ECLI:NL:RBGEL:2026:822

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
459185
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:48 BWArt. 5:73 BWArt. 5:74 BWArt. 5:78 BWArt. 5:79 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over erfdienstbaarheid van weg en afsluiting toegangspoort tussen buren

In deze kort geding procedure tussen buren staat het geschil centraal over het bestaan, de omvang en het gebruik van een erfdienstbaarheid van weg. Eisers zijn eigenaar van een perceel dat alleen via een toegangsweg over het perceel van gedaagden bereikbaar is. De erfdienstbaarheid is gevestigd bij een akte uit 2006, waarin het recht van weg wordt omschreven als 'op de thans bestaande wijze'.

De kern van het geschil betreft de vraag of het recht van weg ook het gebruik van een looppad langs de woning van gedaagden omvat, en of gedaagden de toegangspoort met een slot mogen afsluiten. De rechtbank oordeelt dat het looppad als onderdeel van de erfdienstbaarheid moet worden beschouwd, ondanks dat het pad recentelijk is afgesloten en deels beplant is. Gedaagden hebben zelf het pad ontoegankelijk gemaakt.

Verder is geoordeeld dat gedaagden de toegangspoort niet op slot mogen houden, omdat dit de onbelemmerde toegang van eisers en hun bezoekers belemmert. Het enkel verstrekken van een niet-dupliceerbare sleutel is onvoldoende, omdat eisers en hun bezoekers telkens naar de poort moeten lopen om deze te openen en te sluiten. De rechtbank veroordeelt gedaagden om het slot binnen 48 uur te verwijderen en twee sleutels van het tuinpoortje te verstrekken.

De vorderingen tot verwijdering van de poorten en het verbod op intimiderend gedrag worden afgewezen. Ook de vorderingen van gedaagden in reconventie worden grotendeels afgewezen, behalve de verplichting voor eisers om de poort na gebruik te sluiten. De proceskosten worden aan de zijde van gedaagden opgelegd.

Uitkomst: Gedaagden moeten het slot van de toegangspoort verwijderen en sleutels van het tuinpoortje verstrekken, eisers moeten de poort na gebruik sluiten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/459185 / KG ZA 25-404
Vonnis in kort geding van 23 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser in conv sub 1] ,2. [eiseres in conv sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie, tevens verwerende partijen in reconventie
hierna samen te noemen: [eisers in conv] en afzonderlijk aan te duiden met [eiser in conv sub 1] en [eiseres in conv sub 2] ,
advocaat: mr. N. van Kuppeveld,
tegen

1.[gedaagde in conv sub 1] ,2. [gedaagde in conv sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie, tevens eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden in conv] , en afzonderlijk aan te duiden met [gedaagde in conv sub 1] en [gedaagde in conv sub 2] ,
advocaat: mr. K.M. de Milde.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de producties 1 tot en met 20 van [eisers in conv] ;
- de nagekomen producties 21 en 22 van [eisers in conv] ;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagden in conv] met producties 1 tot en met 26 (waaronder begrepen de per Zivver aan de rechtbank toegestuurde videobestanden);
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eisers in conv] ;
- de pleitnota van [gedaagden in conv] .

2.De feiten

2.1.
[eisers in conv] zijn directe buren van [gedaagden in conv] Eiser sub 1, [eiser in conv sub 1] , is vanaf 16 april 2003 eigenaar van het perceel en de daarop gelegen onroerende zaken gelegen aan [adres 1] te [plaats] , thans kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] (productie 2).
2.2.
Eiseres sub 2, [eiseres in conv sub 2] , is accountant en heeft haar eigen kantoor aan huis.
2.3.
[gedaagden in conv] zijn sinds april 2020 eigenaar van het perceel en de daarop gelegen onroerende zaken gelegen aan [adres 2] te [plaats] , thans kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 2] en [kadastrale aanduiding 3] . Tussen voornoemde percelen loopt een breed grindpad (hierna: de toegangsweg), dat geschikt is voor (gemotoriseerd) verkeer dat voert naar de garage en achterdeur van [eisers in conv] .
