ECLI:NL:RBGEL:2026:982

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
05/339596-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WvklArt. 1 WvklArt. 326 SrArt. 6 EVRMArt. 9a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor oplichting door misleidende opslag stamcellen zonder vereiste erkenning

Verdachte bood via zijn stichting en bedrijf een opslagdienst aan voor lichaamsmateriaal van pasgeborenen en jonge kinderen, waaronder melktanden, navelstrengbloed en navelstrengweefsel, zonder de vereiste erkenning van de Minister van Volksgezondheid. Hij wekte op websites en in communicatie de onjuiste indruk dat stamcellen uit dit materiaal later gebruikt konden worden voor medische behandelingen van ernstige ziekten, terwijl dit niet het geval was.

De rechtbank stelde vast dat verdachte zich schuldig maakte aan oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid en het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels, waardoor slachtoffers werden bewogen tot afgifte van lichaamsmateriaal en betaling van opslagkosten. De opslag vond plaats zonder de benodigde erkenning, waardoor het materiaal niet voor klinische doeleinden kon worden gebruikt en uiteindelijk werd vernietigd.

De rechtbank wees de vorderingen tot immateriële schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs van geestelijk letsel, maar kende materiële schadevergoedingen toe aan 20 benadeelden. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. Daarnaast werd beslag op lege stikstofvaten verbeurd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees verzoeken tot het horen van getuigen af.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 240 uur taakstraf wegens oplichting met toewijzing van materiële schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/339596-24
Datum uitspraak : 10 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] (Marokko),
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. R.A. Bos, advocaat in Hoofddorp.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum] 2013 tot en met 3 augustus 2023 in de gemeente Apeldoorn en/of Amsterdam en/of Zaandam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
iemand heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten
a. [benadeelde] tot de afgifte van navelstrengbloed van haar dochter en/of 290 Euro en/of
b. [benadeelde] tot de afgifte van twee melktanden van haar zoon en/of 395 Euro en/of
c. [benadeelde] tot de afgifte van (een gedeelte van) de navelstreng van haar zoon en/of 850 Euro en/of
d. [benadeelde] tot de afgifte van navelstrengbloed en/of navelstrengweefstel van zijn zoon en/of
e. [benadeelde] tot de afgifte van navelstrengweefstel van haar dochter en/of (in totaal d en e) 2070 Euro en/of
f. (ongeveer) 48 overige personen tot de afgifte van lichaamsmateriaal en/of geld,
zijnde klanten van [bedrijf] dan wel [bedrijf] door
  • zich in strijd met de waarheid voor te doen als een legitieme, gecertificeerde, erkende, deskundige en naar medische maatstaven voor opslag en diagnostiek van lichaamsmateriaal toegeruste instelling en/of
  • via de websites ( [website] , [website] ) een dienst aan te bieden die erin bestond dat tegen betaling lichaamsmateriaal (navelstrengbloed, navelstrengweefsel en/of melktanden) van kinderen ingestuurd kon worden teneinde, anders dan voor analytische doeleinden ter validatie van instrumenten, deze te analyseren en/of te verwerken en/of op te slaan met het oog op het toekomstig gebruik ervan (als stamcel) bij de potentiele behandeling van ziekten zoals kanker, bloedziekten, immuunziekten en/of genetische ziekten van die kinderen en/of familieleden met gebruikmaking van stamcellen uit het opgeslagen lichaamsmateriaal, terwijl in werkelijkheid deze doeleinden niet/onvoldoende/onzorgvuldig werden uitgevoerd/gerealiseerd en/of
  • het CCMO en TRIP logo op de websites te gebruiken zonder bij deze organisaties aangesloten te zijn en/of
  • in strijd met de waarheid kenbaar te maken dat verdachte werkte conform het NETCORD/FACT protocol en/of
  • op de websites ( [website] , [website] ) in strijd met de waarheid onder meer te schrijven:
o ‘ [bedrijf] is een leider in de vooruitgang van stamcel opslag uit navelstrengbloed en navelstrengweefsel. [bedrijf] verzamelt, verwerkt en slaat stamcellen op.’ en/of
o ‘ [bedrijf] biedt haar cliënten meer dan alleen opslag van lichaamscellen! [bedrijf] staat gedurende het hele traject aan je zijde. Ons doel is om de cliënten niet alleen opslag van lichaamscellen aan te beiden, maar ook een breed scala van geavanceerde toepassingen.’ en/of
- in de algemene voorwaarden in strijd met de waarheid op te nemen:
o Deze overeenkomst betreft het afnemen, bewerken, testen, isoleren en opslaan van stamcellen van de pasgeborene tussen [bedrijf] en de ouder of ouders van de baby.’ en/of
o Deze overeenkomst betreft het bewerken, isoleren en opslaan van stamcellen dor [bedrijf] voor de opdrachtgever.’ en/of
- aan die personen in strijd met de waarheid te mailen:
o dat er stamcellen waren opgeslagen en dat in de tweede kies genoeg stamcellen zaten om opgeslagen te worden ( [benadeelde] ) en/of
o dat er niet genoeg bloed beschikbaar was om stamcellen te winnen ( [benadeelde] ) en/of
o dat stamcellen waren opgeslagen in Amsterdam. De exacte locatie kunnen wij helaas niet vrijgeven. Wel kunnen wij als u dat wenst de stamcellen vrijgeven. Dat betekent dat wij de stamcellen kunnen transporteren naar en door u gekozen locatie ( [benadeelde] ).
2
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit, kort gezegd, dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van een oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels. Verdachte heeft enkel lichaamsmateriaal opgeslagen voor analytische doeleinden en niet voor klinische doeleinden. Hij heeft daarover duidelijk gecommuniceerd met zijn klanten en het was duidelijk te lezen op de website. De handelingen die zijn genoemd onder de gedachtestreepjes zijn ook onjuist en verdachte heeft niet in strijd met de waarheid gehandeld. Verder heeft de verdediging bepleit dat geen sprake is van medeplegen, omdat verdachte alleen handelde en de personen die hem hielpen ondergeschikt waren aan hem.
2.3
Beoordeling door de rechtbank
2.3.1
Vaststaande feiten
Op [geboortedatum] 2013 heeft verdachte de [bedrijf] ingeschreven in het handelsregister. Bestuurders van deze stichting waren verdachte, de vrouw van verdachte, [naam] , en de broer van verdachte, [naam] . Als activiteiten van de stichting zijn genoemd: samenwerkingsorganen op het gebied van gezondheidszorg en overige gezondheidszorgondersteunende diensten en een orgaanbank met een educatieve missie en opslag van weefsel. Het bezoekadres is [adres] en het vestigingsadres is [adres] . [2]
Verdachte heeft via de [bedrijf] en (naar de rechtbank begrijpt: de eenmanszaak) [bedrijf] lichaamsweefsel (navelstrengbloed, navelstrengweefsel en melktanden) van kinderen van zijn klanten opgeslagen. [3] Dit materiaal is opgeslagen in twee stikstofvaten. [4]
2.3.2
Inleidende overwegingen
Ter beoordeling van de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van de in de tenlastelegging genoemde personen, te weten [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] en [benadeelde] en
48 andere personen door hen door middel van een of meer oplichtingsmiddelen te bewegen tot het afstaan lichaamsmateriaal, waaronder melktanden, navelstrengbloed en navelstrengweefsel, en tot afgifte van geldbedragen (kosten voor opslag).
De kern van het verwijt is dat de verdachte aan (toekomstige) ouders een medisch-professionele opslagdienst van stamcellen heeft gepresenteerd, waarbij die stamcellen op een later moment klinisch toepasbaar zouden zijn in de donoren van het materiaal of familieleden van hen, terwijl hij niet beschikte over een daarvoor benodigde erkenning.
2.3.3
Juridisch kader
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal (Wvkl) is het verboden om zonder erkenning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport lichaamsmateriaal in ontvangst te nemen na het verkrijgen, of het te bewerken, te preserveren, te bewaren of distribueren. Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b en j, van de Wvkl volgt dat in die wet en de daarop berustende bepalingen onder lichaamsmateriaal onder meer wordt verstaan: weefsel en cellen bestemd voor toepassing op de mens. Onder toepassing op de mens wordt verstaan: het gebruik van lichaamsmateriaal op of in een menselijke ontvanger, alsook toepassingen buiten het lichaam.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport neemt een besluit over de erkenning op basis van de Wvkl. Farmatec – een uitvoeringsinstantie van het Ministerie – geeft de vergunning (de rechtbank begrijpt: de erkenning) uit en registreert deze. De Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) levert in de erkenningsprocedure een advies aan Farmatec (p. A1).
Voor een veroordeling wegens oplichting is onder meer vereist dat een of meer van de in artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen gebezigd worden, te weten: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels.
Bij het aannemen van een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte, wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.
Voor een veroordeling wegens oplichting is bovendien vereist dat de ander mede onder invloed van de door het gebruikte oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot de afgifte van bijvoorbeeld enig goed of tot het aangaan van een schuld en dat de verdachte het oogmerk heeft gehad zichzelf of een ander daarmee wederrechtelijk te bevoordelen.
