ECLI:NL:RBGEL:2026:6126

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
C/05/466334
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 2:2 BWArt. 17 GrondwetArt. 112 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen oud-diakenen tegen kerkgenootschap inzake collectief aftreden en herintrede

De oud-diakenen vorderden in kort geding de schorsing van besluiten van de kerkenraad, classis en synodes die hun collectief aftreden bevestigen, en hun herintrede in de kerkenraad. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgerlijke rechter bevoegd is omdat de vorderingen gebaseerd zijn op onrechtmatige daad en strijd met fundamentele procesbeginselen. De diakenen zijn ontvankelijk omdat de interne kerkelijke rechtsgang niet met voldoende waarborgen is omkleed, onder meer vanwege het weigeren van rechtsbijstand en verwevenheid van betrokken personen.

Inhoudelijk is onvoldoende aannemelijk dat de besluiten in strijd zijn met de eigen kerkelijke regels (Dordtse Kerkorde). De stemming over collectief aftreden was geldig en bindend voor de minderheid. De belangenafweging weegt het belang van rust en goede samenwerking in de kerkenraad en gemeente zwaarder dan het belang van de diakenen bij herintrede. Drie diakenen zijn niet-ontvankelijk wegens verstreken ambtstermijn.

De vorderingen worden afgewezen, de diakenen worden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. De voorzieningenrechter verklaart de diakenen niet-ontvankelijk jegens de Particuliere en Generale Synode. Het wrakingsverzoek blijft buiten beschouwing.

Uitkomst: De vorderingen van de oud-diakenen worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/466334 / KG ZA 26-166
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van

1.[naam diaken 1] ,

wonend te [woonplaats] ,
2.
[naam diaken 2],
wonend te [woonplaats] ,
3.
[naam diaken 3],
wonend te [woonplaats] ,
4.
[naam diaken 4],
wonend te [woonplaats] ,
5.
[naam diaken 5],
wonend te [woonplaats] ,
6.
[naam diaken 6],
wonend te [woonplaats] ,
7.
[naam diaken 7],
wonend te [woonplaats] ,
8.
[naam diaken 8],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de diakenen,
advocaten: mrs. J.J.H. Post en G. van den Brink,
tegen

1.DE GEREFORMEERDE GEMEENTE TRICHT-GELDERMALSEN,

gevestigd te Geldermalsen,
2.
DE CLASSIS UTRECHT DER GEREFORMEERDE GEMEENTEN,
gevestigd te Leusden,
3.
DE PARTICULIERE SYNODE NOORD-WEST DER GEREFORMEERDE GEMEENTEN,
gevestigd te Geldermalsen,
4.
HET KERKGENOOTSCHAP GEREFORMEERDE GEMEENTEN,
waarvan een orgaan is:
de Generale Synode,
gevestigd te Woerden,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: het kerkgenootschap c.s.,
advocaat: mr. M.J.W. Hoek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: [1]
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 24;
- de akte met aanvullende producties 25 tot en met 30 van de diakenen van 14 juli 2026;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6 van 15 juli 2026;
- de brief met aanvullende productie 31 van de diakenen van 16 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 17 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van de diakenen;
- de spreekaantekeningen van het kerkgenootschap c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De Gereformeerde Gemeente Tricht-Geldermalsen (gedaagde sub 1, hierna: de GG Tricht-Geldermalsen of de gemeente) is een kerkgenootschap als bedoeld in artikel 2:2 BW Pro.
De GG Tricht-Geldermalsen is een zelfstandige, plaatselijke kerkelijke gemeente met ruim 1700 leden en maakt deel uit van het landelijke kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten (gedaagde sub 4, hierna: het kerkverband).
2.2.
Het kerkverband bestaat uit plaatselijke kerkelijke gemeenten, classes, Particuliere Synodes, een Generale Synode en diverse deputaatschappen. De classes zijn kerkelijke vergaderingen die gelden als meerdere vergadering van de kerkenraad en bestaan uit de kerken uit de betreffende regio (het classicaal ressort). De classes maken deel uit van één van de vier Particuliere Synodes. De Particuliere Synodes maken op hun beurt deel uit van de Generale Synode (zie gedaagde sub 4). De GG Tricht-Geldermalsen valt onder de classis Utrecht (gedaagde sub 2, hierna: de classis) en de Particuliere Synode Noord-West (gedaagde sub 3, hierna: de Particuliere Synode).
2.3.
De GG Tricht-Geldermalsen wordt vertegenwoordigd door een kerkenraad, een kerkelijke vergadering die uit haar leden is gekozen, haar vertegenwoordigt en tucht over haar oefent, en als een permanent college (ook al wisselen de kerkenraadsleden) het bestuur van de gemeente vormt. De kerkenraad bestaat uit meerdere zogeheten ambtsdragers: een predikant, ouderlingen en diakenen (hierna: de kerkenraad). Eisers zijn in het verleden allen door de gemeente gekozen als diakenen en bevestigd tot leden van de kerkenraad.
2.4.
De classes en synodes hebben een afgeleide macht. Zij hebben geen vaste leden, maar worden op bepaalde tijden of voor bepaalde gevallen samengeroepen en worden dan samengesteld uit afgevaardigden van plaatselijke gereformeerde gemeenten. Deze afgevaardigden verschijnen, voorzien van een lastbrief van de hen deputerende kerken, op de meerdere vergaderingen en hebben daardoor recht van zitting in die vergadering.
2.5.
Het kerkverband, en daarmee ook de GG Tricht-Geldermalsen, wordt geregeerd door een eigen statuut: de Dordtse Kerkorde (hierna: de DKO). Deze is op schrift gesteld en wordt artikelsgewijs toegelicht in een kerkelijk handboek, genaamd: “...en met Orde”, gepubliceerd op de website www.gergeminfo.nl. van het kerkverband.
2.6.
In de DKO, die per artikel is voorzien van vragen en antwoorden en een toelichting, is, voor zover relevant, het volgende bepaald:
Artikel 27 – Diensttijd van ouderlingen en diakenen
Elk jaar treedt een deel van de ouderlingen en diakenen af (...), zodanig dat de zittingstermijn van elke ambtsdrager niet langer is dan vier jaar. Herkiezing is mogelijk. Een en ander als het welzijn van de gemeente hiermee is gediend.
Vragen en antwoorden
(...)
Vraag 27.2: Waarom is er geen maximale zittingstermijn van bijvoorbeeld 12 jaar voor ambtsdragers opgenomen?
Antwoord 27.2: (...) Er zijn argumenten aan te voeren voor een begrenzing, maar er zijn ook argumenten om dat niet te doen, zoals continuïteit en ambtelijke ervaring. (...) Elke kerkenraad is overigens vrij om deze argumenten te wegen bij de herverkiezing.
(...)
Artikel 30 – Bevoegdheid van ambtelijke vergaderingen
In ambtelijke vergaderingen worden alleen kerkelijke zaken op kerkelijke wijze behandeld.a-b In meerdere vergaderingen wordt alleen datgene behandeld wat men in de mindere vergaderingen niet heeft kunnen afhandelen en die zaken die naar hun aard door de gemeenten gezamenlijk in het verband van een meerdere vergadering dienen te worden behartigd.c
Toelichting bij artikel 30 – Bevoegdheid van ambtelijke vergaderingen
a.Met de uitdrukking ‘op kerkelijke wijze’ wordt bedoeld een handelen op geestelijke, ambtelijke wijze, dus naar Schrift, belijdenis en kerkorde.
b.Ambtsdragers oefenen het ambt uit ex mandate Christi. Dit besef dient hen en gemeenteleden te leiden in hun kerkelijk handelen.
(...)
