ECLI:NL:RBGEL:2026:928

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
ARN 25_3059
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.29 BblArt. 5:32a AwbArt. 5:37 AwbArt. 5:39 AwbArt. 2.10a APV gemeente Lochem
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving last onder dwangsom voor illegale steiger zonder vergunning

Eiser plaatste een steiger bij zijn woning zonder de vereiste omgevingsvergunning, ondanks meerdere waarschuwingen en controles door de gemeente Lochem. Het college legde een last onder dwangsom op en vorderde de verbeurde dwangsom in nadat de steiger niet tijdig werd verwijderd. Eiser voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder schending van de positie van zijn gemachtigde, onvoldoende gelegenheid tot zienswijze, vermeende vooringenomenheid van de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie, en een gebrek aan belangenafweging door het college.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld. De positie van de gemachtigde is niet miskend, de termijn voor het indienen van een zienswijze was voldoende en een gesprek werd aangeboden, en de voorzitter van de commissie was niet vooringenomen. De overtreding van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is vastgesteld op basis van controles en foto’s waaruit blijkt dat de steiger zonder vergunning en zonder werkzaamheden aanwezig was.

De rechtbank bevestigt de beginselplicht tot handhaving en stelt dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, waarbij ook de tijdelijke aard van de situatie en de verkeersveiligheid zijn betrokken. De begunstigingstermijn was passend en hoefde niet te worden verlengd. De invordering van de dwangsom is niet onevenredig, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan betalen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het college wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en invorderingsbesluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3059