2.4.
Bij akte van toedeling Herinrichting Ooijpolder van 29 juni 2006 met nummer 1014897 (hierna: de akte uit 2006) is onder meer een recht van erfdienstbaarheid gevestigd op grond waarvan [eisers in conv] als eigenaar van het heersende erf het recht van weg hebben om via het dienende erf van [gedaagden in conv] naar de openbare weg te komen en te gaan (hierna: de erfdienstbaarheid).
De akte uit 2006 bepaalt ter zake de erfdienstbaarheid, voor zover van belang, het volgende:
‘(…)
D57: Ten behoeve van kavel [kavelnummer 1] als heersend erf en ten laste van kavel [kavelnummer 2] als dienend erf wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan van en naar de openbare weg, de Leuthsestraat, op de thans bestaande wijze.
(…)’
De in de akte uit 2006 genoemde kavelnummers corresponderen met de huidige nummers van de percelen van partijen. Kavel [kavelnummer 1] betreft perceel [kadastrale aanduiding 1] van [eisers in conv] en kavel [kavelnummer 2] betreft perceel [kadastrale aanduiding 2] van [gedaagden in conv]
2.5.
[gedaagden in conv] hebben eind 2024 dan wel begin 2025 aan de voorzijde van de toegangsweg een poort met aan de zijkant een looppoort geplaatst (poort A, ook wel de toegangspoort). Vervolgens hebben [gedaagden in conv] de toegangspoort in september 2025 voorzien van een slot. [gedaagden in conv] hebben [eisers in conv] één niet-dupliceerbare sleutel van dat slot verschaft.
2.6.
Tot enige jaren geleden [1] liep er ook een looppad van grind vanaf de Leuthsestraat over perceel [kadastrale aanduiding 2] en langs de voordeur en slaapkamer van de woning van [gedaagden in conv] richting de voordeur van [eisers in conv] Aan de voorzijde (vanaf de openbare weg gezien) van het (voormalige) looppad staat een tuinpoortje (poort B). Dit tuinpoortje is sinds in ieder geval een aantal jaren permanent afgesloten. [eisers in conv] hebben van dit poortje geen sleutel. De brievenbus die ten behoeve van [eisers in conv] bij dit poortje aan de openbare weg stond is in verband met het afsluiten van het looppad door [gedaagden in conv] verplaatst naar de toegangspoort. Het grind is door [gedaagden in conv] (deels) verwijderd en in plaats daarvan is (deels) beplanting aangebracht.
2.7.
Onder meer poort A en poort B zijn met rood omcirkeld weergegeven op de volgende, door [gedaagden in conv] in het geding gebrachte, luchtfoto van onder meer de percelen van partijen. Het perceel van [eisers in conv] ( [kadastrale aanduiding 1] ) is gelegen schuin boven het perceel van [gedaagden in conv] ( [kadastrale aanduiding 2] ):

*Afbeelding

2.8.
In het bijzonder nadat [gedaagden in conv] de toegangspoort van een slot hadden voorzien onder afgifte van één niet dupliceerbare sleutel is de verstandhouding tussen partijen verslechterd.
2.9.
[eisers in conv] hebben drie meldingen gedaan bij de politie vanwege intimiderend,
agressief gedrag van [gedaagden in conv] c.q. [gedaagde in conv sub 1] op 29 april, 27 juli en 17 december 2025.
2.10.
Partijen hebben op verschillende momenten brieven naar elkaar gestuurd teneinde afspraken te maken over (het gebruik dan wel het (af)sluiten van) de toegangspoort. Dit heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid.