Artikel 31 – Recht van appel
1. Wie zich bezwaard voelt door de uitspraak van een mindere vergadering, kan zich beroepen op een meerdere vergadering.a-b
2. Wat op deze meerdere vergadering door de meeste stemmen goedgevonden is, wordt voor vast en bondig gehouden, behalve wanneer bewezen wordt dat het strijdt tegen het Woord van God of tegen de artikelen van deze kerkorde. Deze strijdigheid wordt vastgesteld door de meerdere vergadering.
3. De generale synode stelt nadere regels over het recht van appel.c-d
Toelichting bij artikel 31 – Recht van appel
a.Een lid van de gemeente kan zich naar aanleiding van een besluit van zijn kerkenraad beroepen op de classis, naar aanleiding van een besluit van de classis op de particuliere synode en naar aanleiding van een besluit van de particuliere synode op de generale synode. Er mag geen instantie overgeslagen worden. Dit recht van appel komt ook toe aan een kerkelijke vergadering.
b.Het appel geldt voor alle besluiten die geacht worden in strijd te zijn met Schrift, belijdenis, kerkorde en met het geestelijk en algemeen welzijn van de kerk. Er mag echter nooit geappelleerd worden om eigen eer of om gelijk te hebben, maar alleen wanneer de eer van God en het heil van de kerk ertoe dringt.
c.Voor de gang van zaken bij een appel verwijzen we naar de door de generale synode vastgestelde ‘Appelregeling’ van 2019.
d.Ook een appellant dient op kerkelijke wijze te handelen (1 Kor. 6). Indien niet in die zin wordt gehandeld, kan de kerkelijke vergadering besluiten tot kerkelijk vermaan.
(...)
Artikel 39 – Taak classis bij onvolledige kerkenraad
In plaatsen waar geen (volledige) kerkenraad (meer) is, wordt, zolang dit het geval is, door of namens de classis gedaan wat normaal gesproken de kerkenraad volgens de bepalingen van deze kerkorde opgedragen is te doen.
(...)
Artikel 84 – Onderlinge gelijkheid van gemeenten en van ambtsdragers
Geen gemeente voert heerschappij over andere gemeenten, geen predikant over andere predikanten, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen.a
Toelichting bij artikel 84 – Onderlinge gelijkheid van gemeenten en van ambtsdragers
a.Dit artikel laat onverlet dat een ambtsdrager zich moet onderwerpen aan de bindende besluiten van zijn kerkenraad en dat kerkenraad, classis en particuliere synode zich hebben te onderwerpen aan de bindende besluiten van een meerdere vergadering. Uiteraard blijft hierbij het recht op appel bestaan.
2.7.
Het kerkverband kent een eigen appelregeling voor kerkelijke rechtspraak, eveneens gepubliceerd op de website van het kerkverband. In die regeling en de toelichting daarop is, voor zover relevant, het volgende bepaald:
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Pro
In deze regeling wordt verstaan onder:
(...)
b. belanghebbende:
 belijdend lid van de gemeente dat rechtstreeks belang heeft bij een beslissing van een kerkelijke vergadering, of
 kerkenraad die rechtstreeks belang heeft bij een beslissing van een meerdere kerkelijke vergadering;
(...)
Artikel 3 Hoor Pro en wederhoor
1. De kerkelijke vergadering stelt belanghebbenden in de gelegenheid hun standpunten mondeling toe te lichten. Zo mogelijk vindt het horen van partijen plaats in elkaars aanwezigheid. De kerkelijke vergadering kan besluiten partijen afzonderlijk te horen.
(...)
Artikel 4 Bijstand Pro, getuigen en deskundigen
1. Belanghebbenden kunnen zich in hun schriftelijk en mondeling contact met de kerkelijke vergadering door één persoon laten bijstaan, indien zij niet in staat zijn zelf hun zaak te behartigen.
2. Het is noodzakelijk dat de persoon die bijstand verleent affiniteit heeft met het kerkelijke leven, zich de geestelijke aard van het geschil en het kerkelijk leven realiseert en hiermee in zijn handelen rekening houdt.
(...)
Toelichting artikel 4
Kerkelijke vergaderingen dienen erop toe te zien dat de behandeling van een zaak op ambtelijke, kerkelijke wijze plaats heeft en dat deze niet terecht komt in een wereldlijke, juridische sfeer. (...)
1. Iemand kan zich in de schriftelijke en mondelinge contacten met een kerkelijke vergadering laten bijstaan door een voorspraak of mond. Regel is dat de betrokkene in eigen persoon aanwezig is en een uiteenzetting geeft. Indien de betrokkene niet in staat is zelf zijn zaak te behartigen, bijvoorbeeld om emotionele, psychische of fysieke redenen, mag hij zich laten bijstaan.
(...)
Artikel 6 Indiening Pro appelschrift
1. Tegen een beslissing van de kerkenraad op een bezwaar of een andere beslissing waartegen rechtstreeks de mogelijkheid van appel wordt geboden, staat binnen zes weken beroep open op de classis voor een belanghebbende, tenzij bij die beslissing een andere termijn is genoemd.
(...)
5. Het indienen van een appelschrift heeft geen opschortende werking, tenzij de kerkelijke vergadering bij haar beslissing anders heeft bepaald.
6. De indiener kan bij de scriba van de gemeente die is aangewezen als de samenroepende kerk tevens schriftelijk verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen totdat de classis op het appel uitspraak heeft gedaan. Het verzoek bevat een uiteenzetting van de gronden en een omschrijving van de gevraagde voorlopige voorziening.
(...)
Artikel 14 Appel Pro bij generale synode
1. Tegen een uitspraak op appel van de particuliere synode staat voor een belanghebbende binnen zes weken beroep open op de generale synode.
2.Wat betreft de indiening van een appelschrift en de behandeling daarvan door de generale synode zijn de artikelen 6, 7 en 10 van overeenkomstige toepassing.
(...)
2.8.
In de periode tussen 2023 en medio 2025 zijn de verhoudingen binnen de kerkenraad verstoord geraakt. Dit heeft ertoe geleid dat vier ouderlingen hun ambt hebben neergelegd en één ouderling door de kerkenraad niet meer herkiesbaar is gesteld. De kerkenraad heeft in april 2025 aan de classis advies gevraagd om de impasse te doorbreken. De classis heeft vervolgens uit haar midden een College van Visitatoren (hierna: CvV) aangesteld die na onderzoek op 13 juni 2025 rapport heeft uitgebracht aan de classis. Daarin heeft het CvV de situatie beoordeeld als “zeer ernstig”, waarbij zij niet denkbeeldig acht dat in de gemeente scheuringen zullen ontstaan. Zij heeft in verband daarmee zes aanbevelingen gedaan aan de classis.
2.9.
Op 20 juni 2025 heeft de classis deze aanbevelingen in enigszins gewijzigde vorm overgenomen en deze daags daarna aan de kerkenraad gezonden. In de aanbevelingen staat, voor zover relevant, het volgende:
“1. Er wordt een interim-periode van vooralsnog 6 maanden ingesteld. Er wordt een predikant gezocht die deze periode de kerkenraad voorzit. In deze periode wordt onder leiding van deze predikant en in samenspraak met het College van Visitatoren gewerkt aan het herstel van het vertrouwen binnen de kerkenraad.
(...)
5. In geval na de interim-periode blijkt dat er onvoldoende perspectief is op herstel van het
vertrouwen binnen de kerkenraad, zal het College van Visitatoren de kerkenraad met klem
adviseren in zijn geheel af te treden, om onder leiding van de classis een nieuwe kerkenraad te vormen.
6. Na drie maanden wordt de stand van zaken geëvalueerd, en zal er een tussenrapportage naar de classis komen, die in de oktobervergadering aan de orde wordt gesteld. In geval er duidelijke tekenen zijn van herstel is het dan mogelijk de zaak opnieuw te bezien (...). Anderzijds in geval geen enkel perspectief op herstel van de verhoudingen blijkt, zal de commissie de kerkenraad dan al dringend adviseren af te treden.”
