ECLI:NL:RBGEL:2026:718

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
462006
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over afsluiting A30 door Rijkswaterstaat en de gevolgen voor ondernemers

Op 30 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een kort geding dat was aangespannen door drie ondernemers tegen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, meer specifiek Rijkswaterstaat. De ondernemers vorderden een verbod op de voorgenomen afsluiting van de A30 voor grootschalige renovatiewerkzaamheden, die op dezelfde dag om 21.00 uur zouden beginnen. De ondernemers stelden dat de Staat onrechtmatig zou handelen door de weg af te sluiten zonder de vereiste verkeersbesluiten te nemen en dat er algemene beginselen van behoorlijk bestuur waren geschonden. De voorzieningenrechter oordeelde dat voor de afsluiting van de oprit Scherpenzeel een verkeersbesluit verplicht was, maar dat het ontbreken van dit besluit niet automatisch leidde tot onrechtmatigheid van de handelingen van de Staat. De rechter concludeerde dat de Staat niet onrechtmatig zou handelen door de werkzaamheden te starten, omdat er voldoende mogelijkheden waren om alsnog een verkeersbesluit te nemen. De vorderingen van de ondernemers werden afgewezen, en zij werden veroordeeld in de proceskosten van de Staat.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462006 / KG ZA 26-34
Vonnis in kort geding van 30 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.
CASALT B.V.,
gevestigd in Barneveld,
2.
[eiser sub 2], handelend onder de naam
[bedrijf],
kantoorhoudende in [vestigingsplaats] ,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
3.
VAN DEN TOP TRANSPORTEN B.V.,
gevestigd in Lunteren,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: “de Ondernemers”,
advocaat: mr. M.J.H. van Baalen,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN IN HET BIJZONDER HET MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT MEER BIJZONDER RIJKSWATERSTAAT,
zetelend in 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: “de Staat”,
advocaat: mr. B.S. Stolwijk.

1.De zaak in het kort

Rijkswaterstaat is voornemens om vanavond (30 januari 2026) om 21.00 uur te starten met grootschalige renovatiewerkzaamheden aan rijksweg A30. Hiervoor worden achtereenvolgens de rijrichtingen van de A30 gedurende langere tijd afgesloten voor het wegverkeer. Buiten kijf staat dat deze werkzaamheden behoorlijke (verkeers)hinder zullen opleveren.
Inzet van dit kort geding is het verkrijgen van een rechterlijk verbod. Drie ondernemers, die ook hinder van de wegafsluitingen zullen ondervinden, vinden dat de Staat onrechtmatig zal handelen door de A30 af te sluiten. Zij hebben daarvoor twee argumenten. Ten onrechte zijn geen verkeersbesluiten genomen en de Staat heeft algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. De voorzieningenrechter is het met de Ondernemers eens dat voor één specifieke verkeersmaatregel (afsluiting oprit Scherpenzeel) een verkeersbesluit verplicht is. Echter, het ontbreken van een verkeersbesluit maakt, in dit geval, niet dat de Staat onrechtmatig zal handelen. Niets staat eraan in de weg om alsnog (en eventueel achteraf) een verkeersbesluit te nemen. De Staat heeft geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. De conclusie is daarom dat de Staat jegens de Ondernemers niet onrechtmatig zal handelen door een aanvang te maken met de voorgenomen werkzaamheden. Voor het gevorderde verbod bestaat geen grond en dat zal dan ook niet worden gegeven.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 22, waarbij producties 21 en 22 bij akte van
27 januari 2026 zijn vervangen;
- de aanvullende producties 23, 24 en 25 van de Ondernemers;
- de producties 1 tot en met 11 van de Staat;
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026;
- de pleitnota van de Ondernemers;
- de pleitnota van de Staat.
2.2.