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college

(gemachtigde: R. Verkerk).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom en het invorderingsbesluit in verband met de geplaatste steiger bij zijn huis. Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd en de verbeurde dwangsom heeft ingevorderd. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Met het besluit van 20 december 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan eiser (het primaire besluit). Met de beslissing op bezwaar van 15 mei 2025 heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten (de beslissing op bezwaar). Met het besluit van 3 juli 2025 heeft het college de volgens hem verbeurde dwangsom ingevorderd (het invorderingsbesluit).
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en het invorderingsbesluit.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 28 november 2025 in kennis gesteld dat hij niet ter zitting zal verschijnen omdat eiser is opgenomen in een kliniek. De gemachtigde van het college heeft vervolgens de rechtbank desgevraagd in kennis gesteld dat hij om die reden ook niet zal verschijnen ter zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is eigenaar en bewoner van de woning en het bijbehorende perceel met het adres [locatie 1] [huisnummer] in [plaats] (de woning). De woning staat op de hoek bij de kruising van de [locatie 2] en de [locatie 1] in de binnenstad van [plaats]. Op 25 augustus 2024 heeft eiser bij de gemeente Lochem (de gemeente) gemeld dat hij 30 augustus 2024 de buitenkant van zijn woning gaat renoveren en daarom de woning in de steigers gaat zetten (de melding). Een medewerker van de gemeente heeft op 4 september 2024 gereageerd op de melding en eiser medegedeeld dat hij een vergunning nodig heeft voor het plaatsen van de steiger en onder meer gevraagd hoe lang eiser verwacht dat de steiger rondom de woning staat en hoeveel vierkante meter de steiger in beslag neemt. Hierop heeft eiser niet gereageerd.
2.1.
Op 24 september 2024 is bij de gemeente een melding ingediend dat de geplaatste steiger bij de woning (de steiger) tot verkeersonveilige situaties leidt. Naar aanleiding van deze melding hebben op 26 september 2024 toezichthouders van de gemeente een controle uitgevoerd bij de woning van eiser. De betreffende toezichthouders hebben vastgesteld dat de steiger kan leiden tot verkeersonveilige situaties door onder meer het ondoorzichtige zeil dat is gespannen rondom de steiger. Dit leidde tot de aanschrijving van eiser door de gemeente van 27 september 2024 waarin eiser is verzocht om de afdichting van de steiger (in de vorm van het ondoorzichtige zeil) te verwijderen.
2.2.
Op 4 oktober 2024 heeft het college eiser in kennis gesteld dat het college voornemens is om eiser een last onder dwangsom op te leggen omdat eiser de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Lochem (de APV) overtreedt door de plaatsing van de steiger op deze wijze. [1] Op 14 en 21 november zijn er wederom meldingen/verzoeken ingediend bij de gemeente dat de steiger leidt tot verkeersonveilige situaties en is verzocht om de steiger te laten verwijderen.
2.3.
Op 6 december 2024 heeft het college eiser in kennis gesteld dat het college voornemens is om eiser een last onder dwangsom op te leggen vanwege de overtreding van artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) door het plaatsen van een steiger zonder dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Op 16 december 2024 hebben toezichthouders van de gemeente wederom een controle uitgevoerd bij de woning. Tijdens deze controle hebben de betreffende toezichthouders geconstateerd dat de steiger niet was verwijderd en geen (bouw)werkzaamheden zijn en worden verricht.
2.4.
Op 20 december 2024 heeft het college eiser gelast om de steiger te verwijderen voor 30 december 2024, onder dreiging van een dwangsom van € 500,- per overtreding (maximaal 1 overtreding per dag) met een maximum van € 5000,-. Op zondag 29 december 2024 heeft de gemachtigde van eiser aan het college (via de mail gericht aan een medewerker van het college) verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen met 21 dagen. Ter beantwoording van deze mail is aan de gemachtigde van eiser een automatisch antwoord verstuurd waarin is opgenomen dat de betreffende ambtenaar niet aanwezig is, de mail niet kan beantwoorden en voor dringende zaken contact opgenomen kan worden met haar collega’s van team Toezicht en Handhaving. Waarop vervolgens de gemachtigde van eiser op heeft geantwoord: ‘
TOEVOEGEN [zaak] gaarne dit bericht ook opnemen als grondslag van bezwaar.’
2.5.
Op 30 december 2024 en 14 januari 2025 hebben toezichthouders van de gemeente wederom controles uitgevoerd bij de woning. Tijdens deze controles hebben de betreffende toezichthouders geconstateerd dat de steiger (nog steeds) niet was verwijderd en geen (bouw)werkzaamheden zijn en worden verricht. Op 11 februari 2025 heeft het college eiser in kennis gesteld dat de toezichthouders tijdens de hiervoor genoemde controles hebben geconstateerd dat de steiger niet is verwijderd en daarom een dwangsom van in totaal € 5000,- is verbeurd.
2.6.
Op 17 februari 2025 heeft het college eiser in kennis gesteld dat het college voornemens is om eiser nogmaals een last onder dwangsom op te leggen vanwege de overtreding van artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Bbl door de plaatsing van de steiger. Op 24 februari 2025 heeft een toezichthouder van het college nogmaals een controle uitgevoerd bij de woning. Tijdens deze controle heeft de toezichthouder geconstateerd dat de steiger is verwijderd.
2.7.
Op 15 mei 2025 heeft het college een beslissing genomen op het bezwaar van eiser. Het college heeft besloten om het primaire besluit in stand te laten en het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren.
2.8.
Op 3 juli 2025 heeft het college besloten om de volgens het college verbeurde dwangsommen met daarbij opgeteld de wettelijke rente in te vorderen. Eiser dient blijkens dit invorderingsbesluit binnen een termijn van 3 weken een bedrag van €5.101,92 te betalen aan het college.
2.9.
Op 21 november 2025 heeft eiser met zijn aanvullende beroepsgronden tegen de beslissing op bezwaar tevens gronden gericht tegen het invorderingsbesluit. [2]