2.10.
De classis heeft, in lijn met de hiervoor genoemde aanbeveling onder 1., een predikant benoemd die de kerkenraad tijdelijk voorzat. Deze predikant heeft begin november 2025 de opdracht teruggegeven, naar eigen zeggen omdat er sprake was van een onwerkbare situatie.
2.11.
Op 8 november 2025 heeft een kerkenraadsvergadering plaatsgevonden. Daarbij was de voltallige kerkenraad aanwezig, op dat moment nog bestaand uit een predikant, acht ouderlingen en elf diakenen. Tevens waren vier leden van het CvV aanwezig en de consulent van de gemeente (een naburige predikant uit het kerkverband die door de classis wordt toegewezen aan een gemeente,
rb.). Er is gesproken over de situatie binnen de kerkenraad en alle kerkenraadsleden zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Na beraadslaging heeft het CvV, zo is in de notulen van de vergadering vastgelegd, het volgende besloten:
“- De classis heeft het CvV op 20 juni 2025 besloten hoe te handelen in de situatie in Tricht-
Geldermalsen. Dit besluit bestaat uit 6 punten. Hiertegen is niet geappelleerd, dus dit
besluit is bondig. Dit classisbesluit vormt het mandaat van het CvV.
- De punten 1 t/m 4 hebben niet tot een oplossing geleid. Hierdoor is punt 5 aan de orde. (...)
- Gelet op dit classisbesluit in relatie met punt 6, dat gaat over tussentijdse beoordeling
van de situatie, komt het CvV tot de conclusie dat we nu in de omstandigheid verkeren
dat dit besluit van toepassing is. Het CvV zal dus in opdracht van de classis de
kerkenraad met klem adviseren af te treden. Dit geldt de ouderlingen en de diakenen.
- Als dit inderdaad gebeurt is artikel 39 DKO Pro aan de orde, dat handelt over de bevoegdheid
van de classis in geval er geen (volledige) kerkenraad is.
- Als dit dringende advies niet wordt opgevolgd zal het CvV het dossier bij de classis
neerleggen, en een besluit van de classis hierover vragen.
(...)
2.12.
Op 15 november 2025 is een buitengewone kerkenraadsvergadering belegd om te stemmen over hetgeen op 8 november 2025 is besproken. In de notulen van de vergadering van 15 november 2025 staat dat het “voor de classis nodig is om te weten of de kerkenraad het advies tot collectief aftreden in meerderheid wel of niet ondersteunt”. Vervolgens heeft een stemming plaatsgevonden, volgens de notulen over de vraag “of men het eens of oneens is met het klemmende advies van het CvV dat de kerkenraad collectief zal aftreden.” Uit de schriftelijke stemming is gebleken dat elf kerkenraadsleden het hiermee eens zijn en negen oneens. In de notulen staat verder dat het CvV dit oordeel van de kerkenraad zal meenemen naar de classisvergadering en dat de beslissing van de classis moet worden afgewacht.
2.13.
Op 21 november 2025 heeft de classis vergaderd. In een e-mailbericht van de scriba van de classis aan de diakenen van 27 november 2025 staat, voor zover relevant, het volgende:
* De classis heeft kennisgenomen van het kerkenraadsbesluit van 15 november om
collectief af te treden. De classis heeft zich hierover beraden (...). De uitkomst daarvan is dat de classis het kerkenraadsbesluit heeft erkend als een wettig besluit. Hierdoor functioneren de ouderlingen en diakenen niet meer in ambtelijke dienst.
* Vanwege de hierdoor ontstane situatie is per direct artikel 39 van Pro de DKO in werking
getreden. Daarom zijn er deputaten ex artikel 39 DKO Pro benoemd, die in de plaats van de
kerkenraad treden. Als deputaten zijn benoemd de leden van het College van Visitatoren, en [consulent] als consulent.
(...)
* Allereerst is belangrijk dat in de gemeente weer een stabiele situatie ontstaat. Als dat
het geval is zullen deputaten ex art. 39 DKO Pro zorgdragen voor het vormen van een nieuwe
kerkenraad.
(...)
* Tegen het kerkenraadsbesluit om collectief af te treden is appel op de classis mogelijk.
Dit appel heeft geen opschortende werking. Op pagina 112 van ‘… en met orde’ wordt
uitgelegd hoe dat toegaat in de bijzondere situatie dat art. 39 DKO Pro van toepassing is. Een
eventueel appel kan binnen zes weken na het kerkenraadsbesluit rechtstreeks aan de
scriba van de classis worden gericht.
(...)”
2.14.
De classis heeft deputaten in de zin van artikel 39 DKO Pro benoemd met de opdracht tijdelijk te doen wat normaal gesproken de kerkenraad doet (hierna: de deputaten 39 DKO).
2.15.
Op 22 december 2025 hebben de diakenen appel ingesteld bij de classis tegen het kerkenraadsbesluit van 15 november 2025 en het classisbesluit van 21 november 2025. Daarbij hebben de diakenen tevens om opschortende werking gevraagd in het kader van een voorlopige spoedvoorziening ter voorkoming van een onomkeerbare situatie.
2.16.
Bij e-mailberichten van 8 januari 2026 hebben de advocaten van de diakenen het moderamen van de classis verzocht om hen toe te laten tot de classisvergadering op 16 januari 2026 om namens de diakenen het woord te voeren. Verder hebben zij een punt van orde gemaakt ten aanzien van de onpartijdigheid van de classis, in het bijzonder hoe zou worden voorkomen dat deputaten ook als classisleden mee zouden beraadslagen en stemmen.
2.17.
Bij e-mailbericht van 12 januari 2026 heeft het moderamen van de classis [diaken 8] (eiser sub 8), voor zover relevant, als volgt bericht:
“Van uw advocaat (...) ontvingen wij een verzoek om op de classisvergadering van D.V.
a.s. vrijdagavond 16 januari het woord te voeren. Als moderamen zien we hiervoor geen noodzaak. De dilemma's waar uw appel over gaat betreffen kerkordelijk geen complexe materie (art 39 en Pro art. 84 DKO Pro). De bezwaren zijn vooral inhoudelijk van aard. Daarom achten we u zonder meer in staat zelf uw zaak te behartigen, zoals aangegeven in de appelregeling art. 4.1. Ook deputaten ex art. 39 DKO Pro zullen zich niet door een jurist laten bijstaan. Het moderamen zal de vergadering daarom voorstellen dat u zelf het woord voert, en dat uw advocaat dus niet zal worden toegelaten. Het is de vergadering die hierover uiteindelijk beslist.
We maken u erop attent dat het vanzelfsprekend is toegestaan dat u zich hierop (desnoods
schriftelijk) voorbereidt.”
2.18.
Bij e-mailbericht van 15 januari 2026 heeft het moderamen van de classis de diakenen bericht dat reeds is meegedeeld dat het moderamen geen noodzaak erin ziet dat een ander het woord voert, overeenkomst appelregeling artikel 4 lid Pro 1, en dat het moderamen desgevraagd door de advocaat van de diakenen geen aanleiding ziet om dit standpunt te heroverwegen.
2.19.
Bij e-mailbericht van 16 januari 2026 heeft het moderamen van de classis [diaken 8] , voor zover relevant, als volgt bericht:
“Naar aanleiding van onze eerdere correspondentie delen wij u het volgende mee. Ter voorkoming van de indruk dat sprake zou kunnen zijn van enige beïnvloeding vanuit het deputaatschap artikel 39, zijn wij voornemens het verzoek van uw advocaat zonder voorafgaand advies van het moderamen aan de classis voor te leggen. Daarnaast zullen bij de behandeling van de appelprocedure geen personen vanuit het deputaatschap artikel 39 zitting Pro nemen in het moderamen.”
2.20.
