gezegd – in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.
5.1.
De hoogte van de bestuurlijke boete voor het overschrijden van de gebruiksnormen is wettelijk vastgelegd. [4] Er kan wel een lagere boete worden opgelegd dan in de wet staat, maar dan moet de overtreder aannemelijk maken dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. [5] Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) moet binnen dit kader worden beoordeeld of de boete evenredig is in de zin van artikel van het 6 EVRM. Dit betekent dat de rechtbank beoordeelt of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. [6]
De hoogte van de boete
6. Eiseres is het niet eens met de aan haar opgelegde boete en heeft in beroep aangevoerd – kort samengevat – dat de boete moet worden gematigd omdat eiseres niet bewust de gebruiksnorm heeft overschreden maar volledig heeft vertrouwd op haar adviseur die een vergissing heeft gemaakt. Eiseres erkent dat zij verantwoordelijk blijft voor het handelen naar dit advies, maar zij verschilt hiermee in belangrijke mate van een agrariër die doelbewust de zaak probeert op te lichten. Daarnaast is er volgens eiseres geen sprake van milieuschade, omdat de gebruiksnorm stikstof niet is overschreden. De opgelegde boete en de gevolgen van de overige maatregelen (zoals uitsluiting van derogatie, randvoorwaardenkorting en geen gebruik kunnen maken van subsidieregelingen) zijn voor eiseres zo hoog dat deze als onbillijk en niet evenredig worden ervaren. Tot slot was de overtreding van eiseres gering.
6.1.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Eiseres wijst er zelf ook al op dat zij verantwoordelijk is en blijft voor het advies van een door haar ingeschakelde deskundige. Als het zo is dat die deskundige een fout heeft gemaakt, dan zal eiseres haar deskundige moeten aanspreken. Op de zitting heeft eiseres gezegd dat zij daarvoor al voorbereidingen aan het treffen is. Verder is de rechtbank het met de minister eens dat er door de overtreding wel degelijk milieuschade is opgetreden. Het wel voldoen aan de stikstofgebruiksnormen voor mest ontslaat eiseres niet van de verplichting om ook te voldoen aan de afzonderlijke gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is een afzonderlijke norm die voorschrijft hoeveel stikstof uit dierlijke mest per hectare mag worden toegediend. De stikstofgebruiksnorm is een bredere norm die de totale hoeveelheid stikstof uit alle meststoffen limiteert. De rechtbank is het met de minister eens dat zodra een van de gebruiksnormen is overschreden er sprake is van milieuschade.
6.2.
Verder vindt de rechtbank dat de minister in het besluit van 8 mei 2025 voldoende heeft toegelicht waarom de overtreding niet gering was en daarom geen grond vormde om de boete te matigen. De rechtbank begrijpt verder dat de overtreding van de Msw ook andere (fors) nadelige besluiten voor eiseres tot gevolg heeft gehad, naast de opgelegde bestuurlijke boete. Maar de rechtbank mag dat alleen als bijzondere omstandigheid aanmerken als de wetgever daarmee geen rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het wettelijke boetebedrag. Dat laatste is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Voetnoten

1.Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
2.Boetebeleid Meststoffenwet RVO. Op grond van dit beleid wordt een boete bij overschrijding van de redelijke beslistermijn met meer dan 26 weken met 10% gematigd, met een maximum van € 2.500 per onderdeel.
3.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
4.Artikel 57 van Pro de Msw.
5.Artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.Zie onder meer CBb 28 februari 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BV8605), CBb 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:2) en CBb 22 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:263).