Ter zitting is door de voorzieningenrechter aan de orde gesteld dat is gedagvaard: de staat der Nederlanden in het bijzonder het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Echter, sedert 2017 is dit ministerie hernoemd naar ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De naam van gedaagde partij is, met instemming van beide partijen, gerectificeerd.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Rijkswaterstaat (hierna: RWS) is onderdeel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en daarmee onderdeel van de Staat. RWS beheert en ontwikkelt in opdracht van dit ministerie onder meer de hoofdwegen van Nederland, waaronder de rijksweg A30. De A30 is een rijksweg die de A1 verbindt met de A12 en kent vijf op- en afritten, namelijk: Ede, Ede-Noord, Lunteren, Scherpenzeel, en Barneveld-Noord.
3.2.
De Ondernemers hebben bedrijven gevestigd op de industrieterreinen van Barneveld en Lunteren. Beide plaatsen zijn gelegen rondom de A30. De Ondernemers maken voor hun bedrijfsactiviteiten veelvuldig gebruik van de A30.
3.3.
Naar aanleiding van een door de Staat voorgenomen grootschalig onderhoud aan de A30 wegens het bereiken van de maximale levensduur van de weg en het niet meer voldaan aan veiligheidsstandaarden, heeft hij op 18 juni 2025, 10 juli 2025, 3 september 2025 en 25 september 2025 Gebieds-Gericht-Benuttensessies (hierna: GGB-sessies) gehouden. Bij deze GGB-sessies waren aanwezig: de provincies Utrecht en Gelderland, de gemeenten Barneveld, Ede, Scherpenzeel, Woudenberg, Wageningen, Leusden, Veenendaal en Amersfoort, de Veiligheidsregio’s Midden-Nederland en Gelderland Midden en verschillende hulpdiensten. Tijdens deze GGB-sessies zijn vier uitvoeringsvarianten, gekenmerkt A tot en met D, voor de werkzaamheden aan de A30 besproken. Uiteindelijk is in overleg met de op de GGB-sessies aanwezige partijen unaniem gekozen voor uitvoeringsvariant D, waarbij het werk in twee blokken is opgedeeld. In het eerste blok wordt de zuidelijke rijrichting (hoofdrijbaan links) geheel aangepakt. In het tweede blok is de noordelijke rijrichting (hoofdrijbaan rechts) aan de beurt.
3.4.
Vervolgens heeft de Staat op 22 oktober 2025 zijn voornemen publiekelijk bekendgemaakt om, op basis van uitvoeringsvariant D, in de periode 30 januari 2026 (21.00 uur) tot en met 27 juli 2026 het grootschalig onderhoud te verrichten aan de A30. De werkzaamheden bestaan, onder andere, uit het vervangen van het asfalt, het werken aan de grond en fundering, de plaatsing van markeringen en vangrails en het vernieuwen van het hemelwaterafvoersysteem. Door deze werkzaamheden zal de A30 over een langere periode grotendeels in beide rijrichtingen afwisselend worden afgesloten en zal deze beperkt of niet begaanbaar zijn voor het wegverkeer. Het (doorgaande) wegverkeer zal worden omgeleid via de omliggende rijkswegen A1, A28, A27 & A12 en A1, A50 & A12. Hierdoor zal de reistijd van gebruikers van de A30 aanzienlijk toenemen (30-60 minuten). De door de Staat geplande werkzaamheden aan de A30 bestaan uit drie fasen zoals volgt uit onderstaande afbeeldingen met omschrijving:
FASE 1
Duurt van 30 januari 2026 tot en met 2 februari 2026. De rijbaan in noordelijke richting zal volledig zijn afgesloten. De rijbaan in zuidelijke richting is toegankelijk.
FASE 2
Duurt van 2 februari 2026 tot 18 mei 2026. Gedurende deze fase zal de rijbaan in zuidelijke richting vanaf de A1 tot afrit Ede-Noord zijn afgesloten. Op de rijbaan in noordelijke richting wordt een wegversmalling geplaatst. Ook zal een maximumsnelheid gelden van 90 km/u en is oprit (4) Scherpenzeel afgesloten.
FASE 3
Duurt van 18 mei 2026 tot en met 27 juli 2026. De rijbaan in zuidelijke richting zal dan weer volledig toegankelijk zijn voor het wegverkeer. De rijbaan in noordelijke richting is vanaf de afrit Ede-Noord tot de A1 afgesloten.