Beroepsgronden

Beslissing op bezwaar over de last onder dwangsom
Heeft het college de positie van de gemachtigde miskend?
3. Eiser betoogt dat de positie van zijn gemachtigde is miskend door het college, nu zijn gemachtigde meerdere malen is genegeerd.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiser niet heeft benoemd waarom en op welke momenten de positie van de gemachtigde is genegeerd en daarmee is miskend. Het is daarmee voor de rechtbank onduidelijk waarop de beroepsgrond van eiser is gericht. Het had op de weg van eiser gelegen om deze beroepsgrond nader te motiveren en uiteen te zetten hoe en op welk(e) moment(en) de positie van de gemachtigde is genegeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser ten onrechte geen gelegenheid gekregen om een zienswijzegesprek met het college te voeren?
4. Eiser betoogt dat zijn verzoek om een zogenoemd ‘zienswijzengesprek’ met het college te voeren is genegeerd door het college en de termijn voor het indienen van een zienswijze slechts 2 dagen bedroeg.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het college op 6 december 2024 een voornemen heeft gestuurd aan eiser waarin het college stelt dat het voornemens is om hem een last onder dwangsom op te gaan leggen. In dit voornemen heeft eiser de gelegenheid gekregen om tot 16 december 2024 een zienswijze in te dienen over dit voornemen. Op 16 december 2024 heeft de gemachtigde van eiser een zienswijze gegeven over het voornemen en daarbij ook verzocht om tijdens een kort onderhoud op het gemeentehuis afspraken te maken, zodat volgens hem allerlei procedures worden voorkomen. Op 17 december 2024 heeft een medewerker van het college gereageerd op de zienswijze, de op de procedure betrekking hebbende stukken bijgevoegd en de mogelijkheid aan eiser en zijn gemachtigde geboden om op 19 december 2024 op drie mogelijke tijdstippen een gesprek hierover te voeren op het gemeentehuis. Hierop is door eiser niet voor 19 december 2024 gereageerd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat zijn verzoek om een zienswijzegesprek te voeren is genegeerd. De stelling dat eiser slechts 2 dagen heeft gekregen om een zienswijze in te dienen over het voornemen mist feitelijke grondslag. Zo staat uitdrukkelijk in het voornemen opgenomen dat eiser tot 19 december 2024 de mogelijkheid had om een zienswijze in te dienen. Daarmee bedraagt de termijn 13 dagen in plaats van de door eiser genoemde 2 dagen. De beroepsgrond slaagt niet.
Was de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie vooringenomen?
5. Eiser betoogt dat de voorzitter van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Lochem (bezwaarschriftencommissie) vooringenomen was. Eiser onderbouwt deze stelling met het argument dat de voorzitter regelmatig vanuit haar functie als ambtenaar bij de gemeente Deventer procespartij is in procedures tegen de gemachtigde van eiser.
5.1.
De rechtbank overweegt dat los van de omstandigheid dat de bezwaarschriftencommissie alleen een adviserende rol heeft, eiser met de enkele stelling dat de voorzitter regelmatig procedures tegen hem voert vanuit een andere rol, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voorzitter vooringenomen was. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een overtreding?
6. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten dat sprake was van een overtreding.
6.1.
Artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Bbl luidt: onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand, terreininrichting of andere hulpconstructie die functioneel is voor bouw-, onderhouds- of sloopwerkzaamheden, tijdelijke werkzaamheden in de grond-, weg- of waterbouw of werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.322, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij plaatsing op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die werkzaamheden worden verricht.
6.2.
De rechtbank overweegt dat toezichthouders tijdens verschillende controles hebben geconstateerd dat een steiger aanwezig was rondom de woning. Van deze controles zijn verschillende rapportages opgemaakt waarbij ook foto’s van de steiger zijn gevoegd. Op deze foto’s is zichtbaar dat de steiger aanwezig is en dat er op die momenten geen (bouw) werkzaamheden worden verricht.
6.3.
Nog daargelaten dat eiser niet heeft onderbouwd waarom volgens hem geen sprake is van een overtreding, heeft het college in dit geval vastgesteld dat de steiger is geplaatst zonder omgevingsvergunning en dat dit niet vergunningvrij kon omdat uit de controles is gebleken dat de steiger functioneel was voor bouw- onderhouds- of sloopwerkzaamheden of andere tijdelijke werkzaamheden (in de zin van 2.29 aanhef en onder q van het Bbl). Het betoog slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
7. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat het bestuursorgaan een beginselplicht tot handhaving heeft. Dit houdt in dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om bij een overtreding van een wettelijk voorschrift op te treden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [3]
Heeft het college gebrekkig de belangen afgewogen?
8. Eiser betoogt dat het college ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht. Eiser stelt daartoe dat het college de positie (het belang) van eiser heeft genegeerd. Verder heeft het college volgens eiser ten onrechte de omstandigheid dat sprake was van een tijdelijke situatie niet betrokken in de afweging. Ook volgt eiser de stelling van het college dat sprake was van overlast door de steiger niet. Eiser stelt dat niet in die sfeer is geklaagd, geen onderzoek hiertoe is gedaan en de steiger is verwijderd nadat eiser hiertoe financieel in staat was. Tot slot stelt eiser dat hij wel verkeersmaatregelen heeft getroffen, omdat deze wel lagen binnen de aanwezige daadkracht van eiser.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat het college in het primaire besluit en de beslissing op bezwaar meerdere belangen heeft geïnventariseerd. Het college heeft onder meer benoemd dat de steiger een afname van de verkeersveiligheid tot gevolg heeft en de steiger het uitzicht blokkeert van de naastgelegen woning. Ook de stelling van eiser dat de steiger er tijdelijk zou staan heeft het college uitdrukkelijk betrokken in de belangenafweging. Zo stelt het college dat de steiger er al ruim 4 maanden stond en desgevraagd door eiser niet is aangegeven wanneer de werkzaamheden klaar zijn. Verder is in het advies van de bezwaarschriftencommissie (dat integraal onderdeel uitmaakt van de beslissing op bezwaar) opgenomen dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd. Het had vervolgens op de weg gelegen van eiser om tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase zijn persoonlijke (financiële) situatie naar voren te brengen en daarbij te vermelden dat hij niet financieel in staat was om de steiger af te breken. De stelling van eiser dat de plaatsing van de steiger geen overlast tot gevolg heeft volgt de rechtbank niet. Zo zijn er op verschillende momenten klachten ingediend bij de gemeente over de overlast die de steiger tot gevolg heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte de begunstigingstermijn niet verlengd?
9. Eiser betoogt dat het college ten onrechte de begunstigingstermijn niet heeft verlengd. Eiser stelt dat een begunstigingstermijn opleggen die eindigt in de kerstperiode onrechtmatig is.
9.1.
Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn dient ertoe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat bestuursdwang wordt toegepast. Alleen in spoedeisende gevallen geldt het voorgaande niet. [4]
9.2.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om de begunstigingstermijn te verlengen. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat eiser niet met objectieve stukken aannemelijk heeft gemaakt dat de voorliggende begunstigingstermijn van 10 dagen te kort was om de overtreding ongedaan te maken. Met de enkele stelling dat de begunstigingstermijn in de kerstperiode was gesteld heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de steiger niet binnen 10 dagen kon afbreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Invorderingsbesluit
Invordering onevenredig?
10. Eiser betoogt dat het betalen van de dwangsommen leidt tot het verzoek om toepassen van de schuldsanering en dat dit het einde betekent van zijn bestaan als zzp’er.
10.1.
De rechtbank overweegt dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor informatie verstrekken waaruit blijkt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. [5]
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Dat de invordering van de dwangsom om financiële redenen onevenredig is, zoals eiser stelt, is evenmin gebleken. Op de overtreder rust namelijk de last om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in zijn geval voordoet. Uit de enkele stelling dat hij als gevolg van de invordering van de dwangsommen een verzoek moet doen voor het toepassen van schuldsanering, zonder nadere toelichting of onderbouwing met concrete stukken, kan niet worden afgeleid dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de verbeurde dwangsom te betalen. [6]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op het bezwaar en het invorderingsbesluit in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit betreft de artikelen 2.10a en 2.15 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Lochem (APV).
2.Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet het beroep tegen de beslissing op bezwaar hierdoor van rechtswege ook op het invorderingsbesluit.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2808.
5.Uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3627, r.o. 4.
6.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480.