Tekst

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eisers in conv] vorderen in conventie bij vonnis in kort geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- [gedaagden in conv] te veroordelen de twee toegangspoorten tot het perceel van [eisers in conv] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 50.000,00, althans een in goede van justitie vast te stellen maximum, dat [gedaagden in conv] in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen;
subsidiair:
- [gedaagden in conv] te veroordelen de toegangspoorten binnen 48 uur na betekening van dit vonnis van het slot te halen en te houden, op zodanige wijze dat [eisers in conv] en hun bezoek de woning aan [adres 1] te allen tijde kunnen bereiken, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 50.000,00, althans een in goede justitie vast te stellen maximum, dat [gedaagden in conv] in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen;
meer subsidiair:
- [gedaagden in conv] te veroordelen de grote toegangspoort aan te passen dan wel te
vervangen zodat deze door [eisers in conv] op afstand geopend en gesloten kan worden, binnen 48 uur na betekening dit vonnis en de kleine poort van het slot te halen en te houden, op zodanige wijze dat [eisers in conv] en hun bezoek de woning aan [adres 1] te allen tijde kunnen bereiken, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 50.000,00, althans een in goede justitie vast te stellen maximum, dat [gedaagden in conv] in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen;
in alle gevallen:
  • [gedaagden in conv] te verbieden [eisers in conv] dan wel het bezoek, klanten en dienstverleners van [eisers in conv] op intimiderende wijze te benaderen; zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 50.000,00, althans een in goede justitie vast te stellen maximum, dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
  • [gedaagden in conv] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagden in conv] voeren verweer. [gedaagden in conv] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers in conv] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers in conv] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagden in conv] vorderen in reconventie bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
[eisers in conv] , dan wel hun bezoek, klanten en dienstverleners, te gebieden om poort A, inclusief looppoort, steeds direct te sluiten en op slot te doen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per keer dat [eisers in conv] dan wel hun bezoek, klanten en dienstverleners nalaten om de poort direct te sluiten, met een maximum van € 50.000,00;
[eisers in conv] , dan wel hun bezoek, klanten en dienstverleners, te veroordelen
zich te houden aan de maximumsnelheid van 5 km/h zolang zij zich bevinden op het kadastrale perceel van [gedaagden in conv] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per keer dat [eisers in conv] , dan wel hun bezoek, klanten en dienstverleners, nalaten om zich te houden aan deze maximumsnelheid, met een maximum van € 50.000,00;
3. [eisers in conv] , dan wel hun bezoek, klanten en dienstverleners, te verbieden om de toegangsweg anders te gebruiken dan voor het komen en gaan van en naar de openbare weg, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per keer dat [eisers in conv] , dan wel hun bezoek, klanten en dienstverleners, de toegangsweg anders gebruiken dan uitsluitend om te komen en te gaan van en naar de openbare weg, met een maximum van € 50.000,00.
in alle gevallen:
[eiser in conv sub 1] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.5.
[eisers in conv] voeren verweer. [eisers in conv] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden in conv] in reconventie, met veroordeling van [eisers in conv] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.
Toetsingskader kort geding
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisers in conv] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering
.
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde in conventie en in reconventie het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eisers in conv] en [gedaagden in conv] gegeven.
Bestaan van de erfdienstbaarheden
4.4.
Bij de akte uit 2006 is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd op grond waarvan [eisers in conv] als eigenaar van het heersende erf het recht van weg hebben om via het dienende erf van (thans) [gedaagden in conv] naar de Leuthsestraat te komen en te gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat dit recht in ieder geval het recht omvat om via de toegangsweg die op dit moment wordt ontsloten door de toegangspoort (poort A) te komen van en te gaan naar de Leuthsestraat vanaf het perceel van [eisers in conv]
Partijen twisten in dit kort geding wel over het antwoord op de vraag of deze erfdienstbaarheid ook het recht omvat om via het looppad dat wordt ontsloten door het tuinpoortje (poort B) en dat voert langs de voordeur van de woning van [gedaagden in conv] naar de voordeur van de woning van [eisers in conv] te komen van en te gaan naar de openbare weg.
4.5.