Op 16 januari 2026 heeft ’s avonds de classisvergadering plaatsgevonden. De advocaten van de diakenen waren voor aanvang aanwezig, maar de classis heeft desgevraagd geweigerd hen toe te laten tot de vergadering. De diakenen hebben hun standpunten mondeling toegelicht en daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota die zij ook hebben overgelegd in de vergadering. Het appel is na beraadslaging door de classis mondeling ter vergadering ongegrond verklaard.
2.21.
Op 29 januari 2026 heeft de classis dit besluit op schrift gesteld en aan de diakenen toegezonden. Kort samengevat heeft de classis het appel ontvankelijk verklaard, besloten geen advocaten toe te laten omdat het een kerkelijke behandeling betreft in een kerkelijke vergadering en zij elke zweem van juridisering wil voorkomen, en het volgende geconcludeerd: het kerkenraadsbesluit van 15 november 2025 om collectief af te treden was een wettig besluit en moet gezien worden in de bredere context van het ontstaan van een onwerkbare situatie binnen de kerkenraad. De classis heeft het volgende besloten: het appel is ongegrond, er is geen sprake van opschortende werking en er wordt geen andere spoedvoorziening getroffen dan die er al is, namelijk het benoemen van deputaten 39 DKO. Tegen deze besluiten staat appel open op de Particuliere Synode Noord-West binnen zes weken.
2.22.
De diakenen hebben op 6 februari 2025 appel ingesteld bij de Particuliere Synode. De behandeling van het appel vond plaats op donderdag 9 april 2026. Ook de Particuliere Synode heeft het verzoek om de aanwezige twee advocaten van de diakenen toegang tot de vergadering te verlenen om het woord te kunnen voeren geweigerd. Kort na sluiting van de behandeling werd mondeling aan de diakenen meegedeeld dat hun appel ongegrond was verklaard en dat er geen opschortende werking zou volgen.
2.23.
Bij brief van 23 april 2025 heeft de Particuliere Synode dit besluit op schrift gesteld en toegezonden aan de diakenen. Daarin is, kort samengevat, overwogen dat de advocaten niet zijn toegelaten tot de vergadering omdat geen sprake is van de situatie dat de appellant redelijkerwijs niet in staat is om zelf zijn appelschrift toe te lichten en men dient te waken voor onnodige juridisering. Ten aanzien van het appel heeft de Particuliere Synode overwogen dat het een van de grondregels in het gereformeerd kerkrecht is dat een besluit bij meerderheid van stemmen wordt genomen, tenzij van tevoren een bepaalde stemverhouding is afgesproken. Nu dat bij het kerkenraadsbesluit niet is gebeurd, is de meerderheid bepalend en is ieder kerkenraadslid gebonden aan het besluit van de kerkenraad. Tegen het mandaat van de classis van 20 juni 2025 is bovendien geen appel ingesteld, zodat dit vast en bondig is. Het CvV heeft conform dit mandaat gehandeld op de vergadering van 15 november 2025 en de kerkenraad heeft dit advies overgenomen. De opschortende werking is afgewezen omdat twee gelijkluidende besluiten zijn genomen en opschorting niet in het belang van de gemeente is. Tegen het besluit van de Particuliere Synode staat appel open binnen zes weken bij de Generale Synode.
2.24.
De laatstgehouden Generale Synode is op 12 februari 2026 gesloten. De eerstvolgende Generale Synode vindt plaats in september 2028.
2.25.
Bij brief van 13 juli 2026 heeft de kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente te Genemuiden (de zogenoemde ‘roepende kerk’ die de Generale Synode belegt) de diakenen desgevraagd, kort samengevat, bericht dat zij heeft besloten de Generale Synode niet eerder bijeen te roepen. Daarbij was beslissend of naar haar inschatting er een reële kans was dat een eerder bijeengeroepen Generale Synode de gevraagde voorziening zou treffen. Verder is de proportionaliteit van het belang van de diakenen afgewogen tegen het belang van de GG Tricht-Geldermalsen en het kerkverband. Tegen deze beslissing staat voor de diakenen nog beroep open.
2.26.
Op 22 juni 2026 hebben in de gemeente ambtsdragersverkiezingen (verkiezingen voor de vorming van een nieuwe kerkenraad) plaatsgevonden. De deputaten 39 DKO hebben daarvoor voor ieder van de vijf vacante functies twee mannen gekandideerd. Per tweetal kandidaten betrof dat steeds tenminste één lid dat tot 15 november 2025 deel uitmaakte van de kerkenraad, waartoe ook de diakenen behoorden. De door de gemeenteleden bij meerderheid verkozen nieuwe kerkenraadsleden betreffen alle vijf voormalig ambtsdragers (tot 15 november 2025). Tijdens de zitting is toegelicht dat deze vijf leden in de kerkdienst van zondag 19 juli 2026 worden bevestigd in het ambt.
2.27.
Inmiddels is de ambtstermijn van drie van de eisers verstreken. Het betreft de heren [diaken 1] , [diaken 4] en [diaken 5] . Zij maakten, net als de overige eisers, geen deel uit van de door de deputaten 39 DKO gestelde kandidaten voor de ambtsdragersverkiezingen.

3.Het geschil

3.1.
De diakenen vorderen – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ten aanzien van het kerkgenootschap c.s. (hoofdelijk in die zin dat wanneer de een voldoet de ander zal hebben voldaan):
1. het besluit van de kerkenraad van 15 november 2025, het besluit van de classis van 21 november 2025, de beslissing van de classis van 16/29 januari 2026 en de beslissing van de Particuliere Synode van 9/23 april 2026,
schorst of opschortende werking verleent, totdat
primair: de burgerlijke rechter in een bodemzaak einduitspraak heeft gedaan,
subsidiair: totdat de Generale Synode een eindbesluit heeft genomen,
2. het kerkgenootschap c.s. beveelt de diakenen individueel en gezamenlijk onverwijld doch uiterlijk binnen twee dagen, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, na dit vonnis uit te nodigen, toe te laten en toegelaten te houden tot de kerkenraad en al de kerkenraadsvergaderingen inclusief alle (te nemen) besluitvorming daarbinnen, en hen daaraan volledig te doen deelnemen, al dan niet samen met de deputaten 39 DKO, alsmede alle ambtswerkzaamheden, totdat het sub 1 primair of subsidiair gevorderde volledig is vervuld of voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn;
3. gedaagde sub 4 beveelt de diakenen binnen twee dagen na dit vonnis - met erkenning van het volledige recht op rechtsbijstand – door een advocaat toe te laten tot en het woord te voeren bij de behandeling van de bezwaren en appellen van eisers bij de Generale Synode, totdat de Generale Synode een eindbeslissing heeft genomen op de ingediende bezwaren en appellen of voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn;
4. het kerkgenootschap c.s. beveelt binnen twee dagen na dit vonnis een feitelijke rectificatie te (doen) publiceren op hun websites: www.gergeminfo.nl en www.gergemtrichtgeldermalsen.nl met als inhoud zoals hiernavolgend of door de voorzieningenrechter te bepalen:
“De Voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft bij vonnis d.d. … 2026 bepaald dat de besluiten van
- 15 november 2025, dat de kerkenraad van de GG Tricht-Geldermalsen collectief is afgetreden
- 21 november 2025 van de classis, dat dat besluit wettig is alsmede
- 16/29 januari 2026 (appelbesluit) van de classis,
- 9/23 april 2026 (appelbesluit) van de Particuliere Synode, dat dat bevestigt,
zijn geschorst totdat de rechtsgang volledig is doorlopen. Gedurende deze schorsingstermijn zijn de hiervoor genoemde besluiten niet van kracht. De eisers dienen te worden toegelaten tot de kerkenraad en de besluitvorming daarbinnen tezamen met de deputaten ex 39 DKO. Tevens heeft de Voorzieningenrechter bepaald dat een afschrift van het vonnis op deze website dient te worden gepubliceerd.”