2.3.4
Erkenningsaanvragen en contact met de IGJ
Op 3 december 2013 heeft verdachte namens zijn stichting een aanvraag ingediend voor een erkenning als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wvkl. [5]
Getuige [getuige 1] , senior inspecteur van de IGJ, heeft verklaard dat hij op 24 juni 2014 een inspectie heeft uitgevoerd bij de [bedrijf] (hierna: de stichting) met betrekking tot de erkenningsaanvraag van verdachte. De stichting was toen nog gevestigd bij verdachte thuis in [plaats] . [6]
In de brief van [getuige 1] van 2 juli 2014 aan de stichting, ter attentie van verdachte, staat dat de stichting niet voldoet aan de wet- en regelgeving die van toepassing is op de aanvraag tot erkenning. In de brief staat verder onder meer het volgende:

Ik begrijp dat u graag eerst een erkenning wilt hebben voordat u kunt beginnen met de werkelijke activiteiten, namelijk het verzamelen van navelstrengbloed, dit bewerken, opslaan en waar mogelijk beschikbaar stellen voor de behandeling van patiënten. Ik heb u aangegeven dat validatiestudies wel al uitgevoerd kunnen worden mits u dit lichaamsmateriaal niet toepast op de mens. Dus, laboratoriumtesten, bewerking, invriezen, opslag en ontdooien zijn handelingen
die dan als validatiestudies wel uitgevoerd zouden kunnen worden.” [7]
Verdachte laat op 29 juli 2014 per e-mail aan [getuige 1] weten dat hij de erkenningsaanvraag intrekt. [8]
[getuige 1] heeft verdachte op 17 oktober 2014 aan verdachte gemaild dat verdachte op zijn website [website] oproept tot het doneren en opslaan van stamcellen bij zijn organisatie en dat er een afnamekit kan worden besteld, terwijl verdachte geen erkenning heeft voor het ontvangen en opslaan van navelstrengbloed. [getuige 1] heeft verdachte verzocht alle informatie te verwijderen voor alle activiteiten waarvoor een erkenning noodzakelijk is. [9] Verdachte heeft op 27 oktober 2014 als volgt op deze e-mail gereageerd:

U had inderdaad aangegeven dat wij de aanvraag moesten annuleren bij farmatec, dat had ik toen ook netjes gedaan.
Verder heb ik onze it’er gevraagd de website aan te passen. Bij donatie zal duidelijk worden vermeld dat de stamcellen op dit moment gebruikt gaan worden voor validatie studies.
En bij privé opslag kan nu alleen een informatie pakket worden aangevraagd (mocht er iemand echt navelstrengbloed willen opslaan dan zal ik contact opnemen met stemcelbank nederland en het via hun laten uitvoeren). Ik hoop dat u begrijpt dat het voor ons erg belangrijk is een beeld te krijgen van de markt om onze beleidskeuzes te kunnen onderbouwen.
Zoals het er nu naar uit ziet zullen wij begin februari een nieuwe aanvraag indienen bij Farmatec.” [10]
Op 22 oktober 2015 heeft een tweede inspectie door [getuige 1] plaatsgevonden in het kader van een nieuwe erkenningsaanvraag door de stichting. Op 25 november 2015 heeft [getuige 1] naar aanleiding van deze tweede inspectie een brief gestuurd naar verdachte. In de brief wordt opnieuw geconcludeerd dat verdachte niet voldoet aan de eisen die gesteld zijn bij of krachtens de Wvkl. Op basis van de bevindingen schrijft [getuige 1] dat hij Farmatec negatief zal adviseren over de erkenningsaanvraag. [getuige 1] verzoekt verdachte daarnaast om de website [website] te deactiveren, dan wel zodanig aan te passen, dat het onomstotelijk duidelijk is dat er bij de [bedrijf] geen mogelijkheid bestaat om lichaamsmateriaal te ontvangen, op te slaan, te bewerken en te distribueren. [11]
Bij de brief van 25 november 2015 zijn twee printscreens gevoegd van de website van de stichting. Op een printscreen genomen op 11 november 2015 staat vermeld:
“ [bedrijf] doet zijn uiterste best om de prijzen zo laag mogelijk te houden, zodat het voor iedereen mogelijk wordt om stamcellen privé op te slaan. Hierdoor behoudt u het recht om de stamcellen van uw baby te gebruiken zoals u dat wenst.”
En op een printscreen genomen op 24 november 2015 staat vermeld:
“Onderzoekers voorspellen dat in de nabije toekomst 1 op de 3 mensen gebruik zal gaan maken van stamceltherapie.
Als stamcellen op de correcte manier worden opgeslagen dan blijven stamcellen levenslang houdbaar. De stamcellen behouden al hun eigenschappen en functioneren alsof ze net uit de baarmoeder komen. Dankzij deze technologieën kunnen doctoren nu al echt levens reden. (…)
Wat zijn uw opties?
- U kunt de stamcellen uit navelstreng en navelstrengbloed opslaan via een particulier bedrijf, de stamcellen worden gereserveerd onder u familienaam (zoals [bedrijf] )
- U kunt de stamcellen opslaan onder één familienaam dit kan alleen voor een familielid met een levensbedreigende ziekte (bij [bedrijf] is dat gratis).” [12]
Verdachte is gestart met [bedrijf] nadat door [getuige 1] aan hem was medegedeeld dat geen erkenning mogelijk was. Verdachte had kosten gemaakt en keek naar alternatieven. Hij hoopte dat er in het buitenland andere opties waren. [13] Verdachte had voor [bedrijf] in 2015 een tweede website opgezet met als adres [website] . [14]
Verdachte heeft op 26 mei 2016 een e-mail aan [getuige 1] gestuurd met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

Tijdens het inspectiebezoek op 22 oktober 2015 heeft u aangegeven dat het nogmaals aanvragen van een erkenning via Farmatec (artikel 9 Wvkl Pro) voor Stg. [bedrijf] geen zin heeft. (…).
Dit alles tezamen heeft ons doen besluiten ons beleid aan te passen en stamcellen uit de navelstreng op te slaan alleen voor analytische doeleinden. Gezien de ontwikkelingen op dit gebied lijkt het ons de juiste weg.
(…)
Aangezien wij niet in het vaarwater willen komen van artikel 9 van Pro de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal, hebben wij op onze website zo duidelijk mogelijk proberen aan te geven dat wij alleen stamcellen opslaan voor analytische doeleinden (zie bijlage). Mocht u hier bezwaar tegen hebben dan horen wij dat graag,
Bij geen gehoor gaan wij ervan uit dat u geen bezwaar heeft. [15]
[getuige 1] heeft op 27 mei 2017 met een collega de website [website] en [website] bekeken. Op beide websites stond dat stamcellen konden worden opgeslagen voor een bedrag.
Op de website [website] stond dat de moeders getest moesten worden op ziekteverwekkers. Verder werden er op deze website enkele voorbeelden genoemd van klinische behandeling van ziektes met stamcellen, zoals stamceltransplantatie ten behoeve van hydrocefalie (waterhoofd). [16] Op de screenshots van de website [website] is het volgende te lezen:
- [bedrijf] is een leider in de vooruitgang van stamcel opslag uit navelstrengbloed en navelstrengweefsel. [bedrijf] verzamelt, verwerkt en slaat stamcellen op.” [17]
- Onder het kopje ‘Stamcellen uit navelstrengbloed tegen hydrocefalie’ staat vermeld”: “Bij hydrocefalie kan het hersenvocht (liquor) niet worden afgevoerd, of niet door de bloedbaan worden opgenomen. Hierdoor worden de hersenkamers vergroot en wordt het zogeheten ‘waterhoofd’ gevormd. Er is deze week een onderzoek uitgevoerd op een baby waarbij gebruik is gemaakt van opgeslagen navelstrengbloed. Net na de geboorte is het navelstrengbloed opgeslagen en later gebruikt.” [18]
Op de screenshots van de website [website] staat vermeld:
  • “(…) omdat stamcellen uit de navelstreng steeds vaker gebruiker worden bij kwaadaardige ziektes, beschadigd weefsel, doeltreffendheid van een medicijnen”;
  • “Bent u nog niet overtuigd! Ga zelf op onderzoek uit. Google zelf welke ziektes te genezen zijn dankzij hematopoëtische stamcellen en mesenchymale stamcellen uit de navelstreng.”
  • “Je kunt bij ons stamcellen opslaan voor privégebruik of je kunt iemand anders helpen door stamcellen te
  • dat stamcellen kunnen worden opgeslagen voor € 790;
  • dat stamcellen altijd eerst worden getest, waarna ze voor 25 jaar worden opgeslagen;
- het logo van het CCMO, het College Bescherming Persoonsgegevens en het logo van TRIP, telkens met daaronder een vakje met daarin een vinkje; [20]
- een overzicht van diverse ziekten met daarachter de mogelijke behandeling met stamcellen; [21]
- “ “ [bedrijf] biedt haar cliënten meer dan alleen opslag van lichaamscellen! [bedrijf] staat gedurende het hele traject aan je zijde. Ons doel is om de cliënten niet alleen opslag van lichaamscellen aan te bieden, maar ook een breed scala van geavanceerde toepassingen” [22] .