[eisers in conv] stellen in dit verband primair het volgende. In de akte uit 2006 staat dat de erfdienstbaarheid wordt gevestigd om te komen van en te gaan naar de openbare weg ‘op de thans bestaande wijze’. Daarmee wordt volgens [eisers in conv] gedoeld op de situatie zoals deze toen al jarenlang bestond, ver voordat [gedaagden in conv] in de woning aan [adres 2] kwamen wonen. [eiser in conv sub 1] is naar eigen zeggen in 2003 met de toenmalige eigenaar van die woning, de heer [naam] , overeengekomen dat hij zijn woning mocht bereiken zowel via het pad richting de voordeur van zijn woning als ook via de oprit, de toegangsweg, die toegang geeft tot de achterdeur, garage en schuren van het perceel aan [adres 1] . De afspraak was volgens [eiser in conv sub 1] dat de toegangsweg te allen tijde vrij was voor doorgang. [eisers in conv] hebben in dit verband een aantal getuigenverklaringen in het geding gebracht. Dit recht van weg is op 3 maart 2024 vastgelegd in het kader van de herinrichting van de Ooijpolder en formeel bij de akte uit 2006 zoals voornoemd gevestigd. Ook uit de bij de akte gevoegde kaarten blijkt het bestaan van deze erfdienstbaarheid, aldus [eisers in conv] stellen subsidiair dat voornoemde erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan.
[gedaagden in conv] betwisten dat bij de akte uit 2006 (of op enig ander moment) meer dan één erfdienstbaarheid van weg is gevestigd. Alleen de erfdienstbaarheid over de toegangsweg blijkt volgens [gedaagden in conv] uit de tekst van de akte. Dat [eisers in conv] de erfdienstbaarheid ook over het looppad zouden mogen uitoefenen blijkt daar niet uit en dit blijkt ook niet uit de door [eisers in conv] overgelegde kaart bij voornoemde akte. Ook werd het pad door [eisers in conv] slechts sporadisch gebruikt toen de rechtsvoorganger van [gedaagden in conv] nog op het perceel woonde om de post uit de brievenbus te halen. De brievenbus is inmiddels verplaatst naar de voorzijde van de toegangsweg, waardoor er al lange tijd geen noodzaak of belang bestaat voor [eisers in conv] om via deze route het perceel van [gedaagden in conv] te betreden. [gedaagden in conv] betwisten ook dat door verjaring een erfdienstbaarheid over het looppad is ontstaan.
4.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 5:73 lid 1 BW Pro worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening in eerste instantie bepaald door de akte van vestiging. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2021 [2] volgt dat het bij de uitleg van de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid aankomt op de in de notariële akte(n) tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in deze akte(n) gebezigde bewoordingen uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Zoals reeds overwogen blijkt uit de akte uit 2006 dat [eisers in conv] en de rechtsvoorganger van [gedaagden in conv] een erfdienstbaarheid van weg hebben gevestigd ten behoeve van perceel [kadastrale aanduiding 1] van [eisers in conv] en ten laste van [kadastrale aanduiding 2] van [gedaagden in conv] , om te komen van en te gaan naar de openbare weg, de Leuthsestraat, op de thans bestaande wijze.
4.7.
Partijen twisten of onder ‘de thans bestaande wijze’ ook moet worden verstaan het pad dat wordt ontsloten door het tuinpoortje (poort B) en dat voert langs de voordeur van [gedaagden in conv] naar de voordeur van [eisers in conv] Dat is voorshands geoordeeld het geval, met dien verstande dat het gaat om het gebruik van het pad als looppad. Tussen partijen is niet in geschil dat toen de rechtsvoorganger van [gedaagden in conv] nog op het perceel [kadastrale aanduiding 2] woonde en de erfdienstbaarheid in 2006 werd gevestigd, het looppad aan de voorzijde van de woningen werd gebruikt door [eisers in conv] om in ieder geval te voet de post op te halen uit de brievenbus die op dat moment nog aan de voorzijde van dat pad aan de Leuthsestraat stond. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [eisers in conv] , ook toen [gedaagden in conv] reeds in de woning woonden, tot het moment van plaatsing c.q. afsluiting van de poort gebruik maakten van het looppad, zij het dat zij dat op verzoek van [gedaagden in conv] zo min mogelijk deden omdat het pad (mede) langs de slaapkamer van [gedaagden in conv] voert en [gedaagde in conv sub 1] nachtdiensten draait en overdag dus slaapt. Dat het looppad sinds een aantal jaren niet meer wordt gebruikt, dat ook geen pad meer aanwezig is omdat dit deel van het perceel van [gedaagden in conv] bestaat uit door [gedaagden in conv] aangebracht gras en/of beplanting in de vorm van grote struiken en dat [gedaagden in conv] naar eigen zeggen aanzienlijke werkzaamheden zullen moeten verrichten om deze route weer toegankelijk te maken, doet aan het voorgaande niet af. Uit de eigen verklaringen van [gedaagden in conv] ter zitting blijkt immers dat [gedaagden in conv] op enig moment zelf het op het pad aanwezige grind hebben verwijderd, gras en/of struiken hebben aangebracht en het tuinpoortje permanent hebben afgesloten. Zij hebben aldus zelf bewerkstelligd dat [eisers in conv] geen gebruik meer kunnen maken van het looppad. Ook het gegeven dat de brievenbus van [eisers in conv] inmiddels is verplaatst naar de voorzijde van de toegangsweg maakt het voorgaande niet anders. Het enkele gegeven dat [eisers in conv] deze route over het perceel van [gedaagden in conv] niet meer nodig hebben om hun post uit de brievenbus te halen en in die zin geen belang meer hebben bij het gebruik van dat pad, wat [eisers in conv] overigens betwisten, maakt, wat er ook verder van zij, nog niet dat de erfdienstbaarheid in kwestie niet meer bestaat. Indien [gedaagden in conv] menen dat [eisers in conv] geen belang meer hebben bij het gebruik van de erfdienstbaarheid over dit pad dan kunnen zij dit aan de bodemrechter voorleggen in een te starten bodemprocedure die strekt tot opheffing van de erfdienstbaarheid in kwestie in de zin van de artikelen 5:78 en 5:79 BW. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats.
4.8.
De subsidiaire stellingen van partijen over het ontstaan van de erfdienstbaarheid over het looppad door verkrijgende verjaring behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.
Afsluiting erf belast met erfdienstbaarheid- maatstaf
4.9.
Vaststaat dat [gedaagden in conv] eind 2024 dan wel begin 2025 een toegangspoort hebben geplaatst aan de voorzijde van de toegangsweg, gezien vanaf de openbare weg. In eerste instantie stond deze poort open, volgens [gedaagden in conv] om [eisers in conv] aan de poort ‘te laten wennen’. Vanaf enig moment nadien hebben [gedaagden in conv] de poort afgesloten met een slot. Van dit slot hebben zij [eisers in conv] één, niet dupliceerbare, sleutel ter beschikking gesteld. [eisers in conv] vorderen primair dat deze toegangspoort wordt verwijderd. Zij stellen daartoe dat de toegangspoort een ontoelaatbare belemmering vormt voor de uitoefening van hun erfdienstbaarheid en dat het de bedoeling was dat er geen poort zou worden geplaatst ter afsluiting van de toegangsweg.
4.10.
Op grond van artikel 5:48 BW Pro is een eigenaar van een erf bevoegd dit af te sluiten, ook als dit is belast met een erfdienstbaarheid ten behoeve van het erf van een ander. Dat deze bevoegdheid niet onbeperkt is, blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2006 [3] . Indien een eigenaar van het dienend erf van de bevoegdheid tot afsluiting gebruik maakt, moet hij ervoor zorgen dat de eigenaar van het heersend erf onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf om de erfdienstbaarheid te kunnen uitoefenen. In de regel zal dit betekenen dat de eigenaar van het dienend erf de eigenaar van het heersend erf de mogelijkheid biedt om zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienend erf de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid.
Afsluiting toegangsweg (poort A)
4.11.
De stelling van [eisers in conv] , dat de gevestigde erfdienstbaarheid het recht van [gedaagden in conv] tot afsluiting van hun erf met een toegangspoort in het geheel verbiedt, snijdt gelet op het hiervoor geschetste kader geen hout. [eisers in conv] verwijzen in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 14 juli 2023 [4] maar het vergelijk met die zaak gaat niet op. In die zaak bepaalde de erfdienstbaarheid van weg dat de weg te allen tijde vrij moet blijven voor doorgang en dat geen bebouwing is toegestaan. Dit is in de onderhavige zaak niet aan de orde, zodat geen sprake kan zijn van een inperking van het recht op grond van artikel 5:48 BW Pro. [eisers in conv] stellen weliswaar dat het de bedoeling was dat er geen poort zou worden geplaatst aan het begin van de toegangsweg maar dit is niet kenbaar uit de akte uit 2006. De primaire vordering in conventie wordt daarom afgewezen.