inclusief de wijze waarop de inhoud van dit vonnis zichtbaar en kenbaar is op deze website gedurende één maand na de datum van het vonnis;
5. bepaalt dat het kerkgenootschap c.s. vanaf 24 uur na betekening van dit vonnis hoofdelijk bij schending van het onder 2) en 4) gevorderde steeds een dwangsom is verschuldigd en gedaagde sub 4 bij schending van het onder 4) gevorderde een dwangsom is verschuldigd, van € 5.000,-- voor iedere dag dat gedaagde(n) daarmee in gebreke blijven tot een maximum van € 100.000 of een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag;
6. die voorziening treft sub 1 tot 5 die de voorzieningenrechter passend of geraden voorkomt gelet op de omstandigheden van het geval zodat het kerkgenootschap c.s. voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;
7. het kerkgenootschap c.s. veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De diakenen leggen aan de vorderingen, kort samengevat, ten grondslag dat de kerkenraad niet bij meerderheidsbesluit kon beslissen over aftreding van een individuele ambtsdrager. Er is geen (geldig) besluit tot collectief aftreden genomen, zodat de diakenen nog lid zijn van de kerkenraad. De kerkelijke rechtsgang die zij tot nu toe hebben gevolgd om de beslissing van de kerkenraad en het besluit van de classis aan te vechten is niet met voldoende waarborgen omkleed. Er is sprake van strijd met de eigen kerkelijke regels en met de goede procesorde, aldus de diakenen. Zij stellen dan ook een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde voorzieningen, mede omdat de Generale Synode pas over meer dan twee jaar samenkomt. De diakenen vorderen weer te worden toegelaten tot de kerkenraad(svergaderingen) en in de gelegenheid te worden gesteld om zich bij de Generale Synode te laten bijstaan door hun advocaten. Ten slotte moet het kerkverband het tot nu toe geschetste beeld rectificeren, omdat dit volgens de diakenen onrechtmatig is jegens hen.
3.3.
Het kerkgenootschap c.s. voeren verweer. Volgens hen is de burgerlijke rechter onbevoegd van de vorderingen kennis te nemen. Verder zijn de diakenen jegens gedaagden sub 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk in hun vorderingen. Voor zover de vorderingen inhoudelijk worden beoordeeld betwisten het kerkgenootschap c.s. het spoedeisend belang van de diakenen. Zij stellen zich daarnaast op het standpunt dat naar het interne kerkrecht sprake is van een geldig besluit tot collectief aftreden dat niet in strijd is met de DKO. De diakenen hebben bovendien een belangrijke rol gespeeld bij het ontstaan en voortbestaan van een structurele en duurzame vertrouwensbreuk binnen de kerkenraad, aldus het kerkgenootschap c.s. Zij bestrijden dat sprake is van strijd met de eigen kerkelijke regels en/of de goede procesorde. Ten slotte voeren zij aan dat de gevorderde rectificatie ziet op een constitutief oordeel en dat dit niet kan worden gegeven bij wijze van voorlopige voorziening. Het kerkgenootschap c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de diakenen, met veroordeling van laatstgenoemden in de proceskosten, inclusief wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Kern van het geschil
4.1.
In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of de stemming door de kerkenraad op 15 november 2025 zag op al dan niet collectief aftreden, zoals door de classis eerder was geadviseerd en, zo ja, of de meerderheid van de kerkenraadsleden, die voor aftreden heeft gestemd, eisers, die tegen hebben gestemd, bindt. Voordat aan beantwoording van die vragen wordt toegekomen, moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of zij bevoegd is van dit geschil kennis te nemen en of de diakenen in hun vorderingen ontvankelijk zijn. Daarbij geldt ook dat voor toewijzing van een vordering in kort geding nodig is dat de diakenen daarbij een spoedeisend belang hebben.
4.2.
Een vordering in kort geding is verder alleen toewijsbaar als aannemelijk is dat dezelfde of een vergelijkbare vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Voor nadere bewijslevering is in kort geding, vanwege de aard van de procedure, geen plaats. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De burgerlijke rechter (voorzieningenrechter) is bevoegd
4.3.
Het kerkgenootschap c.s. stellen zich allereerst op het standpunt dat de burgerlijke rechter onbevoegd is om van dit geschil kennis te nemen en over de vorderingen van de diakenen te oordelen. Volgens hen gaat het om een interne kerkelijke aangelegenheid en moet de overheid zich onthouden van bemoeienis met de inhoud van de godsdienst en de organisatie van de kerk. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 2:2 BW Pro kerkgenootschappen voorziet in een vergaande organisatievrijheid, die zowel de oprichting als de inrichting daarvan omvat. Een kerkgenootschap wordt geregeerd door haar eigen statuut (in dit geval de DKO), voor zover dit niet strijdig is met de wet. Dit berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Bij een interne kerkelijke aangelegenheid als de onderhavige is voor de civiele rechter een beperkte rol weggelegd. De scheiding tussen kerk en staat gaat echter niet zover dat de gang naar de burgerlijke rechter per definitie uitgesloten is. Dat zou in strijd zijn met de grondrechten van artikel 17 en Pro 112 Grondwet. [2] Volgens vaste rechtspraak is het recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd bepalend. En daarbij geldt als uitgangspunt dat de burgerlijke rechter, indien bevoegd, slechts kan toetsen of sprake is van strijd met de wet, van strijd met de eigen regels (het statuut en het kerkrecht) en of de interne procedure met voldoende waarborgen - waarvan de fundamentele beginselen van procesrecht deel uitmaken - is omkleed.
4.4.
Het geschil tussen partijen valt binnen dat kader. De diakenen stellen immers dat het kerkgenootschap c.s. besluiten hebben genomen die niet in overeenstemming zijn met de voorgeschreven kerkordelijke bepalingen. Volgens de diakenen is het ambt hen ontnomen in strijd met de DKO en hebben het kerkgenootschap c.s. daarnaast in strijd gehandeld met fundamentele (proces)rechtsbeginselen. De diakenen baseren hun vorderingen op onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW Pro, en daarmee op rechten waarvoor het Nederlands burgerlijk recht bescherming biedt. De burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter, is dan ook bevoegd om van de onderhavige zaak kennis te nemen. Gelet op het in r.ov. 4.3 overwogene laat die bevoegdheid onverlet dat de voorzieningenrechter terughoudendheid moet betrachten waar het de eigen kerkelijke organisatie en het statuut betreft.
Eisers kunnen worden ontvangen in hun vorderingen
4.5.
Het kerkgenootschap c.s. beroepen zich verder op niet-ontvankelijkheid van de diakenen. Volgens hen voorziet het kerkrecht in een interne kerkelijke rechtsgang die met voldoende waarborgen is omkleed. Nu deze rechtsgang nog loopt, kunnen de diakenen het geschil niet voorleggen aan de voorzieningenrechter, aldus het kerkgenootschap c.s. De diakenen brengen daar tegenin dat zij wel ontvankelijk zijn in hun vorderingen, aangezien de kerkelijke rechtsgang niet voldoet aan de fundamentele beginselen van procesrecht.
4.6.
Uitgangspunt is dat, wanneer een kerkelijk statuut voorziet in geschilbeslechting, partijen bij een geschil deze kerkelijke rechtsgang dienen te volgen. Als zij dat niet (volledig) doen, zijn zij in beginsel bij de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk in hun vordering. Er zijn echter omstandigheden waaronder het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van een rechtszoekende te vergen om de kerkelijke rechtsgang af te wachten. Een van die omstandigheden is dat deze kerkelijke rechtsgang niet voldoet aan fundamentele beginselen van procesrecht. [3] In deze zaak voorzien de DKO en de appelregeling in een interne kerkelijke rechtsgang. Nu de Generale Synode nog geen uitspraak heeft gedaan is deze rechtsgang nog niet geheel doorlopen. Dat kan echter, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, van de diakenen ook niet worden gevergd. Het volgende is daarvoor van belang.