3.5.
De Staat heeft voor invoering van verschillende verkeersmaatregelen dan wel de te plaatsen verkeerstekens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de werkzaamheden, zoals het afsluiten van de weg, geen verkeersbesluit genomen in de zin van artikel 15 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
3.6.
Naar aanleiding van het bericht van de Staat van 22 oktober 2025 heeft op 27 november 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen de Staat, de gemeente Barneveld en verschillende belanghebbenden, waaronder de Ondernemers.
3.7.
Op 12 december 2025 hebben de Ondernemers een brief aan de Staat gezonden met daaraan gehecht als voorstel een alternatieve planning voor en wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Dit voorstel komt kort gezegd erop neer dat in plaats van de A30 bijna volledig af te sluiten, de werkzaamheden gefaseerd in segmenten tussen de verschillende op- en afritten worden uitgevoerd, en daarnaast de afsluiting van de A30 in te korten tot de afrit Lunteren in plaats van de afrit Ede-Noord, zijnde een afrit verder richting het zuiden. Naar aanleiding van dit voorstel heeft op 2 januari 2026 overleg plaatsgevonden tussen de Ondernemers en de Staat.
3.8.
Op 13 januari 2026 heeft de Staat aan de hand van een door hem uitgevoerde verkeersanalyse geconcludeerd dat het voorgestelde plan van de Ondernemers het onderliggende wegennet, meer specifiek de Hessenweg en de Postweg, te zeer zou belasten en de werkzaamheden aanzienlijk langer zullen duren. Daarbij blijkt uit de verkeersanalyse dat, naast de Hessenweg, voornamelijk op de Postweg een grote hoeveelheid (sluip)verkeer zal ontstaan. Deze wegen zijn niet voor dergelijke verkeersstromen ontworpen. De extra hoeveelheid verkeer op de Hessenweg en de Postweg zal volgens de Staat leiden tot verkeersinfarcten, onveilige situaties en ernstige hinder. Mede om die reden heeft de Staat het alternatieve plan van de Ondernemers naast zich neergelegd.
3.9.
Vervolgens zijn de Ondernemers dit kort geding gestart.

4.Het geschil

4.1.
De Ondernemers vorderen, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: de Staat een verbod op te leggen om op de voorgenomen wijze en duur, dan wel enig andere wijze of periode, de A30 geheel of gedeeltelijk af te sluiten tot het moment dat er een toereikend verkeersbesluit in werking is getreden, op straffe van een dwangsom;
Subsidiair: een maatregel te treffen die naar oordeel van de voorzieningenrechter geraden is, voor zover mogelijk verzwaard met een dwangsom;
Zowel primair als subsidiair:de Staat te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
De Ondernemers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de Staat heeft verzuimd om een verkeersbesluit te nemen voor het afsluiten van de rijbanen ten behoeve van de door hem voorgenomen werkzaamheden op de A30. Dit is op grond van artikel 15 WVW volgens de Ondernemers wel vereist. Bovendien heeft de Staat meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, waaronder het zorgvuldigheidbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van fair play, en zorgt het niet gebruiken van het alternatieve plan voor onnodige schade en overlast. Deze onrechtmatige gedragingen van de Staat rechtvaardigen het primair gevorderde verbod.
4.3.
De Staat voert verweer en betwist de hiervoor omschreven stellingen van de Ondernemers. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de Ondernemers in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Inleidend
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de Ondernemers daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de processtukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt verder af van de afweging van de belangen van partijen.
5.2.
Voorop wordt gesteld dat namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de Minister) geen verkeersbesluiten zijn genomen als bedoeld in artikel 15 leden 1 en 2 WVW ter zake van de voorgenomen plaatsing van verschillende verkeerstekens en maatregelen op of aan de A30 tot wijziging van de inrichting van de A30. [1] Nu zodanige verkeersbesluiten ontbreken, is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Aldus staat geen bestuursrechtelijke rechtsgang voor de Ondernemers open. Aangezien de Ondernemers hun vorderingen baseren op het burgerlijk recht, is de burgerlijke rechter bevoegd daarvan kennis te nemen. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat hij ook relatief bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Een en ander is tussen partijen niet in geschil.