2.3.5
Aangiftes en getuigenverklaring van [getuige 2]
2.3.5.1 Aangifte [benadeelde]
heeft aangifte gedaan van oplichting. Tijdens de zwangerschap van zijn partner ( [naam] ) in 2014 is bij [benadeelde] en zijn partner het idee ontstaan om bij de geboorte stamcellen van de kinderen veilig te stellen uit de navelstreng. Zij wilden dit graag met het oog op de toekomst, zodat er bij ernstige ziekte gebruik van de stamcellen kon worden gemaakt. In 2014 hebben zij gezocht naar een opslagmogelijkheid en kwamen terecht bij [website] . Zij vonden dat de website er professioneel uitzag. [23]
[benadeelde] heeft op 24 november 2014 een e-mail gestuurd aan de [bedrijf] . Zij heeft daarin onder meer gevraagd wat er financieel en met het navelstrengbloed en -weefsel gebeurt wanneer de stichting failliet zou gaan. Verdachte heeft per e-mail als volgt gereageerd:

Wij zijn volgens het Ministerie van Volksgezondheid verplicht bij faillissement een ander bedrijf of stichting in te schakelen om het biologisch materiaal over te nemen. Dus u materiaal blijft ook bij faillissement voor 25 jaar gegarandeerd opgeslagen onder uw naam.(…)Ik verzend u hierbij ook nog een brochure met algemene informatie.” [24]
In de bij de aangifte gevoegde brochure staat onder meer het volgende:

Wanneer u uw baby’s navelstrengbloed en navelstrengweefsel opslaat bij [bedrijf] dan bewaart u zijn/haar unieke biologische materiaal, de opgeslagen stamcellen kunnen worden gebruikt als een ‘self-repair kit’ voor uw kind en eventueel ook voor andere familieleden.
(…)Op dit moment worden stamcellen uit navelstrengbloed ingezet als een potentiële behandeling voor tientallen soorten kanker, bloedziekten, immuunziekten en genetische ziekten. Het opslaan van stamcellen bij ouders met erfelijke ziektes in de familie wordt geadviseerd.(…)Door privé op te slaan behoudt u het recht om de stamcellen van uw baby te gebruiken zoals u wenst. [25]
De zoon van [benadeelde] is op [geboortedatum] 2014 geboren. Op 7 januari 2015 kreeg zijn vrouw een e-mail van verdachte dat het bloed prima was en dat het bloed was opgeslagen. Zij hebben een betaalbevestiging gekregen op 19 januari 2015 voor de betaling van het bedrag in
10 termijnen. Op 19 januari 2015 is de eerste termijnbetaling van € 230,00 voldaan.
Op [geboortedatum] 2016 is de dochter van [benadeelde] geboren. Bij haar geboorte is er ook bloed afgenomen voor de opslag van stamcellen. Op 9 november 2016 kreeg [benadeelde] een e-mail van de [bedrijf] met een factuur en een bewijs van opslag. In totaal hebben [benadeelde] en zijn partner € 2.070,00 voldaan aan de [bedrijf] . [26]
[benadeelde] heeft op 7 september 2016 een e-mail met de volgende inhoud gestuurd aan de [bedrijf] :

Gisteren hebben wij (…) een gesprek gehad bij onze verloskundige, waardoor wij nu toch twijfelen of we wel écht opslag van navelstrengbloed en -weefsel willen voor ons kindje dat wij 22 oktober verwachten. Wij willen graag weten of het materiaal voor genoeg doeleinden voor het kindje zelf gebruikt kan worden en ook of het van aantoonbare meerwaarde kan zijn voor familieleden. We willen hier meer over opzoeken, of mogelijk kunt u ons hier meer over vertellen.”
Op 7 september 2016 reageert verdachte per e-mail

Op uw vraag, hoe groot de kans is dat de stamcellen gebruikt gaan worden, kan ik u een moeilijk verhaal voorschotelen onderbouwd met wetenschappelijk onderzoek.Maar eigenlijk moet u voor uw zelf de volgende vraag beantwoorden:Verwacht u dat er steeds meer stamceltherapie uitgevoerd gaat worden aankomende 25 jaar of niet.Wij zien en denken van wel. Een test die u kan uitvoeren, is in google de woorden in typenStem cells + een willekeurige ziekteen u zult verbaasd zijn naar de mogelijkheden. [27]
Op 15 januari 2015 is een bewijs van opslag afgegeven aan [benadeelde] met kenmerknummer 5003. Op het opslagformulier is te lezen:
“Stamcellen zijn opgeslagen volgens het internationale NETCORD protocol.
- 100 ml navelstrengbloed afgenomen en opgeslagen.
Aantal cellen geteld waaronder hematopoietische stamcellen:
±2.1 x 10 ^6/ml
- 10 cm navelstrengweefsel afgenomen en opgeslagen.
Aantal cellen geteld waaronder mesenchymale stamcellen:
±7.2 x 10 ^6/g
- Geen ziekteverwekkers aangetroffen
Cellen zijn goedgekeurd voor 25 jaar opslag.”
Onderaan het opslagformulier stonden de bedrijfsgegevens opgenomen van de [bedrijf] en de logo’s van Netcord en Fact. [28]
2.3.5.2 Aangifte [benadeelde]
heeft aangifte gedaan van oplichting. Zij wilde stamcellen bewaren zodat ze zouden kunnen worden gebruikt wanneer haar kind onverhoopt ziek zou worden. Zij kwam na internetonderzoek uit bij twee bedrijven die aanboden de navelstreng tegen betaling te bewaren. Zij is toen gaan kijken naar de websites. Na wikken en wegen, vond zij de website van de [bedrijf] de meest professionele. Het kwam op haar allemaal heel erg legitiem over. Zij had telefonisch contact met iemand van de [bedrijf] en kwam via de mail overeen dat zij € 850,00 zou betalen voor de opslag van stamcellen. Dit bedrag heeft zij overgemaakt. Op [geboortedatum] 2015 werd haar zoon geboren en heeft een koerier de navelstreng in een speciale kist meegenomen. Aangeefster kreeg een e-mail van [bedrijf] waarin stond dat er niet genoeg bloed beschikbaar was om stamcellen te winnen en dat er enkel tien centimeter navelstreng bewaard zou blijven. [29] Op [geboortedatum] 2015 heeft aangeefster een betalingsbevestiging ontvangen van de [bedrijf] . [30]
2.3.5.3 Getuigenverklaring [getuige 2]
is als getuige gehoord door rechercheurs van de IGJ. Zij heeft verklaard dat in 2015 bij haar en haar ex-man het idee is ontstaan om bij de geboorte stamcellen van hun zoon veilig te stellen uit de navelstreng. Zij wilden dit graag met het oog op de toekomst, zodat er bij ernstige ziekte gebruik van de stamcellen kon worden gemaakt. Zij hebben dit uit voorzorg gedaan omdat de moeder van mevrouw [getuige 2] aan kanker is overleden op 50-jarige leeftijd, na een ziekbed van 9 jaar. Daarnaast is de vader van haar ex-partner ook rond die leeftijd overleden aan darmkanker. Hij was +/- 6 weken ziek. Zij hebben de stamcellen voor stamceltherapie bij kanker op laten slaan. Toen zij zochten naar een opslagmogelijkheid kwamen zij terecht bij [website] . De site vonden zij er professioneel uit zien. Ook de online communicatie leek professioneel. Op de website werden voorbeelden gegeven van klinische toedieningen van de stamcellen. Op de site was te lezen dat de [bedrijf] menselijke cellen en/of weefsel opslaat met als doel de menselijke cellen te gebruiken voor transplantatie en behandelingen voor kanker. Dit heeft [getuige 2] en haar toenmalige partner over de streep gehaald om stamcellen veilig te stellen. Toen de zoon van [getuige 2] op [geboortedatum] 2015 is geboren is het materiaal opgehaald en onderzocht. Per e-mail kreeg zij te horen dat dit ok was, waarna het werd opgeslagen voor 25 jaar. Op 15 juni 2015 ontving zij een factuur van € 480,00 met factuurnummer 5028. [31] De betaling is op dezelfde dag binnengekomen op de bankrekening van de stichting. [32]
Het bewijs van opslag dat is afgegeven aan [getuige 2] bevat kenmerknummer 5028. Op het opslagformulier is te lezen:
“Stamcellen zijn opgeslagen volgens het internationale NETCORD protocol.
Er is 25 ml navelstrengbloed afgenomen en opgeslagen.
Aantal cellen geteld waaronder hematopoietische stamcellen:
±3.1 x 106/ml
Er is 1 cm navelstrengweefsel afgenomen en opgeslagen.
Aantal cellen geteld waaronder mesenchymale stamcellen:
±11.7 x 106/g
Geen ziekteverwekkers aangetroffen.
Cellen zijn goedgekeurd voor 25 jaar opslag.”
Onderaan het opslagformulier stonden de bedrijfsgegevens opgenomen van de [bedrijf] en de logo’s van Netcord en Fact. [33]
De algemene voorwaarden die [getuige 2] van de stichting heeft ontvangen bevatten de volgende teksten:
“(…) Deze overeenkomst betreft het afnemen, bewerken, testen, isoleren en opslaan van stamcellen van de pasgeborene tussen [bedrijf] en de ouder of ouders van de baby. (…)
1. [bedrijf] ZAL VOOR DE CLIENT:
(…)
1C. Ontvangen, verwerken, transport en onderhoud van opgeslagen stamcellen en navelstrengweefsel in overeenstemming met de internationale regelgeving.