4.7.
Allereerst is het de diakenen in hun appel bij de Particuliere Synode geweigerd zich te laten bijstaan door hun advocaten. Niet in geschil is dat de diakenen dit verzoek, zowel schriftelijk voorafgaand aan de behandeling van hun appel als mondeling bij aanvang daarvan, hebben gedaan en dat de advocaten ook tijdig op locatie aanwezig waren. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de toegang hen ten onrechte is geweigerd. Het recht op bijstand van een raadsman is één van de fundamentele kenmerken van een behoorlijk proces. [4] Het beroep van het kerkgenootschap c.s. op artikel 4 van Pro de appelregeling en de toelichting daarop (zie r.ov. 2.7) maakt dat niet anders. Wat er ook van de ratio en toepassing van dat artikel zij, dit laat onverlet dat door het appelcollege zelf (in dit geval de Particuliere Synode) wordt beslist of een appellant zich al dan niet mag laten bijstaan en een gemotiveerd verzoek daartoe heeft geweigerd. Dat strookt niet met het genoemde beginsel van recht op rechtsbijstand.
4.8.
De voorzieningenrechter betrekt ook in de beoordeling dat de diakenen uitvoerig hebben toegelicht dat bij de interne kerkelijke rechtsgang geen sprake is (geweest) van een onafhankelijke en onpartijdige procedure. In een overgelegde productie en ter zitting is gewezen op de verwevenheid van diverse personen en de verschillende organen. De diakenen hebben uiteengezet dat de consulent van de GG Tricht-Geldermalsen onder meer optrad als adviseur van het CvV, deel uitmaakte van de deputaten 39 DKO, voorzitter is van het moderamen van de classis en afgevaardigd is naar de Particuliere Synode. De voorzitter van het CvV was tevens voorzitter van de deputaten 39 DKO en was afgevaardigd vanuit de classis naar (het moderamen van) de Particuliere Synode. Ten slotte was de scriba van het CvV tevens scriba van de deputaten 39 DKO en van het moderamen van de classis, was hij afgevaardigde vanuit de classis naar de Particuliere Synode en is hij tevens ouderling in de kerkenraad van de eigen gemeente van de hiervoor genoemde consulent, aldus de diakenen. Het kerkgenootschap c.s. hebben dit niet betwist. Zij hebben aangevoerd dat, gelet op de structuur waarbij alleen kerkenraadsleden afgevaardigd kunnen worden naar de classis en de synodes, het aantal potentiële kandidaten beperkt is en daarnaast niet alle ambtsdragers (oftewel kerkenraadsleden) bereid en/of in staat zijn een dergelijke rol te vervullen. Daardoor is soms onvermijdelijk dat eenzelfde groep mannen elkaar in meerdere samenstellingen treft en/of sommigen in meerdere hoedanigheden op enigerlei wijze bij een zaak betrokken zijn. Bovendien geldt volgens het kerkgenootschap c.s. dat personen die zijn betrokken bij (de totstandkoming van) een bepaald besluit, wel de zogeheten informatievergaring bijwonen tijdens de behandeling van dat besluit door de classis of de Particuliere Synode, maar niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Zij hebben in dat kader gewezen op het e-mailbericht van 16 januari 2026, waarin dat ook zo aan de diakenen is meegedeeld (zie r.ov. 2.19). De voorzieningenrechter acht dat echter niet, dan wel onvoldoende controleerbaar, niet alleen voor de diakenen maar ook voor buitenstaanders. Zo blijkt uit het besluit van de Particuliere Synode niet welke personen al dan niet deel hebben uitgemaakt van het (beslissende) moderamen. Dat is niet betwist. De enkele, niet controleerbare, mededeling dat betrokkenen die reeds in een andere rol bij het geschil betrokken waren, niet mee hebben geoordeeld is dan ook onvoldoende om de schijn van belangenverstrengeling weg te nemen. Het gegeven dat dezelfde personen in verschillende hoedanigheden betrokken zijn bij meerdere vergaderingen maakt, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, dat van een onafhankelijke en onpartijdige appelprocedure geen sprake is, althans daaraan op zijn minst genomen getwijfeld moet worden. In het geval van de diakenen is de hiervoor genoemde verwevenheid van personen dermate ondoorzichtig dat voldoende aannemelijk is geworden dat geen sprake is van een onpartijdige en onafhankelijke procedure.
4.9.
Ten slotte is niet in geschil dat de Generale Synode het door de diakenen ingestelde beroep en de gevraagde voorlopige voorziening, naar zich nu laat aanzien, niet eerder in behandeling zal nemen dan in september 2028. Dat leidt tot een tijdsverloop van twee en half jaar vanaf het besluit van de Particuliere Synode. De diakenen hebben toegelicht dat de ambtstermijnen van hen allemaal tegen die tijd zijn verstreken. Dat betekent dat geen sprake is van een adequate rechtsbescherming. Het enkele feit dat de diakenen kennelijk nog in beroep kunnen gaan tegen het besluit van de Gereformeerde Gemeente te Genemuiden om de Generale Synode niet eerder bij elkaar te roepen (zie r.ov. 2.25), maakt dat niet anders. Nog daargelaten dat deze gemeente blijkens haar besluit ook op inhoudelijke gronden een voorschot heeft genomen op het oordeel van de Generale Synode, waarvoor de grondslag niet kennelijk volgt uit de Appelregeling, betekent dit ook dat de diakenen nog een procedure zullen moeten doorlopen die ook weer de nodige tijd zal vergen. Dat de diakenen zoveel tussenstappen moeten nemen teneinde te trachten alsnog eerder bij de Generale Synode terecht te kunnen, maakt de rechtsgang redelijke ontoegankelijk en de rechtsbescherming illusoir.
4.10.
Gelet op de voornoemde omstandigheden, zeker wanneer deze in samenhang worden bezien, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat geen sprake is van een met voldoende waarborgen omklede interne rechtsgang. Het is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om van de diakenen te vergen dat zij de procedure bij de Generale Synode afwachten. Dat betekent dat de diakenen ontvankelijk zijn in hun vorderingen.
Eisers zijn niet-ontvankelijk jegens gedaagden sub 3 en 4
4.11.
Het kerkgenootschap c.s. heeft verder aangevoerd dat de diakenen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen jegens de classis, de Particuliere Synode en de Generale Synode (gedaagden sub 2, 3 en 4) omdat dit toetsende instanties zijn die geen partij zijn of worden door instelling van een appel. De voorzieningenrechter overweegt dat de Particuliere Synode en de Generale Synode te kwalificeren zijn als instanties voor kerkelijke rechtspraak. [5] In zoverre kan het standpunt van het kerkgenootschap c.s. worden gevolgd. Het besluit dat door de classis is genomen, is echter niet te kwalificeren als een besluit van een rechtsprekend of toetsend orgaan. De classis heeft het mandaat gegeven aan het CvV om het stappenplan uit te voeren en heeft de uitkomst van de stemming van de kerkenraad op 15 november 2025 tot haar eigen oordeel gemaakt. Daarmee is zij (ook) wederpartij van de diakenen geworden en niet slechts een toetsende instantie. De voorzieningenrechter zal de diakenen daarom alleen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen jegens gedaagden sub 3 en 4. Aan beoordeling van de vordering onder 3., die zich enkel richt op gedaagde sub 4, wordt dan niet toegekomen. Gedaagden 1 en 2 worden hierna, omwille van de leesbaarheid, gezamenlijk toch ook aangeduid als het kerkgenootschap c.s.
Spoedeisend belang, drie eisers zijn niet-ontvankelijk
4.12.