5.3.
Het spoedeisend belang vloeit in voldoende mate uit de stellingen van de Ondernemers voort en is door hen voldoende onderbouwd. Ook dit is tussen partijen niet in geschil.
Noodzaak van verkeersbesluiten
5.4.
De Ondernemers baseren in de kern hun vordering op de stelling dat de Minister geen verkeersbesluit(en) heeft genomen. Door dit na te laten handelt de Staat onrechtmatig tegenover hen en schendt de Staat volgens de Ondernemers meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Staat betoogt dat in dit concrete geval geen wettelijke verplichting bestaat voor het nemen van verkeersbesluit(en).
5.5.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als hoofdregel (artikel 15 WVW) heeft (samengevat) te gelden dat een verkeersbesluit vereist is in het geval van plaatsing of verwijdering van bepaalde verkeerstekens. Ook het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit. Dit laatste indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.
5.6.
Het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: Babw) bevat aanvullende regels. Zo bevat paragraaf 8 Babw regels voor de tijdelijke plaatsing of toepassing van verkeerstekens en het tijdelijk uitvoeren van maatregelen. In zo’n situatie geldt dat de Minister verkeerstekens kan laten plaatsen of maatregelen op of aan de weg kan laten uitvoeren in specifiek genoemde omstandigheden en voor de duur van die omstandigheden. Deze omstandigheden zijn volgens artikel 34 aanhef en onder a Babw:
de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard. Artikel 35 Babw bepaalt vervolgens dat de plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen, in deze omstandigheden, kunnen geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.
5.7.
Op dit regime geldt ook weer een uitzondering. Artikel 37 Babw bepaalt dat indien de omstandigheden die tot de tijdelijke plaatsing of tot de tijdelijke maatregel leiden van langere duur zijn dan vier maanden dan wel zich regelmatig voordoen, voor een tijdelijke plaatsing of een tijdelijke maatregel wel een verkeersbesluit noodzakelijk is.
5.8.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen vastgesteld dat, in verband met de voorgenomen werkzaamheden aan de A30, de volgende verkeersmaatregelen worden genomen:
Fase 1 - 30 januari na 21.00 uur tot en met 2 februari
 (
(a) afsluiting noordelijke rijrichting, met inbegrip van alle op- en afritten
Fase 2 - 2 februari tot en met 18 mei
 (
(b) versmalde rijstrook vanaf Lunteren tot Barneveld
 (
(c) aanbrengen gele belijning
 (
(d) afsluiting oprit 4 (Scherpenzeel) in noordelijke richting
 (
(e) beperking maximumsnelheid
 (
(f) afsluiting vanaf A1 tot afrit Ede-Noord, met inbegrip van alle op- en afritten
Fase 3 - 18 mei tot en met 27 juli
 (
(g) afsluiting vanaf Ede-Noord tot A1, met inbegrip van alle op- en afritten
5.9.
Partijen zijn het erover eens dat voor de maatregelen (a), (d), (f) en (g), in beginsel, een verkeersbesluit vereist is. Niet alleen dienen hiervoor bepaalde verkeerstekens te worden geplaatst, ook worden fysieke maatregelen genomen die leiden tot een beperking van het aantal categorieën weggebruikers dat van de weg gebruik kan maken. Ook voor het nemen van de maatregelen onder (c) en (e) is, in beginsel, een verkeersbesluit vereist. Aangezien hiervoor verkeerstekens moeten worden geplaatst. [2] Maatregel (b) kan worden getroffen zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit. Hoewel sprake is van een maatregel op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg, leidt deze maatregel niet tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van het wegdeel Lunteren in richting Barneveld gebruik kan maken. Dit laatste is door de Staat onweersproken verklaard.
5.10.