Als de stamcellen geschikt zijn bevonden voor opslag, bepaald door, steriliteitstest, kwaliteitstest en kwantiteitstest:
(…)
III [bedrijf] zal het verzamelde navelstrengbloed en/of navelstrengweefsel testen op aanwezigheid van micro-organismen, kwaliteit en kwantiteit. Als het navelstrengbloed en/navelstrengweefsel ongeschikt wordt bevonden voor opslag en transplantatie door de aanwezigheid van micro-organismen, lage kwaliteit of lage kwantiteit zal de cliënt worden gecontacteerd.
IV Als het bloed ziekteverwekkers bevat kunnen de stamcellen ongeschikt worden bevonden voor opslag en transplantatie. Er zal dan contact met de cliënt opgenomen worden.
(…)
3. DUUR EN EINDEOVEREENKOMST
(…) De overeenkomst kan te allen tijde na 25 jaar schriftelijke kennisgeving beëindigd worden. De cliënt zal dan een keuze moeten maken tussen de stamcellen zelf gebruiken, laten vernietigen, als donor in transplantatie laten gebruiken, of ter beschikking stellen aan de wetenschap. (…) [bedrijf] kan de overeenkomst te allen tijde ontbinden als de betaling niet binnen 30 dagen is overgemaakt op de rekening van [bedrijf] . [bedrijf] zal na vervaldatum de overeenkomst beëindigen en de cliënt binnen 45 dagen schriftelijk ter kennis stellen van het beëindigen van de overeenkomst. De cliënt zal dan een keuze moeten maken tussen de stamcellen laten vernietigen, als donor in transplantatie laten gebruiken, of ter beschikking stellen aan de wetenschap. [34]
2.3.5.4 Aangifte [benadeelde]
heeft aangifte gedaan van oplichting. Zij heeft aangegeven dat zij een uitzending van 31 maart 2015 van RTL Late Night keek, waarin werd gesproken over het opslaan van stamcellen. Na de uitzending sprak zij met haar man over het opslaan van stamcellen van hun eerste kindje om daar in de toekomst bij ziekte eventueel gebruik van te kunnen maken. Haar man was kort voor de uitzending ziek geweest en had een beenmergpunctie gehad. Door het opslaan van de stamcellen hoopten zij te voorkomen dat er in de toekomst nog eens een beenmergpunctie bij één van hen zou moeten worden genomen. Zij heeft gezocht naar een geschikt bedrijf dat de stamcellen van hun kindje zou kunnen opslaan en bewaren. Zij kwamen terecht op de website [website] . Op deze website stond duidelijk omschreven dat het bij hen mogelijk was om stamcellen te laten opslaan. Ook stond er een duidelijke uitleg en een prijslijst vermeld. Omdat de website er zeer professioneel uitzag, heeft zij telefonisch contact gehad met het bedrijf en heeft zij een uitleg gehad over de werkwijze van het opslaan van stamcellen. Op [geboortedatum] 2015 is zij bevallen, is navelstrengbloed van haar dochter afgenomen met de afnamekit van de [bedrijf] en is de kit opgehaald door een koeriersdienst. Kort daarna ontving zij een aantal documenten van de [bedrijf] , namelijk de algemene voorwaarden, een bewijs van opslag, informatie over hetgeen is opgeslagen en een factuur van € 290,00. [35]
De algemene voorwaarden die [benadeelde] van de [bedrijf] heeft ontvangen bevat de volgende teksten:
“(…) Deze overeenkomst betreft het afnemen, bewerken, testen, isoleren en opslaan van stamcellen van de pasgeborene tussen [bedrijf] en de ouder of ouders van de baby. (…)
1. [bedrijf] ZAL VOOR DE CLIENT:
(…)
1C. Ontvangen, verwerken, transport en onderhoud van opgeslagen stamcellen in overeenstemming met de internationale regelgeving.
Als de stamcellen geschikt zijn bevonden voor opslag, bepaald door , steriliteitstest, kwaliteitstest en kwantiteitstest:
(…)
III. [bedrijf] zal het verzamelde navelstrengbloed en/of navelstrengweefsel testen op aanwezigheid van micro-organismen, kwaliteit en kwantiteit. Als het navelstrengbloed en/navelstrengweefsel ongeschikt wordt bevonden voor opslag en transplantatie door de aanwezigheid van micro-organismen, lage kwaliteit of lage kwantiteit zal de cliënt worden gecontacteerd.
(…)
2. BETALINGEN
[bedrijf] kan de overeenkomst te allen tijde ontbinden als de betaling niet binnen 12 maanden is overgemaakt op de rekening van [bedrijf] . [bedrijf] zal na vervaldatum de overeenkomst beëindigen en de cliënt binnen 45 dagen schriftelijk ter kennis stellen van het beëindigen van de overeenkomst. De cliënt zal dan een keuze moeten maken tussen de stamcellen laten vernietigen, als donor in transplantatie laten gebruiken, of ter beschikking stellen aan de wetenschap.
3. DUUR EN EINDE OVEREENKOMST
(…) De overeenkomst kan na 25 jaar door middel van schriftelijke kennisgeving beëindigd worden. De cliënt zal dan een keuze moeten maken tussen de stamcellen zelf gebruiken, laten vernietigen, als donor in transplantatie laten gebruiken, of ter beschikking stellen aan de wetenschap.” [36]
Het bewijs van opslag dat is afgegeven aan [benadeelde] bevat kenmerknummer 5027. Op het opslagformulier is te lezen:
“Stamcellen zijn opgeslagen volgens het internationale NETCORD protocol.
Er is 25 ml navelstrengbloed afgenomen en opgeslagen.
Aantal cellen geteld waaronder hematopoietische stamcellen:
±3.6 x 106/ ml
Geen ziekteverwekkers aangetroffen.
Cellen zijn goedgekeurd voor 25 jaar opslag.”
Onderaan het opslagformulier stonden de bedrijfsgegevens opgenomen van de [bedrijf] en de logo’s van Netcord en Fact. [37]
Uit de rekeninggegevens van de [bedrijf] blijkt dat op 18 mei 2015 een bedrag van € 29,00 is betaald onder vermelding van ‘ [naam] 10termijnen’. Op 28 juni 2016 is een bedrag van € 261,00 betaald onder vermelding van ‘Opslaan navelstrengbloed, volledige bedrag’. [38]
2.3.5.5 Aangifte [benadeelde]
heeft aangifte gedaan van oplichting. Zij heeft aangegeven dat bij haar tijdens de zwangerschapsperiode van haar zoontje, twaalf jaar eerder, het idee was ontstaan om bij zijn geboorte stamcellen veilig te stellen uit de navelstreng. Reden daarvoor is dat één van haar beste vrienden is overleden aan leukemie. Voor hem was destijds geen match te vinden met stamcellen van een geschikte donor. Zij wilde voorkomen dat zoiets ooit misschien ook zou kunnen gebeuren bij haar zoontje. Zij is echter vergeten de stamcellen af te laten nemen uit de navelstreng tijdens haar bevalling. In de zomer van 2016 las zij een artikel over het opslaan van stamcellen, die uit het melkgebit van een kind afkomstig zijn. Zij is op internet gaan zoeken naar meer informatie over het opslaan van stamcellen uit het melkgebit en naar een bedrijf dat de afname en opslag voor haar zou kunnen regelen. De naam van die website was stemcelltechnologies. Ze heeft telefonisch contact gehad met het bedrijf. Er werd haar door een man verteld dat het heel goed mogelijk was om stamcellen uit het melkgebit te halen en deze veilig te stellen voor de toekomst. Zij moest hiervoor € 395,00 betalen. De tandarts heeft de melktanden getrokken en vertelde haar dat één van de tanden mogelijk niet meer geschikt was, omdat deze te lang los had gezeten. Nadat de tanden waren veiliggesteld in de afnamekit, werd de afnamekit opgehaald door dezelfde man als die de kit had gebracht. Zij kreeg een document met de voorwaarden, een toestemmingsverklaring voor het opslaan van de stamcellen, een bewijs van opslag van de stamcellen, het gebruikte protocol voor het veiligstellen van de stamcellen en een factuur van € 395,00, die zij heeft betaald en waarvoor zij op 18 augustus (de rechtbank begrijpt: in 2016) een betalingsbevestiging heeft ontvangen. Namens [bedrijf] werd meegedeeld dat uit één van de melktandjes geen stamcellen konden worden gehaald, vanwege het feit dat deze tand te lang los had gezeten. [39]
[benadeelde] heeft aan inspecteur [getuige 1] verklaard dat zij stamcellen had opgeslagen om later eventueel te kunnen gebruiken voor transplantatie en niet voor diagnostische doeleinden. [40]
Op het toestemmingsverklaringsformulier dat [benadeelde] heeft ondertekend, staat vermeld: “Doel: opslag van stamcellen binnen de familie” en “Toepassing: analytisch, onderzoek of andere toepassingen na goedkeuring door het ministerie van volksgezondheid”. [41]
Het bewijs van opslag dat is afgegeven aan [benadeelde] bevat kenmerknummer 9000. Op het opslagformulier is te lezen:
“Stamcellen zijn opgeslagen volgens het internationale NETCORD protocol.
Er zijn twee melktanden afgenomen één is opgeslagen.