Het voorgaande betekent dat het [gedaagden in conv] in beginsel is toegestaan een toegangspoort te plaatsen, maar dan wel zodanig dat daarmee de onbelemmerde doorgang voor [eisers in conv] niet wordt verstoord. In de kern gaat het dan ook om de vraag of de wijze waarop [gedaagden in conv] de toegangspoort hebben geplaatst en die van een slot hebben voorzien onder afgifte van één - niet na te maken - sleutel aan [eisers in conv] nog voldoet aan de verplichting die de erfdienstbaarheid oplegt, namelijk het verschaffen van onbelemmerde toegang. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is op dit moment van onbelemmerde toegang voor [eisers in conv] geen sprake meer. Daarvoor is het volgende van belang.
4.12.
Niet in geschil is dat [eisers in conv] hun erf, dat op een afstand van circa 60 meter van de openbare weg ligt, alleen via de toegangsweg kunnen bereiken. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor bezoek van [eisers in conv] , klanten van [eiseres in conv sub 2] , dienstverleners en eventuele hulpverleners. Verder is gebleken dat de toegangspoort in beginsel altijd op slot zit; [gedaagden in conv] doen de poort ook op slot als (bezoekers van) [eisers in conv] dat nalaten. Dat betekent dat [eisers in conv] , indien zij bezoek, klanten en/of dienstverleners ontvangen steeds circa 60 meter naar de toegangspoort moeten lopen om deze van het slot te halen en deze handelwijze moeten herhalen als het bezoek, de klanten en/of dienstverleners het terrein weer verlaten. Het enkel verschaffen van nog een sleutel aan [eisers in conv] , zoals [gedaagden in conv] in de conclusie van antwoord aanbieden, biedt in dit verband onvoldoende soelaas. Dit verandert immers niets aan het feit dat [eisers in conv] dan nog steeds voor bezoek, klanten en/of dienstverleners naar de toegangspoort moeten lopen om deze van het slot te halen en na gebruik weer op slot te doen. Dat kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van [eisers in conv] gevergd worden.
4.13.
[gedaagden in conv] doen in dit verband een beroep op artikel 5:74 BW Pro. Op grond van dat artikel mag de eigenaar van een dienend erf niet meer overlast van de uitoefening van de erfdienstbaarheid hebben dan redelijkerwijs noodzakelijk. Dat betekent echter, anders dan [gedaagden in conv] veronderstellen, niet dat [gedaagden in conv] (dus) de toegangspoort op slot mogen doen en van [eisers in conv] en hun bezoekers (na gebruik van de poort) hetzelfde kunnen verlangen. Ook in dit verband is van belang dat uit de vestigingsakte blijkt dat de erfdienstbaarheid is gevestigd om te komen van en te gaan naar de openbare weg vanaf het erf van [eisers in conv] op de bestaande wijze. Niet in geschil is dat de toegangsweg op het moment van vestiging van de erfdienstbaarheid in 2006, maar ook in de jaren erna, in het geheel niet was afgesloten met een poort, laat staan een poort afgesloten met een slot. Dit blijkt ook uit de door [eisers in conv] in het geding gebrachte foto’s (productie 9). Dat brengt met zich dat [gedaagden in conv] de poort niet mogen afsluiten. De omstandigheid dat [gedaagden in conv] jonge kinderen hebben en voor hun veiligheid de toegangspoort doorlopend op slot willen hebben, zodat de kinderen deze niet open kunnen doen en op de openbare weg kunnen komen, maakt dit niet anders. [gedaagden in conv] hebben de tuinafscheiding die een deel van hun tuin afschermde van de toegangsweg zelf verwijderd om te bewerkstelligen dat hun kinderen ook in het aan de andere zijde van de toegangsweg gelegen deel van het perceel van [gedaagden in conv] (de boomgaard) kunnen spelen. Het gevolg daarvan is dat de kinderen nu de toegangsweg, waar (bezoekers van) [eisers