Eiser plaatste een steiger bij zijn woning zonder de vereiste omgevingsvergunning, ondanks meerdere waarschuwingen en controles door de gemeente Lochem. Het college legde een last onder dwangsom op en vorderde de verbeurde dwangsom in nadat de steiger niet tijdig werd verwijderd. Eiser voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder schending van de positie van zijn gemachtigde, onvoldoende gelegenheid tot zienswijze, vermeende vooringenomenheid van de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie, en een gebrek aan belangenafweging door het college.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld. De positie van de gemachtigde is niet miskend, de termijn voor het indienen van een zienswijze was voldoende en een gesprek werd aangeboden, en de voorzitter van de commissie was niet vooringenomen. De overtreding van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is vastgesteld op basis van controles en foto’s waaruit blijkt dat de steiger zonder vergunning en zonder werkzaamheden aanwezig was.
De rechtbank bevestigt de beginselplicht tot handhaving en stelt dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, waarbij ook de tijdelijke aard van de situatie en de verkeersveiligheid zijn betrokken. De begunstigingstermijn was passend en hoefde niet te worden verlengd. De invordering van de dwangsom is niet onevenredig, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan betalen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.