Aantal cellen geteld waaronder mesenchymale stamcellen:
±1240 cells/cm2
Geen ziekteverwekkers aangetroffen.
Cellen zijn goedgekeurd voor 25 jaar opslag.”
Onderaan het opslagformulier stonden de bedrijfsgegevens opgenomen van [bedrijf] en de logo’s van Netcord en Fact. [42]
2.3.6
Tussenconclusie van de rechtbank voor wat betreft de aangevers en [getuige 2]
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat het verdachte via de stichting niet was toegestaan lichaamsmateriaal op te slaan ten behoeve van later gebruik op de mens (hierna ook: opslag met ‘klinische doeleinden’). Dat is ook niet in discussie. Verdachte had daarvoor een erkenning nodig in de zin van de Wvkl, die hij twee keer heeft aangevraagd maar niet heeft gekregen. Ook [bedrijf] , dan wel verdachte zelf hebben nooit een erkenning gekregen. Het was verdachte, al dan niet via de stichting of zijn eenmanszaak, enkel toegestaan lichaamsmateriaal op te slaan voor validatie van apparatuur (hierna ook: opslag met ‘analytische doeleinden’).
Vervolgens constateert de rechtbank dat de informatie op de websites van de stichting en [bedrijf] , zoals hiervóór weergegeven, misleidend is, in die zin dat die informatie (overwegend) de indruk wekt dat navelstrengweefsel of -bloed, dan wel melktanden, kunnen worden afgegeven met als doel de daaruit te verkrijgen stamcellen op een later moment, ingeval van ernstige ziekte van een kind of ander familielid, te gebruiken voor behandeling van die ziekte, oftewel voor klinische doeleinden. Die indruk wordt niet weggenomen door een niet mis te verstane vermelding dat het af te geven lichaamsmateriaal enkel gebruikt kan worden voor analytische doeleinden, dat wil zeggen voor validatie van apparatuur of (aldus verdachte) het testen van medicijnen, in ieder geval niet voor toepassing op de mens. Ook de algemene voorwaarden, waarin gesproken wordt over ‘transplantatie’, en de in de genoemde brochure gebezigde tekst zijn in gelijke zin misleidend.
Dat verdachte van meet af aan uitsluitend voor analytische doeleinden stamcellen opsloeg en daarover zo min mogelijk onduidelijkheid heeft laten bestaan, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, strookt niet met het voorgaande. Die uitleg staat ook haaks op zijn eigen eerdere verklaringen aan [getuige 1] tijdens de eerste inspectie en tijdens zijn verhoor. Daaruit volgt immers dat verdachte een aanvraag tot erkenning deed om lichaamsmateriaal te mogen opslaan, en waar mogelijk beschikbaar te stellen voor de behandeling van patiënten. Opvallend in dit verband is de e-mail van 26 mei 2016 van verdachte aan [getuige 1] , waarin staat dat verdachte heeft besloten zijn beleid aan te passen en stamcellen alleen voor analytische doeleinden op te slaan. Dat impliceert dat de stamcellen voor die tijd (ook) voor klinische doeleinden werden opgeslagen, wat overeenkomt met de (misleidende) informatie op de website van de stichting en de overige verstrekte informatie, zoals hiervóór weergegeven.
Voorts overweegt de rechtbank als volgt.
De aangevers en [getuige 2] verklaren eensluidend dat zij tijdens de zwangerschap actief op zoek waren naar een mogelijkheid om stamcellen uit navelstreng(bloed) of melktanden veilig te stellen met het oog op latere medische inzetbaarheid bij ziekte van hun kind en/of een ander familielid. Zij zijn in die zoektocht terechtgekomen op de website van de stichting, dan wel de website van [bedrijf] ( [benadeelde] ), waarop zij vervolgens de voormelde (misleidende) informatie hebben gelezen die overeenkwam met wat zij voor ogen hadden met de afgifte van het lichaamsmateriaal.
[benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] en [getuige 2] zijn terechtgekomen op de website van de stichting, die op hen een professionele en legitieme indruk maakte. Na het raadplegen van de website hebben zij per e-mail of telefonisch contact opgenomen. Ook dat contact wekte vertrouwen. Dit vertrouwen was voor hen bepalend: op basis daarvan hebben zij vervolgens het navelstrengbloed of -weefsel aan verdachte afgegeven en de door verdachte voor de opslag in rekening gebrachte bedragen – al dan niet in termijnen – betaald.
Dat sprake was van misleidende informatie op de website van de stichting op het moment dat [benadeelde] (voorafgaand aan de e-mail van 24 november 2014), [benadeelde] (voorafgaand aan de geboorte van haar zoon op [geboortedatum] 2015), [benadeelde] (voorafgaand aan de geboorte van haar dochter op [geboortedatum] 2015) en [getuige 2] (voorafgaand aan de geboorte van haar zoon op [geboortedatum] 2015) deze website bezochten blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende.
Bij e-mail van 17 oktober 2014 heeft inspecteur [getuige 1] verdachte verzocht om alle informatie te verwijderen van de website [website] die betrekking heeft op activiteiten waarvoor een erkenning noodzakelijk is. Verdachte heeft hierop gereageerd met de mededeling dat hij zijn it’er heeft gevraagd de website aan te passen. Uit de printscreens van de website van 11 en 24 november 2015 en de screenshots die [getuige 1] en zijn collega hebben gemaakt naar aanleiding van hun websitebezoek op 27 mei 2017 blijkt echter dat ook nadat verdachte de website zou hebben aangepast of laten aanpassen op de website de hiervóór weergegeven misleidende informatie nog te lezen was. Nu [getuige 1] al op 17 oktober 2014 constateerde dat er informatie op de website stond waarvoor een erkenning nodig was, deze informatie ook op 27 mei 2017 nog te vinden was op de website en [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij via de website bij de stichting terecht zijn gekomen, kan het niet anders dan dat ook op het moment dat zij de website bezochten de informatie op de website duidde op gebruik van de stamcellen uit de navelstreng en het navelstrengbloed voor klinische doeleinden.
Ook op de website van [bedrijf] was op 27 mei 2017 sprake van misleidende informatie. Dat deze of vergelijkbare informatie ook vermeld stond op de website van [bedrijf] toen aangever [benadeelde] omstreeks medio 2016 deze site bezocht, leidt de rechtbank af uit het feit dat zij via die website, met het doel dat haar voor ogen stond, met [bedrijf] een overeenkomst voor het opslaan van stamcellen is aangegaan.
Reeds gelet op het voorgaande komt naar het oordeel van de rechtbank aan de door de verdediging overgelegde screenshots van de website van de stichting en de website van [bedrijf] geen waarde toe en laat zij deze buiten beschouwing.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verdachte zich op de websites van de stichting en [bedrijf] , en vervolgens in zijn schriftelijke en/of mondelinge communicatie met de aangevers en [getuige 2] , in strijd met de werkelijkheid heeft voorgedaan als een erkende instelling waar stamcellen konden worden opgeslagen met het oog op latere klinische inzetbaarheid bij ziektes (opslag met klinische doeleinden). Zodoende heeft verdachte een valse hoedanigheid aangenomen. Daarnaast kan de misleidende informatie op de websites, samen met de misleidende informatie in aan de aangevers en [getuige 2] verstrekte stukken en de mondelinge gegeven informatie, worden aangemerkt als een samenweefsel van verdichtsels. Verdachte creëerde een onjuist beeld van een legitieme, gecertificeerde, deskundige en naar medische maatstaven voor opslag en diagnostiek van lichaamsmateriaal toegeruste instelling. Dit beeld werd opgebouwd via een professioneel ogende website, met vermelding van de logo’s CCMO en TRIP, en werd bevestigd in telefonisch en/of e-mailcontact. In algemene voorwaarden werd naar internationale regelgeving verwezen, waaraan verdachte zich zou committeren in het kader van het ontvangen, bewerken, transport en onderhoud van de stamcellen. Op opslagformulieren stond dat stamcellen werden geteld en werden getest op ziekteverwekkers en ook waren op de formulieren logo’s van NETCORD en FACT aangebracht. Daarmee sloot verdachte precies aan op de wens van de aangevers en [getuige 2] om stamcellen veilig te stellen voor een toekomstige behandeling.
De rechtbank concludeert dat bewezen kan worden dat verdachte de aangevers en [getuige 2] heeft opgelicht. Hij heeft hen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot afgifte van het lichaamsmateriaal en tot betaling van de voor de opslag in rekening gebrachte bedragen. Uit de aangiftes en de verklaring van [getuige 2] blijkt dat zij bij een juiste voorstelling van zaken niet tot afgifte en betaling zouden zijn overgegaan.
2.3.7
Tussenconclusie van de rechtbank voor wat betreft de “overige personen”
In de tenlastelegging worden “ongeveer 48 overige personen” genoemd die tot de afgifte van lichaamsmateriaal en/of geld zijn overgegaan. In aanmerking nemende dat, naast de vier aangevers, ook [getuige 2] tot afgifte en betaling is overgegaan (zoals hiervóór besproken) betreft het 47 andere personen. De vraag is of bewezen kan worden ook deze personen zijn bewogen tot afgifte en betaling door enig oplichtingsmiddel.