Voorshands oordelend, volgt de voorzieningenrechter de redenering van de Staat dat de Minister de vrijstelling van paragraaf 8 Babw toekomt ter zake van de te nemen verkeersmaatregelen. In de kern komt de redenering van de Staat neer op een fasebenadering. Per te onderscheiden fase van werkzaamheden, moet worden beoordeeld of zo’n fase de termijn van vier maanden, genoemd in artikel 37 Babw, niet overschrijdt. De voorgenomen werkzaamheden zijn in dit concrete geval in voldoende mate te onderscheiden. In het licht van de viermaandentermijn, zijn met name knellend de maatregelen en verkeerstekens op de noordelijke route van de A30. Immers, op dat traject worden gedurende de voorgenomen werkperiode van 30 januari tot en met 27 juli 2026 continu verkeersmaatregelen getroffen. Echter, het betreffen in de drie te onderscheiden fasen van het project verschillende verkeersmaatregelen, die ieder elke een ander doel hebben. Geen van die maatregelen overstijgt de duur van vier maanden. De verkeersmaatregelen die worden getroffen of de zuidelijke route van de A30 overstijgen de termijn van vier maanden in het geheel niet.
5.11.
Dit is echter, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, anders voor de maatregelen die worden getroffen en de verkeerstekens die worden geplaatst bij oprit 4 (Scherpenzeel) in noordelijke richting. Ter zitting is aan de orde gekomen dat die oprit gedurende de gehele uitvoering van werkzaamheden van 30 januari tot en met 27 juli 2026 zal zijn afgesloten. Dat is aanzienlijk langer dan de viermaandentermijn. Voor die verkeersmaatregelen is op grond van artikel 37 Babw dan wel een verkeersbesluit nodig. De redenering van de Staat, dat ook hier een fasering toepasbaar is, omdat de reden van afsluiting van de oprit per fase verschillend is, wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Aangezien vanuit het perspectief van de weggebruiker deze oprit zes maanden lang is afgesloten, wordt teveel afbreuk gedaan aan de rechtsbescherming van de burger. De termijn van vier maanden genoemd in artikel 37 Babw, is blijkens de toelichting bij die bepaling, gekozen na afweging van enerzijds het belang van de lasten voor wegbeheerders en anderzijds de goede rechtsbescherming. [3] Bij afsluiting die zo lang duurt, moet voor belanghebbenden een bestuursrechtelijke ingang openstaan.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Staat, bij de huidige stand van zaken, ten onrechte, verkeersmaatregelen zal treffen door oprit 4 (Scherpenzeel) in noordelijke richting af te sluiten, zonder dat daaraan een verkeersbesluit ten grondslag ligt.
5.13.
Bij deze stand van zaken, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of de Staat daardoor ook onrechtmatig handelt jegens de Ondernemers. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. Het handelen zonder verkeersbesluit is verwant met de situatie dat wordt gehandeld zonder publiekrechtelijke vergunning. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 september 2011
– samengevat – geoordeeld dat het handelen zonder publiekrechtelijke vergunning in beginsel onrechtmatig is jegens degenen die aan het vergunningvereiste bescherming kunnen ontlenen. Echter, het handelen zonder vergunning is niet onrechtmatig indien nadien een vergunning wordt verleend waarin het concrete handelen wordt toegestaan. Dat betekent dat in het geval dat met voldoende mate van zekerheid is te verwachten dat een vergunning zal worden verleend waarbij het betrokken handelen wordt toegestaan, ervan kan worden uitgegaan dat dit handelen in dit opzicht geoorloofd is. In dat geval is geen grond het betrokken handelen onrechtmatig te oordelen, enkel omdat dat de daarvoor vereiste vergunning (nog) ontbreekt. [4]
5.14.
Op basis van het partijdebat is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat een verkeersbesluit kan worden genomen op grond waarvan oprit 4 (Scherpenzeel) in noordelijke richting gedurende de gehele periode van de renovatiewerkzaamheden kan worden afgesloten. Hiertoe heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat afsluiting in fase 1 noodzakelijk is, zodat veilig de wegversmalling kan worden aangebracht in de noordelijk rijrichting. In fase 2 is afsluiting noodzakelijk omdat vanwege de situering van invoegstrook de verkeersveiligheid in het gedrang komt. In fase 3 is afsluiting noodzakelijk omdat de noordelijke rijrichting niet toegankelijk is. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat de Staat onrechtmatig zal handelen door oprit 4 af te sluiten zonder een daartoe strekkend verkeersbesluit.
Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur
5.15.
De Ondernemers stellen verder dat sprake is van onrechtmatig handelen door de Staat vanwege de schending van diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de kern komen de verwijten van de Ondernemers erop neer dat:
 zij niet zijn gehoord door de Staat,
 een door hen aangedragen alternatief ten onrechte terzijde is gelegd, en
 zij geen inzage hebben gekregen in onderliggende data en verkeersmodellen.
De Staat betwist dat op hem deze verplichtingen rust. Door de Staat is na een lang aanlooptraject, waarbij veel stakeholders (waaronder de provincies Gelderland en Utrecht, gemeenten en hulpdiensten) zijn betrokken, de keuze gemaakt om de werkzaamheden op de voorgenomen wijze uit te voeren. Bij die keuze zijn verschillende uitvoeringsvarianten besproken en beoordeeld. De nu gemaakte keuze is, na afweging van relevante belangen, de enige mogelijkheid om de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren.
5.16.
Voorop staat dat het treffen van verkeersmaatregelen vanwege wegwerkzaamheden een bestuurlijke beslissing is. Aan de Staat komt daarbij dus beleids- en beoordelingsvrijheid toe. De vrijheid ziet onder meer op de vragen welke werkzaamheden noodzakelijk zijn, wanneer die worden uitgevoerd en op welke wijze die worden uitgevoerd. De (voorzieningen)rechter mag niet ‘op de stoel van het bestuur gaan zitten’. Dit neemt niet weg dat ook een bestuurlijke beslissing is onderworpen aan een zekere rechtmatigheidstoets. Een rechtmatigheidstoetsing geschiedt aan de hand van het geschreven recht en de (veelal ongeschreven) algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter zal daarbij terughoudendheid moeten betrachten. Wanneer de (voorzieningen)rechter tot de slotsom komt dat de Staat in redelijkheid niet tot een bestreden beslissing heeft kunnen komen, kan dat een grond zijn om die beslissing voor onrechtmatig te houden.
5.17.
Ter zitting is door de Staat toegelicht dat de A30 hoognodig moet worden gerenoveerd en aangepast. De Ondernemers erkennen dit ook. Aan de planning van de noodzakelijk werkzaamheden gewerkt vanuit een ‘grof-naar-fijn’-methodiek. Aangezien de A30 een belangrijke verbindingsroute is tussen de A1 en A12, is de planning van de voorgenomen werkzaamheden complex. De werkzaamheden moeten worden ingepast, waarbij (i) de doorstroming van het doorgaande en bestemmingsverkeer zoveel als mogelijk kan worden geborgd, (ii) de verkeersveiligheid niet in geding komt, (iii) de bereikbaarheid van hulpdiensten zoveel als mogelijk is geborgd en (iv) hinder voor het onderliggende wegennet zoveel als mogelijk wordt beperkt. Met inachtneming van deze uitgangspunten heeft de Staat diverse uitvoeringsvarianten onderzocht. Deze zijn besproken – onder meer – in GGB-sessies. Aan die sessies hebben deelgenomen (vertegenwoordigers van) de provincies Utrecht en Gelderland, de gemeentes Barneveld, Ede, Scherpenzeel, Woudenberg, Wageningen, Leusden, Amersfoort, de Veiligheidsregio Midden Nederland en Gelderland Midden en hulpdiensten.
5.18.
De voorzieningenrechter vindt voldoende aannemelijk dat de belangen van omwonenden en ondernemers die in de nabijheid van de wegwerkzaamheden wonen of gevestigd zijn, zijn meegewogen. Het is, zoals door de Staat onweersproken is verklaard, aan de gemeenten om deze lokale belangen te behartigen. Dat op de Staat de verplichting rust om ook rechtstreeks de Ondernemers hierbij te betrekken, neemt de voorzieningenrechter overigens niet aan. Onverplicht is de Staat, nadat hij de werkzaamheden publiekelijk had aangekondigd, in overleg getreden met de Ondernemers. Dat de Staat, na onderzoek van het alternatieve voorstel, dit voorstel niet heeft overgenomen, maakt ook niet dat hij daarom algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
5.19.