in conv] met auto’s rijden, moeten oversteken en zij de toegangspoort, als deze niet op slot zit, kunnen openen en op de openbare weg kunnen komen. Het belang van [gedaagden in conv] dat hun kinderen ook in de boomgaard kunnen spelen weegt niet op tegen het recht en belang dat [eisers in conv] hebben op onbelemmerde doorgang. De gevaarlijke situatie hebben [gedaagden in conv] zelf gecreëerd. Bovendien kunnen de kinderen de looppoort naast de autopoort, welke looppoort kennelijk nooit op slot is, ook opendoen en daardoor op de openbare weg komen. De slotsom is dan ook dat [gedaagden in conv] de poort niet met een slot mogen afsluiten. De subsidiaire vordering in conventie zal daarom worden toegewezen voor zover deze ziet op de toegangspoort. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagden in conv] de daarnaast gelegen looppoort ook steeds op slot doen. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen. Aan [gedaagden in conv] wordt een termijn van 48 uur na betekening van dit vonnis gegeven om de toegangspoort (poort A) van het slot te halen en te houden. De in dit verband gevorderde dwangsom zal worden toegewezen. Daartegen is door [gedaagden in conv] ook geen afzonderlijk (gemotiveerd) verweer gevoerd.
4.14.
Uit het recht van [gedaagden in conv] om de toegangsweg met een toegangspoort af te sluiten vloeit echter wel de plicht van [eisers in conv] voort om die poort, na het gebruik ervan, ook weer te sluiten. De door [gedaagden in conv] in dit verband in reconventie onder 1. gevorderde veroordeling zal in zoverre worden toegewezen, dat [eisers in conv] zal worden geboden de toegangspoort, inclusief de looppoort, steeds te sluiten nadat zij deze hebben geopend. Voor zover deze vordering ziet op derden, zoals bezoek, klanten en pakketjesbezorgers, zal deze worden afgewezen. Dat geldt ook voor de dit verband gevorderde dwangsom. [eisers in conv] hebben toegelicht dat zij ook een huurder hebben en ook overigens is genoegzaam gebleken dat de toegangspoort ook wordt gebruikt door bezoek, klanten van [eiseres in conv sub 2] en dienstverleners zoals pakketjesbezorgers. [eisers in conv] hebben in dit verband slechts de verplichting zich ervoor in te spannen dat de toegangspoort wordt gesloten, een garantie kan van hen echter niet worden verlangd.
4.15.
Ook de reconventionele vorderingen onder 2. en 3. zijn niet toewijsbaar. Het spreekt voor zich dat op de toegangsweg met een acceptabele snelheid moet worden gereden. Het is echter niet te verifiëren hoe had exact wordt gereden en een veroordeling in dit verband zal onvermijdelijk leiden tot executiegeschillen. Verder kan [eisers in conv] niet op voorhand worden verboden om de toegangsweg anders te gebruiken dan voor het komen van en gaan naar de openbare weg, nog daargelaten dat ook in dit verband geldt dat op [eisers in conv] slechts een inspanningsverplichting rust om ervoor te zorgen dat bezoek, klanten en dienstverleners het pad gebruiken waarvoor het bedoeld is.
4.16.
Aan de meer subsidiaire vordering in conventie, die ertoe strekt [gedaagden in conv] te veroordelen de grote toegangspoort aan te passen dan wel te vervangen zodat deze door [eisers in conv] op afstand geopend en gesloten kan worden, wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen. De voorzieningenrechter geeft [gedaagden in conv] wel dringend in overweging om, ondanks de bij hen daartegen bestaande bezwaren, over te stappen op een systeem waarbij de toegangspoort op afstand door partijen kan worden geopend. Op die manier kunnen discussies over het open (laten) staan van de toegangspoort, door [eisers in conv] of door bezoek, klanten en dienstverleners, zoveel mogelijk worden vermeden.