In beginsel kan er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat mensen die voor toekomstig medisch gebruik stamcellen van hun kinderen willen laten opslaan, daarover informatie inwinnen. Het kan als gebruikelijk worden verondersteld dat deze zoektocht via het internet plaatsvindt, waarna telefonisch en via e-mail contact wordt gelegd met aanbieders van dergelijke diensten. Daarvan uitgaande kan het in beginsel niet anders zijn dan dat ook de overige personen die betaald hebben om stamcelweefsel op te slaan bij verdachte daartoe zijn bewogen door de misleidende informatie die verdachte in ieder geval tot 27 mei 2017 gaf op zijn websites, via schriftelijke en mondelinge communicatie en middels de contractdocumentatie die hij zijn klanten verstrekte. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter ten aanzien van de personen die geen aangifte hebben gedaan en die ook geen vordering tot vergoeding van schade hebben ingediend niet worden bewezen dat zij door verdachte zijn opgelicht. Het dossier bevat geen enkele informatie over de gang van zaken die is voorafgegaan aan de afgifte van lichaamsmateriaal en betaling van opslagkosten door deze personen. Daarmee is niet duidelijk of zij door enige oplichtingsmiddel zijn bewogen tot de afgifte en betaling.
Uit hetgeen hierna volgt, blijkt dat, naast de vier aangevers en [getuige 2] , in totaal 17 personen een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend. Tot de gedingstukken behoren ten aanzien van deze benadeelde partijen hun opgaven van de inhoud van hun vordering en van de gronden waarop deze vorderingen berusten. Deze vorderingen zijn vervat in de formulieren als bedoeld in artikel 51g, eerste lid, Sv en de daaraan gehechte bijlagen. [43] Ook ten aanzien van deze personen, die allen voor 27 mei 2017 stamcelweefsel hebben afgestaan en betalingen aan verdachte hebben verricht, kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat zij dit hebben gedaan vanwege de door verdachte aangenomen valse hoedanigheid en het samenweefsel van verdichtsels waarvan hij zich heeft bediend.
2.3.8
Oogmerk
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte via de websites van de stichting en [bedrijf] , in mondelinge en schriftelijke communicatie, in een brochure en in de contractdocumentatie waarvan hij zich bediende, bewust misleidende informatie heeft verstrekt over de door hem aangeboden opslagdienst voor lichaamsmateriaal, in het bijzonder de mogelijkheid dat materiaal later klinisch te gebruiken voor toepassing op de mens. Verdachte heeft geprofiteerd van de geldbedragen die door zijn klanten onder invloed van de valse voorstelling van zaken (de valse hoedanigheid en het samenweefsel van verdichtsels) op de rekening van de stichting en de rekening op naam van [bedrijf] zijn overgemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij veel kosten had gemaakt door investeringen die hij had gedaan. Hij is daarom ook Stem Cell Technologies begonnen toen bleek dat hij geen erkenning kreeg. Hij probeerde te redden wat er te redden viel. [44] De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte de bedragen die hij ontving van klanten, gebruikte om de kosten te dekken die hij had gemaakt, al dan niet via zijn stichting. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte bij de oplichting heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf via de stichting en later ook [bedrijf] ) wederrechtelijk te bevoordelen.
2.3.9
Medeplegen
Verdachte heeft verklaard dat hij alle handelingen namens de stichting en [bedrijf] zelf heeft uitgevoerd en dat hij deed alsof hij mensen in dienst had. Naar oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat verdachte bij de oplichting nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander of anderen en dat een ander of anderen een rol van zodanig gewicht heeft/hebben gehad in de oplichting dat sprake is van medeplegen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.
2.3.10
De pleegperiode
Voor de start van de pleegperiode sluit de rechtbank aan bij de datum 24 november 2014, de datum van de eerste e-mailwisseling tussen verdachte en mevrouw [benadeelde] . Verdachte stuurt op die datum de brochure met misleidende mededelingen. Als einddatum van de pleegperiode wordt aangesloten bij de laatst verrichte betaling in verband met de opslag van lichaamsmateriaal die uit het dossier naar voren komt. Dat betreft de betaling van benadeelde partij [benadeelde] op 11 september 2019. [45] Na deze datum zijn de websites met daarop misleidende informatie weliswaar nog enige tijd blijven voortbestaan, maar is daardoor (of anderszins door handelen van verdachte) niemand meer bewogen tot afgifte van lichaamsmateriaal en betaling van opslagkosten. De rechtbank zal daarom de pleegperiode bekorten tot de periode van
24 november 2014 tot en met 11 september 2019.
2.3.11
Verzoek verdediging getuigenverhoren
2.3.11.1 Het verzoek en het standpunt van de officier van justitie
De verdediging heeft bij pleidooi (nogmaals) verzocht in totaal 20 getuigen te horen. Die getuigen hebben volgens de verdediging door het doen van aangifte, of door het indienen van een schadevordering , een belastende verklaring afgelegd. De getuigen dienen te worden gehoord, zodat duidelijk kan worden wat, hoe en wanneer partijen met elkaar hebben gecommuniceerd. De verdediging heeft gesteld dat het mogen uitoefen van het ondervragingsrecht noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek. Wanneer die mogelijkheid niet wordt geboden, is sprake van een schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
2.3.11.2 De beoordeling door de rechtbank
De getuigenverzoeken zien op [getuige 1] , de vier aangevers, een echtgenote van één van de aangevers, [getuige 2] en 13 andere personen die een schadevordering hebben ingediend. De rechtbank heeft de verklaringen van [getuige 1] , de vier aangevers en [getuige 2] en de ingediende vorderingen gebruikt voor het bewijs. Dat betekent dat de (schriftelijke) verklaringen van de personen in kwestie als belastend kunnen worden aangemerkt. De verdediging heeft niet de gelegenheid gehad deze personen te ondervragen.
De rechtbank stelt voorop dat ingeval sprake is van een voor het bewijs gebruikte verklaring en de verdediging geen behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gehad om het door artikel 6, lid 3, onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht uit te oefenen, een veroordeling van de verdachte desondanks in overeenstemming kan zijn met de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM. Bepalend is daarvoor, zo komt in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren, de uiteindelijke evaluatie van ‘
the overall fairness of the trial’.
Bij de beoordeling van de vraag of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen, is het volgende – in onderling verband bezien – van belang:
( i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
De rechtbank stelt allereerst vast dat er geen goede reden is voor het niet oproepen en horen van de verzochte getuigen. Ten aanzien van het gewicht van de (schriftelijke) verklaringen van de verzochte getuigen geldt dat de bewezenverklaring niet volledig of in beslissende mate (‘
sole or decisive’) steunt op de betreffende verklaringen. Uit het voorgaande volgt immers dat die verklaringen steun vinden in de tekst op de twee websites, e-mailverkeer, de algemene voorwaarden bij de gesloten overeenkomsten en de opslagformulieren. Daarbij komt nog het volgende.
Op 3 juli 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden in de onderhavige zaak. Voorafgaand aan deze zitting is verdachte per brief van de rechtbank van 2 juni 2025 gewezen op het regiekarakter van deze zitting. In die brief staat dat de regiezitting is bedoeld om te bespreken of er wensen zijn voor verder onderzoek, bijvoorbeeld het horen van getuigen. Op die zitting is verdachte zonder raadsman verschenen. De verdachte heeft verklaard dat hij de advocaat die hij in de arm had genomen (de rechtbank merkt op: een kantoorgenoot van mr. R.A. Bos, zijnde mr. [naam] ) de brief van de rechtbank had laten zien en dat deze had aangegeven dat het voor de advocaat niet veel meerwaarde had om op de regiezitting aanwezig te zijn. Verdachte heeft toen verder aangegeven dat hij niet geloofde dat er extra onderzoek nodig zou zijn. De voorzitter heeft tijdens die zitting nogmaals benadrukt dat de regiezitting een belangrijk moment is voor het indienen van onderzoekswensen. Dezelfde dag heeft mr. [naam] bericht dat mr. Bos zich stelt als advocaat.
Op 26 januari 2026, een dag voor de inhoudelijke behandeling, heeft de verdediging schriftelijk verzocht om dezelfde 20 getuigen als verzocht bij pleidooi te horen. De rechtbank heeft dit verzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026 afgewezen, waarna de raadsman het verzoek bij pleidooi heeft herhaald.
Gelet op de voormelde gang van zaken mag van de verdediging worden verlangd dat zij concreet toelicht welke nieuwe ontwikkeling of noodzaak maakt dat wordt teruggekomen op de tijdens de regiezitting van 3 juli 2025 bij monde van verdachte kenbaar gemaakte beslissing om geen onderzoekswensen in te dienen (vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519). Ook mag worden verwacht dat concreet wordt toegelicht waarom de alsnog ingediende onderzoekswensen niet eerder dan daags voor de inhoudelijke behandeling konden worden ingediend.
De raadsman heeft aangevoerd dat pas in een laat stadium screenshots uit algemeen toegankelijke bronnen zijn gevonden en dat de getuigen onder andere daarover moeten worden bevraagd. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat hij binnen zijn kantoor pas enkele maanden na de regiezitting op de hoogte is gesteld van het feit dat hij als raadsman van verdachte was gesteld en dat hij, mede vanwege de feestdagen, pas in een laat stadium overleg heeft gehad met zijn cliënt.