De diakenen hebben voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen. Dat volgt uit hetgeen onder r.ov. 4.9 is overwogen over het bijeenkomen van de Generale Synode. Het feit dat de diakenen meer dan twee jaar op een oordeel moeten wachten heeft tot gevolg dat een eventueel gunstige beslissing voor hun rol als lid van de kerkenraad van nul of generlei waarde meer zal zijn. Het ter zake gevoerde verweer wordt daarom verworpen.
4.13.
Het voorgaande is anders voor de drie eisers van wie ter zitting is gebleken dat hun ambtstermijn inmiddels reeds is verstreken. Dat gegeven heeft tot gevolg dat deze drie eisers geen (spoedeisend) belang meer hebben bij hun vorderingen. Het gaat om [diaken 1] , [diaken 4] en [diaken 5] . Deze drie eisers zijn niet-ontvankelijk in hun vorderingen. Hierna worden de eisers die wel ontvankelijk zijn, te weten [diaken 2] , [diaken 3] , [diaken 6] , [diaken 7] en [diaken 8] (eisers 2, 3, 6, 7 en 8), hierna gezamenlijk eveneens verder aangeduid als de diakenen.
Geen strijd met eigen regels kerkgenootschap
4.14.
Dan is vervolgens de vraag aan de orde of de voorzieningenrechter, zoals de diakenen onder 1. vorderen, de besluiten van de kerkenraad van 15 november 2025, van de classis van 21 november 2025 en 16 januari 2026 en van de Particuliere Synode van 9 april 2026 kan schorsen of daaraan opschortende werking kan verlenen. Het gevolg is dan dat de diakenen weer moeten worden toegelaten tot de kerkenraad, zoals zij onder 2. vorderen. Bij de beoordeling van deze vorderingen staat voorop dat de voorzieningenrechter, zoals eerder in dit vonnis is overwogen, terughoudend moet zijn. Er is slechts plaats voor een marginale toets die zich beperkt tot de vraag of sprake is van strijd met de wet of van strijd met de eigen regels, zijnde het statuut en het kerkrecht. Verder geldt, zoals hiervoor in r.ov. 4.3 reeds is overwogen, in het algemeen in een kort geding dat slechts ruimte is voor toewijzing van een gevraagde voorlopige voorziening als voldoende aannemelijk is dat dezelfde of een vergelijkbare vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
4.15.
De diakenen stellen dat bij de stemming van de kerkenraad op 15 november 2025 geen geldig besluit is genomen, omdat het een stemming over het overnemen van het advies van de classis betrof en niet de vraag: “treedt de kerkenraad in volle omvang af?”. De stemming heeft daarom geen rechtsgevolg en had door de classis ook niet mogen worden overgenomen als een oordeel of besluit, aldus de diakenen. Voor het advies tot collectieve aftreding bestond ook geen kerkordelijke grondslag, zo stellen zij, omdat niet is voorzien in de situatie van collectieve aftreding en de door de classis gestelde ‘onwerkbare situatie’ daarvoor geen grondslag biedt. Wat betreft de vraag die ter stemming is voorgelegd geldt het volgende. Hoezeer de diakenen een punt hebben dat blijkens de notulen van de vergadering van 15 november 2025 is voorgelegd “of men het eens of oneens is met het klemmende advies van het CvV dat de kerkenraad collectief zal aftreden” en niet letterlijk de vraag is voorgelegd of de kerkenraad in volle omvang zal aftreden, brengt een redelijke uitleg met zich mee dat de diakenen uit de ter stemming voorgelegde vraag hebben moeten begrijpen dat als vóór zou worden gestemd de gedachte was dat de kerkenraad in volle omvang zou aftreden. Dus anders dan de diakenen stellen heeft de kerkenraad wel over al dan niet collectief aftreden gestemd. De volgende vraag is of de meerderheid die voor aftreden heeft gestemd, gelet op de DKO, de minderheid die daartegen heeft gestemd bindt.
4.16.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de DKO geen bepaling bevat over collectief aftreden, niet reeds betekent dat de uitkomst van de stemming van de kerkenraad in strijd is met de eigen regels van het kerkgenootschap en daarom niet bindend is. Deze eigen regels kunnen immers meer omvatten dan alleen het statuut, zoals hiervoor is genoemd. Bovendien bepaalt de DKO ook niet expliciet dat collectief aftreden bij meerderheidsbesluit niet mogelijk is. De vraag is dan ook of, gelet op hetgeen in deze procedure is aangevoerd over het geheel van de eigen regels van het kerkgenootschap, voldoende aannemelijk is dat de beslissing van de kerkenraad om collectief af te treden (en het erkennen of overnemen hiervan door de classis) in strijd met de DKO of andere interne regels en daarmee onrechtmatig is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. Dat zal hierna worden toegelicht.
4.17.
Het standpunt van de diakenen komt in de kern erop neer dat noch de kerkenraad bij meerderheid, noch de classis kon besluiten tot collectief aftreden van de gehele kerkenraad, nu dat besluit niet door alle kerkenraadsleden werd gedragen. Een ambt is volgens hen persoonlijk, en het lidmaatschap van de kerkenraad een individueel eigendomsrecht. [6] Iedere ambtsdrager wordt persoonlijk geroepen, verkozen en bevestigd. Om die reden kan een kerkenraad (of classis) nooit beslissen over aftreden van een individueel lid, aldus de diakenen. Dit standpunt staat haaks op de uitleg die het kerkgenootschap c.s. geven aan het ambt, waar zij aanvoeren dat het geen persoonlijk recht of bezit is maar van hogerhand wordt opgelegd en enkel bestaat om de gemeente te dienen. Dat het dienen van de gemeente het uitgangspunt is hebben de diakenen erkend. Die uitleg lijkt ook te stroken met het ‘bevestigingsformulier’, waarop het kerkgenootschap c.s. hebben gewezen, en de toelichting bij art. 30 DKO Pro, waar staat dat ambtsdragers het ambt ‘ex mandate Christi’ uitoefenen en dat dit steeds leidend moet zijn in het handelen. Ook in artikel 27 DKO Pro wordt genoemd dat het welzijn van de gemeente moet worden gediend.
Het kerkgenootschap c.s. hebben daarnaast aangevoerd dat een kerkenraad steeds als één geheel optreedt en, zo is door de diakenen ook niet weersproken, al haar besluiten bij meerderheidsstemming neemt. Daarin ligt de mogelijkheid besloten dat individuele kerkenraadsleden niet altijd achter een genomen besluit staan, maar zich daaraan wel gebonden moeten achten. Uit artikel 84 DKO Pro volgt dat, zo begrijpt de voorzieningenrechter, een individuele ambtsdrager niet onderworpen kan worden aan de heerschappij van een andere individuele ambtsdrager. Dat laat onverlet dat, zoals uit de toelichting volgt, een ambtsdrager zich moet onderwerpen aan een meerderheidsbesluit van de kerkenraad of een besluit van de meerdere vergadering, in dit geval de classis. Dat een redelijke uitleg met zich brengt dat daaronder geen besluiten (kunnen) vallen over het individuele ambt van een ander kerkenraadslid is in dit kort geding, vooralsnog oordelend, onvoldoende aannemelijk geworden. In dit verband wordt nog opgemerkt dat uit de toelichting op artikel 27 DKO Pro, waarin de mogelijkheid van herverkiezing is genoemd, lijkt te volgen dat de (meerderheid van de) kerkenraad ook beslist over de herverkiezing van een individueel lid. Uit de overgelegde stukken blijkt ook dat een kerkenraadslid zich, na een meerderheidsbesluit van de kerkenraad daartoe, niet meer herkiesbaar mocht stellen. Daarmee in lijn kan zijn de uitleg dat een meerderheid kan besluiten tot collectief aftreden, ondanks dat ieder kerkenraadslid, na kandidaatstelling door de kerkenraad, is gekozen door de gemeente.