Afsluiting tuinpoortje (poort B)
4.17.
[eisers in conv] kunnen gelet op het voorgaande van [gedaagden in conv] verlangen dat zij weer in de gelegenheid worden gesteld om via het tuinpoortje te komen van en te gaan naar de Leuthsestraat vanaf de voordeur van hun woning. Vaststaat dat [gedaagden in conv] het tuinpoortje (poort B) op enig moment permanent hebben afgesloten. [eisers in conv] vorderen in conventie dat ook deze poort geheel wordt verwijderd maar dat voert gelet op hetgeen hiervoor is overwogen te ver. [eisers in conv] hebben in dit verband niet gesteld dat het voor hen bezwaarlijk is om deze poort na het gebruik ervan op slot te doen en zij kunnen daartoe ook worden gehouden. Nu [eisers in conv] niet over een sleutel van deze poort beschikken maar wel recht hebben op onbelemmerde doorgang, zonder daarbij afhankelijk te zijn van [gedaagden in conv] , dienen [gedaagden in conv] aan [eisers in conv] twee sleutels ter beschikking te stellen die passen op het tuinpoortje. In zoverre zal de subsidiaire vordering in conventie, ook voor zover deze ziet op het tuinpoortje, worden toegewezen. Aan [gedaagden in conv] zal een termijn van één week na betekening van dit vonnis worden gegund om twee sleutels van het tuinpoortje (poort B) aan [eisers in conv] ter beschikking te stellen. Deze veroordeling zal worden versterkt met de gevorderde dwangsom. Daartegen heeft [gedaagden in conv] geen afzonderlijk (gemotiveerd) verweer gevoerd.
Intimiderende uitlatingen
4.18.
De vordering van [eisers in conv] in conventie die ertoe strekt [gedaagden in conv] te verbieden [eisers in conv] dan wel bezoek, klanten en dienstverleners van [eisers in conv] op intimiderende wijze te benaderen, zal worden afgewezen. Gebleken is dat de spanning tussen partijen over het gebruik van de erfdienstbaarheid inmiddels zeer hoog is opgelopen en partijen betichten elkaar over en weer van intimiderend en zelfs agressief gedrag. Of [gedaagden in conv] op enig moment de grens van het toelaatbare hebben overschreden kan gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagden in conv] binnen het bestek van dit kort geding niet worden vastgesteld. Maar ook overigens is het gevorderde niet toewijsbaar, nu de vraag of sprake is van intimiderende uitlatingen die als onrechtmatig moeten worden aangemerkt steeds een afzonderlijke beoordeling van het geval vergt en niet op voorhand een verbod tot het doen van dergelijke uitlatingen kan worden uitgesproken.
Proceskosten
4.19.
[gedaagden in conv] worden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten (inclusief de nakosten) veroordeeld. De proceskosten worden aan de zijde van [eisers in conv] begroot op:
- dagvaarding € 146,43
- griffierecht € 341,00
  • salaris advocaat € 1.107,00
  • nakosten
Totaal € 1.772,43
4.20.
[gedaagden in conv] worden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij ook in reconventie in de kosten veroordeeld. Vanwege de nauwe samenhang met de procedure in conventie worden die kosten op nihil gesteld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagden in conv] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de toegangspoort (poort A) van het slot te halen en te houden,
5.2.
veroordeelt [gedaagden in conv] om binnen één week na betekening van dit vonnis twee sleutels van het tuinpoortje (poort B) aan [eisers in conv] ter beschikking te stellen,
5.3.
veroordeelt [gedaagden in conv] om aan [eisers in conv] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1. en 5.2. uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
in reconventie
5.4.
gebiedt [eisers in conv] om de toegangspoort (poort A) inclusief de looppoort, na het gebruik ervan te sluiten,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [gedaagden in conv] in de proceskosten van [eisers in conv] in conventie van € 1.772,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagden in conv] in de proceskosten van [eisers in conv] in reconventie, begroot op nihil,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
1328

Voetnoten

1.En in ieder geval ook nog nadat [gedaagden in conv] hun woning hebben gekocht en geleverd gekregen.