De rechtbank kan niet volgen dat de screenshots, los van de vraag of deze authentiek zijn, pas vlak voor de zitting beschikbaar konden komen. Het betreft immers informatie die volgens verdachte jaren geleden op de websites zou hebben gestaan. Dat verdachte niet wist dat historische informatie van websites beschikbaar is op internet biedt onvoldoende rechtvaardiging voor het niet eerder doen van de getuigenverzoeken, te meer nu de raadsman hiervan kennelijk wel op de hoogte was en verdachte hierop kort voor de zitting heeft gewezen. Dat de raadsman binnen zijn kantoor pas laat op de hoogte is gesteld van het feit dat hij verdachte bij stond in de strafzaak en dat hij door de feestdagen niet eerder een mogelijkheid heeft gezien om te overleggen met verdachte, komt, mede gelet op de datum waarop de raadsman is gesteld, voor rekening en risico van de verdediging.
De rechtbank concludeert in het licht van het voorgaande dat ook zonder het horen van de
20 verzochte getuigen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank ziet ook overigens geen noodzaak de getuigen te horen. De rechtbank wijst de getuigenverzoeken daarom af.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeks de periode van
24 november 2014tot en met
11 september 2019in de
gemeente Apeldoorn en/ofAmsterdam en
/ofZaandam, in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich
en/of een anderwederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van
een valse naam en/ofeen valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepenen
/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,
iemand heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten
a. [benadeelde] tot de afgifte van navelstrengbloed van haar dochter en
/of290 Euro en
/of
b. [benadeelde] tot de afgifte van twee melktanden van haar zoon en
/of395 Euro en
/of
c. [benadeelde] tot de afgifte van (een gedeelte van) de navelstreng van haar zoon en
/of850 Euro en
/of
d. [benadeelde] tot de afgifte van navelstrengbloed en
/ofnavelstrengweefstel van zijn zoon en
/of
e. [benadeelde] tot de afgifte van navelstrengweefstel van
haarzijndochter en
/of (in totaal
d en e
)2070 Euro en
/of
f.
(ongeveer) 4817overige personen tot de afgifte van lichaamsmateriaal en/of geld,
zijnde klanten van [bedrijf] dan wel [bedrijf] door
  • zich in strijd met de waarheid voor te doen als een legitieme, gecertificeerde, erkende, deskundige en naar medische maatstaven voor opslag en diagnostiek van lichaamsmateriaal toegeruste instelling en
  • via de websites ( [website] , [website] ) een dienst aan te bieden die erin bestond dat tegen betaling lichaamsmateriaal (navelstrengbloed, navelstrengweefsel en/of melktanden) van kinderen ingestuurd kon worden teneinde, anders dan voor analytische doeleinden ter validatie van instrumenten, deze te analyseren en/of te verwerken en/of op te slaan met het oog op het toekomstig gebruik ervan (als stamcel) bij de potentiële behandeling van ziekten zoals kanker, bloedziekten, immuunziekten en/of genetische ziekten van die kinderen en/of familieleden met gebruikmaking van stamcellen uit het opgeslagen lichaamsmateriaal, terwijl in werkelijkheid deze doeleinden
  • het CCMO en TRIP logo op de websites te gebruiken zonder bij deze organisaties aangesloten te zijn en
  • in strijd met de waarheidkenbaar te maken dat verdachte werkte conform het NETCORD/FACT protocol en
    /of
  • op de websites ( [website] , [website] ) in strijd met de waarheid onder meer te schrijven:
o ‘ [bedrijf] is een leider in de vooruitgang van stamcel opslag uit navelstrengbloed en navelstrengweefsel. [bedrijf] verzamelt, verwerkt en slaat stamcellen op.’ en
/of
o ‘ [bedrijf] biedt haar cliënten meer dan alleen opslag van lichaamscellen! [bedrijf] staat gedurende het hele traject aan je zijde. Ons doel is om de cliënten niet alleen opslag van lichaamscellen aan te beiden, maar ook een breed scala van geavanceerde toepassingen.’ en
/of
- in de algemene voorwaarden in strijd met de waarheid op te nemen:
o Deze overeenkomst betreft het afnemen, bewerken, testen, isoleren en opslaan van stamcellen van de pasgeborene tussen [bedrijf] en de ouder of ouders van de baby.’ en
/of
o Deze overeenkomst betreft het bewerken, isoleren en opslaan van stamcellen do
or [bedrijf] voor de opdrachtgever.’ en/of
- aan die personen
in strijd met de waarheidte mailen:
o dat er stamcellen waren opgeslagen en dat in de tweede kies genoeg stamcellen zaten om opgeslagen te worden ( [benadeelde] ) en
/of
o dat er niet genoeg bloed beschikbaar was om stamcellen te winnen ( [benadeelde] )
en/of
o
dat stamcellen waren opgeslagen in Amsterdam. De exacte locatie kunnen wij helaas niet vrijgeven. Wel kunnen wij als u dat wenst de stamcellen vrijgeven. Dat betekent dat wij de stamcellen kunnen transporteren naar en door u gekozen locatie ( [benadeelde] ).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Oplichting, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een beroepsverbod voor de duur van 5 jaar inhoudende dat verdachte wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van het beroep als ondernemer in de zorg in de breedste zin van het woord zorg.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Stafrecht, omdat het opleggen van een straf geen doel meer dient en de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro is overschreden. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden dient te worden opgelegd.
7.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft via de [bedrijf] en [bedrijf] een opslagdienst aangeboden, die eruit bestond lichaamsmateriaal van pasgeborenen en jonge kinderen op te slaan, waarbij hij op websites en in de schriftelijke en mondelinge communicatie met de slachtoffers in strijd met de waarheid de indruk wekte dat de stamcellen uit dit materiaal later zouden kunnen worden gebruikt in een behandeling van diverse ernstige ziekten als kanker, bloed- en immuunziekten. Het lichaamsmateriaal is uiteindelijk vernietigd, alleen al omdat dit materiaal vanwege het feit dat de opslag heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor een erkenning ingevolge de Wvkl was verleend, in de toekomst niet kan worden gebruikt voor de behandeling van ernstige ziekten.
Uit de aangiftes, slachtofferverklaringen en ingediende vorderingen blijkt dat medische hoop en gewekte verwachtingen in veel gevallen een doorslaggevende factor zijn geweest in de beslissing van de slachtoffers om navelstrengbloed, een deel van de navelstreng, of melktanden van hun kinderen tegen betaling ter opslag aan verdachte toe te vertrouwen. In veel gevallen vormden ervaringen met ernstige ziektes binnen het gezin en/of de familie, geregeld met een erfelijke component, de drijfveer voor deze ouders om tot opslag over te gaan. Dat het lichaamsmateriaal definitief verloren is gegaan, heeft veel verdriet en spanning veroorzaakt. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij zich bewust was van de belaste medische voorgeschiedenis van zijn klanten.
Verdachte heeft met zijn handelen het vertrouwen van zijn klanten op ernstige wijze beschaamd. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij de slachtoffers heeft misleid door tegen betaling waardevol lichaamsmateriaal in ontvangst te nemen, terwijl hij wist dat de stamcellen die zich daarin bevonden, vanwege het ontbreken van een erkenning, nooit zouden kunnen worden gebruikt voor enige medische toepassing. Hij heeft zich bovendien op een zeer emotioneel moment – namelijk de bevalling van hun kind – in het leven van veel van zijn slachtoffers gemengd en in ten minste één geval eraan bijgedragen dat de melktanden van een jong kind bij de tandarts getrokken werden. Voorts acht de rechtbank het kwalijk dat verdachte vervolgens, zonder de slachtoffers daarover te informeren in 2019 voor een periode van ruim
4 jaar naar Dubai is gegaan.
Met betrekking tot de persoon van verdachte blijkt uit het strafblad van verdachte van
11 december 2025 dat hij niet eerder is veroordeeld. Het strafblad weegt dus niet in strafverzwarende zin mee.
Bij haar beoordeling van een passende straf ziet de rechtbank onder ogen dat verdachte binnen een zekere context heeft gehandeld. Verdachte is zijn activiteiten gestart in het kader van een erkenningstraject. Hij heeft zodoende, althans bij aanvang, een onderneming willen opbouwen waarin binnen het wettelijke kader zou kunnen worden gehandeld. Hij heeft ten behoeve van de opslag die plaatsvond ook forse investeringen gedaan. Duidelijk is daarom wel dat verdachte aanvankelijk goede intenties had. Dat neemt echter niet weg dat verdachte op enig moment welbewust een verkeerde afslag heeft genomen en zich schuldig is gaan maken aan oplichtingspraktijken. Het heeft er alle schijn van dat hij met het geld dat hij daarmee genereerde de financiële strop als gevolg van de nodeloos gedane investeringen heeft willen verzachten. Op geen enkel moment is hij op zijn schreden teruggekeerd. Evenmin heeft hij volledige verantwoordelijkheid willen nemen voor het leed dat hij met zijn handelen heeft veroorzaakt.
Het bewezenverklaarde feit is, mede gezien het aanzienlijke aantal slachtoffers, de gevolgen die het feit voor de slachtoffers hebben gehad en de lange pleegperiode, zeer ernstig. Het feit rechtvaardigt daarom op zichzelf zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Daartoe zal de rechtbank echter niet overgaan. Zij weegt daarbij mee dat de pleegperiode is geëindigd in september 2019. Weliswaar valt op het handelen van verdachte in de jaren daarna ook het nodige af te dingen (het manipuleren van bankafschriften en de niet meewerkende houding waar het gaat om de opslagplaats van de stikstofvaten), maar dat handelen maakt geen onderdeel uit van het verwijt dat hem wordt gemaakt. De rechtbank neemt dat dan ook niet in strafverzwarende zin mee.