4.18.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kan, ondanks de bedenkingen die tegen een dergelijke systematiek zijn in te brengen, de voorzieningenrechter in dit kort geding niet vaststellen dat het bij meerderheid binnen de kerkenraad of in een meerdere vergadering (door de classis) beslissen over het ambt van een individueel kerkenraadslid in strijd is met de eigen regels van het kerkgenootschap. Voorshands is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat de kerkenraad een besluit heeft genomen dat jegens de diakenen onrechtmatig is. Het voorgaande brengt met zich mee dat, voor zover tussen partijen in geschil, de omstandigheid dat de classis de uitkomst van de stemming van de kerkenraad op 15 november 2025 tot haar oordeel heeft gemaakt, vooralsnog oordelend, evenmin onrechtmatig is. De conclusie is dat de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk acht dat een bodemrechter, indien deze vorderingen zouden komen voor te liggen, het besluit van de kerkenraad (of de uitkomst van de stemming), dan wel het overnemen daarvan door de classis, onrechtmatig acht jegens de diakenen in de zin van artikel 6:162 BW Pro.
4.19.
Het voorgaande betekent dat er geen grond is voor schorsing van het besluit of het daaraan verlenen van opschortende werking. Dat brengt met zich dat er evenmin grond is voor toewijzing van vordering 2., die ziet op de toegang van de diakenen tot de kerkenraad.
Belangenafweging
4.20.
De belangenafweging, die in een kort gedingprocedure ook is vereist, leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter licht dat hierna toe.
Dat de stemming van 15 november 2025 en alles wat daarna is gebeurd grote impact heeft gehad op de diakenen staat niet ter discussie. Zij hebben hun taken als diakenen plotseling en tegen hun wil moeten neerleggen en dreigen hun rechten als ambtsdragers te verliezen, zo hebben zij verklaard. Daarmee kunnen zij hun ambt, waartoe zij naar hun overtuiging persoonlijk zijn geroepen en verkozen, niet meer uitoefenen. Dat is een evident en zwaarwegend belang.
Daartegenover staat echter het belang van het kerkgenootschap c.s., in het bijzonder de GG Tricht-Geldermalsen. Namens de gemeente en de classis is, onder verwijzing naar overgelegde notulen en rapporten, gemotiveerd toegelicht dat de verhoudingen binnen de kerkenraad tot 15 november 2025 in grote mate waren verstoord. Het CvV concludeerde om die reden dat de situatie ‘zeer ernstig’ was. De predikant die tijdelijk was aangesteld als voorzitter van de kerkenraad heeft de opdracht zelfs teruggegeven omdat sprake was van een onwerkbare situatie, aldus het kerkgenootschap c.s. De diakenen hebben weliswaar ter zitting verklaard dat er slechts één geschil ten grondslag lag aan de hulpvraag aan de classis, en dat zij geen bezwaar hebben tegen (samenwerking met) de opnieuw gekozen kerkenraadsleden. Zij hebben weersproken dat zij een rol hebben gespeeld bij het ontstaan en het voortbestaan van een structurele en duurzame vertrouwensbreuk binnen de kerkenraad. De diakenen hebben echter wel erkend dat er lange tijd spanningen waren. Zij hebben ook niet weersproken dat in elk geval een deel van hen heeft geweigerd deel te nemen aan een mediationtraject binnen de kerkenraad en dat er ten tijde van de stemming op 15 november 2025 geen concreet zicht was op verbetering van de verhoudingen. De voorzieningenrechter overweegt dan ook dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat bij het herintreden van de diakenen naast de opnieuw bevestigde ambtsdragers, die deel uitmaakten van de kerkenraad tot 15 november 2025, nu wel sprake zal zijn van een vruchtbare samenwerking. De omstandigheid dat na het besluit tot collectief aftreden op advies van de classis om de voortdurende problemen op te lossen, recent vijf voormalig kerkenraadsleden die voor het collectief aftreden hebben gestemd, opnieuw verkiesbaar zijn gesteld en inmiddels weer deel uitmaken van de kerkenraad, roept vragen op. Wat daar ook van zij, die omstandigheid maakt wel dat het, daargelaten het vooralsnog ontbreken van een juridische grondslag, niet in het belang van de GG Tricht-Geldermalsen is om de diakenen nu in de kerkenraad te laten terugkeren. Daarbij komt dat, zo is hiervoor reeds overwogen, het dienen van de gemeente het uitgangspunt is bij het bekleden van een positie als ambtsdrager. Het kerkgenootschap c.s. hebben in dat verband toegelicht dat in de afgelopen maanden de rust in de gemeente voor een groot deel is weergekeerd. De in juni 2025 gevreesde scheuringen binnen de gemeente zijn geen werkelijkheid geworden. Bij de ambtsdragersverkiezingen was er een grote opkomst, is er nauwelijks blanco gestemd en is met (aanzienlijke) meerderheid van stemmen gekozen voor de voormalige ambtsdragers. Nu de diakenen niet, laat staan voldoende onderbouwd, hebben gesteld dat zij een grote achterban hebben die zich verzet tegen deze koers binnen de gemeente, leidt de voorzieningenrechter uit het voorgaande af dat niet aannemelijk is geworden dat de gemeente is gediend met (her)intrede van de diakenen in de nieuw verkozen kerkenraad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt daarmee het belang van het kerkgenootschap c.s., in het bijzonder het belang van de GG Tricht-Geldermalsen, bij rust en herstel van de verhoudingen in de gemeente, zwaarder dan het belang van de diakenen bij toewijzing van hun vorderingen.
4.21.
Uit het voorgaande volgt de conclusie dat de vorderingen onder 1. en 2. zullen worden afgewezen. Daaruit volgt reeds dat de onder 4. gevorderde rectificatie ook wordt afgewezen, evenals de onder 5. gevorderde dwangsom en de onder 6. gevorderde andere (niet nader toegelichte) voorziening om het kerkgenootschap c.s. te dwingen dit vonnis na te komen. Ten aanzien van vordering 3. wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in r.ov. 4.11.
4.22.
De diakenen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het kerkgenootschap c.s. worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.24.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [diaken 1] , [diaken 4] en [diaken 5] (eisers sub 1, 4 en 5) niet-ontvankelijk in hun vorderingen,
5.2.
verklaart [diaken 2] , [diaken 3] , [diaken 6] , [diaken 7] en [diaken 8] (eisers sub 2, 3, 6, 7 en 8) niet-ontvankelijk in hun vorderingen jegens de Particuliere Synode (gedaagde sub 3) en het kerkverband, dan wel de Generale Synode (gedaagde sub 4),
5.3.
wijst de vorderingen jegens de GG Tricht-Geldermalsen (gedaagde sub 1) en de classis (gedaagde sub 2) af,
5.4.
veroordeelt de diakenen hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de diakenen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt de diakenen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
1327

Voetnoten

1.Het wrakingsverzoek van het kerkgenootschap c.s. van 29 mei 2026 en de beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 6 juli 2026 blijven in deze uitspraak verder buiten beschouwing.
2.Art 17 Grondwet Pro bepaalt dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van toegang tot de rechter. Art 112 Grondwet Pro bepaalt dat de berechting van burgerlijke geschillen aan de rechterlijke macht is opgedragen.
3.Gerechtshof Arnhem 19 januari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL0003, r.ov. 3.3.5.
4.Vgl. artikel 18 Gw Pro en HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135, r.ov. 5.2.2.
5.De Particuliere Synode moet beschouwd worden als de eerste instantie voor kerkelijke rechtspraak, zie Gerechtshof Arnhem 19 januari 2012, ECLI:NL:GHARN:2010:BL0003, r.ov. 3.3.13.
6.Zoals ter zitting aangevoerd door de advocaten van de diakenen, zie pleitaantekeningen r.n. 15.