De Staat heeft in aanloop naar de definitieve besluitvorming over de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, verschillende varianten onderzocht. Daaronder bevindt zich ook een variant die gelijkenissen heeft met het door de Ondernemers gepresenteerde alternatief. De kern van het alternatieve plan wordt gevormd door een uitvoeringswijze waarbij de noodzakelijke renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd telkens op een beperkt wegtraject (van oprit tot de eerstvolgende afrit). Van de overige delen van de A30 kan het wegverkeer dan gebruik maken. De Staat heeft op basis van verkeersmodellen geconcludeerd dat bij zo’n uitvoeringswijze een zeer grote toename is te verwachten van het aantal verkeersdeelnemers op het onderliggende verkeersnet. De verklaring hiervoor moet worden gezocht, zo heeft de Staat ter zitting verklaard, in de omstandigheid dat doorgaand wegverkeer bij een gehele afsluiting van het werkgebied van de A30 de omleidingsroutes via de rijkswegen A1, A28, A27 en A12 of A1, A50 en A12 zal volgen. Bij kortere afsluitingen, zal doorgaand wegverkeer de A30 blijven volgen tot aan de wegafzetting. Daarna zal dit verkeer via het onderliggende verkeersnet een route volgen tot de eerst beschikbare oprit van de A30. Dit wordt mede veroorzaakt door de werking van navigatiesystemen. De onderliggende algoritmes, zullen te allen tijde proberen de snelst mogelijke route te vinden. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs de door de Staat voorgestane omleidingsroute te zijn.
5.20.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat, met de door hem gegeven toelichting, inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom het alternatief van de Ondernemers niet kan worden gebruikt. In redelijkheid heeft de Staat dan ook tot door de Ondernemers bestreden beslissing kunnen komen. Voor het oordeel dat de gekozen uitvoeringswijze voor onrechtmatig moet worden gehouden, bestaat dan ook geen grond. Door aldus te beslissen heeft de Staat ook geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden.
5.21.
Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter nog dat geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden door de Ondernemers geen inzage te geven in de onderliggende data en verkeersmodellen. Dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat is door de Ondernemers niet gesteld en is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. De voorzieningenrechter neemt voorshands niet aan dat een zodanige verplichting volgt uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Slotsom en proceskosten
5.22.
De door de Ondernemers aangevoerde grondslagen kunnen de primaire en subsidiaire vordering niet dragen. De slotsom is dan ook dat de vorderingen zullen worden afgewezen.
5.23.
De Ondernemers worden in het ongelijk gesteld en daarom veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.020,00
5.24.
Nu de proceskostenveroordeling jegens meerdere partijen wordt uitgesproken is als uitgangspunt ieder van die partijen voor het geheel aansprakelijk. Zij zijn dus hoofdelijk verbonden. Dit geldt ongeacht of de in het gelijk gestelde partij dit heeft gevorderd. [5] De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze van dit uitgangspunt af te wijken en zal aldus beslissen. Dit betekent dat ieder van de Ondernemers kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van de Ondernemers af,
6.2.
veroordeelt de Ondernemers hoofdelijk in de proceskosten van € 2.020,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Ondernemers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
1863 \ 1699

Voetnoten

1.Aangezien de A30 onder het beheer van het Rijk valt, is de Minister, op grond van artikel 18 lid 1 aanhef en onder a WVW, bij uitsluiting bevoegd verkeersbesluiten te nemen die betrekking hebben op de A30.
2.Op grond van artikel 12 aanhef en onder b (V) en (VI) is een verkeersbesluit noodzakelijk in het geval gele doorgetrokken strepen en gele onderbroken strepen als verkeerstekens op het wegdek worden aangebracht.
3.Zie:
4.Hoge Raad 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5099, rov. 3.4 (Stichting Afvaloven Nee/Omrin).
5.Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942, rov. 4.1.2.