Sinds september 2019 zijn bijna zesenhalf jaar verstreken. Daarmee is sprake van fors tijdsverloop. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zijn leven inmiddels op de rit heeft. Hij is leraar in het speciaal onderwijs, heeft een gezin met jonge kinderen en is de enige kostwinner. Het ondergaan van een detentie van langere duur zou dan ook ingrijpende gevolgen hebben, ook voor de echtgenote en kinderen van verdachte. Hierin, en in het forse tijdsverloop, ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht dat op dit moment niet meer opportuun.
Ten aanzien van het beroep op schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro van de raadsman merkt de rechtbank nog het volgende op. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden.
Op 12 juni 2024 heeft verdachte een mail ontvangen van de officier van justitie met daarin de mededeling: “de dagvaarding zal dan ook uw kant op gaan.” Naar het oordeel van de rechtbank is dit het moment waarop verdachte in redelijkheid de verwachting kon hebben dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank doet op 10 februari 2026 uitspraak en daarom is geen sprake van schending van de redelijke termijn.
Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. De voorwaardelijke straf dient als zogenoemde ‘stok achter de deur’ om zoveel als mogelijk te waarborgen dat verdachte zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
De rechtbank ziet geen reden voor oplegging van een beroepsverbod, nu verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en niet is gebleken dat verdachte na het bewezenverklaarde feit nog als ondernemer in de zorg heeft gewerkt of ambities heeft in die richting.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

In verband met het bewezen verklaarde feit hebben benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding ingediend. In totaal gaat het om 21 benadeelde partijen. Zij vorderen materiële en/of immateriële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast wordt telkens verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vorderingen zijn opgenomen in de onderstaande tabel:
Benadeelde partij
Gevorderde materiële schade
Gevorderde immateriële schade
[benadeelde]
Niet van toepassing
€ 250,00
[benadeelde]
€ 290,00
€ 5.000,00
[benadeelde]
€ 307,60
€ 250,00
[benadeelde]
€ 480,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 1.640,00
€ 250,00
[benadeelde]
€ 480,00
Niet van toepassing
[getuige 2]
€ 480,00
€ 15.000,00
[benadeelde]
€ 1.924,00
€ 15.000,00
[benadeelde]
€ 850,00
€ 250,00
[benadeelde]
€ 962,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 725,00
€ 250,00
[benadeelde]
€ 740,40
€ 250,00
[benadeelde]
€ 909,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 2.070,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 290,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 960,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 1.150,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 2.000,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 6.900,00
Niet van toepassing
[benadeelde]
€ 395,00
€ 250,00
[benadeelde]
€ 1.775,00
€ 10.000,00
8.1.
Standpunten
De officier van justitie stelt dat de gevorderde materiële schade in alle gevallen zonder meer kan worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De verdediging stelt primair dat verdachte dient te worden vrijgesproken en dat de vorderingen daarom moeten worden afgewezen, dan wel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair vormen de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding. De omvang en aard van de vorderingen zijn te complex voor het strafgeding. Er zijn veel vorderingen ingediend die niet aan een aangifte of getuigenverklaring kunnen worden gekoppeld, zodat onduidelijk is welke vragen de desbetreffende partij destijds heeft gesteld en of die benadeelde partij niet zelf nalatig is geweest in het onderzoek naar de onderneming van verdachte en de door verdachte aangeboden diensten.
Voor zover de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen zou toekomen, geldt dat de materiële vorderingen gebaseerd zijn op betalingen aan de stichting van de verdachte en niet aan verdachte zelf. De benadeelde partijen dienen een procedure tegen de stichting aanhangig te maken. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding geldt dat artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) niet zover strekt dat in de onderhavige gevallen een immateriële schadevergoeding kan volgen. De vorderingen zullen moeten worden afgewezen, dan wel zullen de benadeelde partijen niet- ontvankelijk moeten worden verklaard. Ook wijst de verdediging op de stelling van enkele benadeelden, waaronder [benadeelde] , dat niet de benadeelden zelf, maar hun kinderen het grootste slachtoffer zijn.
Met betrekking tot de vordering die is ingediend door benadeelde partij [benadeelde] stelt de verdediging daarnaast dat onduidelijk is wanneer en door wie de vordering is ondertekend. Vanwege deze onduidelijkheid dient de vordering te worden afgewezen, dan wel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8.2.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat alle benadeelden die een vordering hebben ingediend door verdachte zijn opgelicht. De schade die de benadeelden ten gevolge van deze oplichting geleden hebben, komt zodoende voor vergoeding in aanmerking. Dat er door een deel van de benadeelden geen aangifte is gedaan en van hen ook geen getuigenverklaring in het dossier is opgenomen, staat daaraan niet in de weg.
De vorderingen tot schadevergoeding zijn overzichtelijk en niet complex van aard. De behandeling van die vorderingen levert daarom geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Het subsidiaire verweer van de verdediging wordt daarmee verworpen.
Met betrekking tot het verweer dat de benadeelden de [bedrijf] dienen aan te spreken en niet verdachte, geldt het volgende.
Uit de bewezenverklaring volgt dat de benadeelden door het misleidend handelen van verdachte zijn bewogen tot afgifte van lichaamsmateriaal en één of meerdere geldbedragen. Daarmee is sprake van een voldoende verband om te kunnen aannemen dat de benadeelden door het handelen van verdachte rechtstreekse schade hebben geleden. Verdachte is daarom (in persoon) aansprakelijk voor die schade. Ook dit verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
8.1.1
De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen
Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 BW Pro aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BW Pro).
De rechtbank bespreekt hierna eerst de vorderingen tot immateriële schadevergoeding en daarna de materiële schadevorderingen.
Immateriële schadevorderingen
In totaal 11 benadeelden hebben een vordering ingediend tot vergoeding van immateriële schade. Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW geeft benadeelde partijen recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat, voor zover hier van belang, de benadeelde in zijn persoon is aangetast op andere wijze (dan door lichamelijk letsel of het schaden van de eer of goede naam).
Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat geen van de benadeelde partijen voldoende heeft gesteld om geestelijk letsel vast te kunnen stellen. Psychisch onbehagen als angst, stress, gegriefdheid, machteloosheid en onrust levert naar vaste rechtspraak geen geestelijk letsel op. Bij de vordering van benadeelde [benadeelde] zit een brief van de huisarts, waarin staat vermeld dat zij wordt gezien door de POH-GGZ in verband met psychische klachten. Deze brief maakt echter niet duidelijk welke klachten dat zijn en waaruit de relatie bestaat met het handelen van verdachte.
Namens de benadeelden [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] en [benadeelde] heeft Slachtofferhulp Nederland aangevoerd dat het definitieve verlies van de stamcellen, die juist zijn afgestaan om een toekomstige medische behandeling mogelijk te maken, bij hen gevoelens van angst, onzekerheid en emotionele belasting oproept. Het vertrouwen dat zij stelden in een zorgvuldige omgang met het lichaamsmateriaal is bovendien geschonden, waardoor, aldus de benadeelden, sprake is van een aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit. De benadeelden [benadeelde] , [getuige 2] , [benadeelde] en [benadeelde] hebben eveneens kenbaar gemaakt dat zij emotioneel worden belast doordat hen een (toekomstige) medische kans is ontnomen. Zonder aan deze op zichzelf begrijpelijke gevoelens iets af te doen, is deze onderbouwing van de schadevorderingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om niettemin (bij gebreke van vast te stellen geestelijk letsel) een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen.
Tot slot is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Het gaat daarbij om ernstige normschendingen met bovendien bijzonder ingrijpende gevolgen. Gelet op de wet en de jurisprudentie ligt de lat daarvoor zeer hoog en deze wordt in dit geval niet gehaald.
De rechtbank zal de benadeelde partijen in de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelden kunnen deze vorderingen bij de burgerlijke rechter neerleggen.
Materiële schadevorderingen
In 20 gevallen wordt materiële schade gevorderd, die telkens bestaat uit de bedragen die de benadeelden betaald hebben aan verdachte voor de opslag van lichaamsmateriaal.
De verdediging heeft alleen de vordering van benadeelde [benadeelde] betwist. Daartoe is aangevoerd dat onduidelijk is door wie de vordering is ondertekend en wanneer die ondertekening heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat de naam van benadeelde [benadeelde] voorkomt in het klantenbestand dat verdachte heeft aangeleverd van zijn betalende klanten en dat onderdeel is van het dossier (p. 232). Op het schadeformulier is vervolgens onder het kopje ‘1A Slachtoffer/Verzoeker’ de naam en de geboortedatum van de benadeelde ingevuld. Aan het slot van het formulier is het onder het kopje ‘Ondertekening’ een handtekening geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het voorgaande voldoende aannemelijk is dat de juiste partij zich heeft gevoegd en dat deze partij recht heeft op schadevergoeding. Het enkele ontbreken van een naam en dagtekening (bij de ondertekening) op één van de pagina’s, leidt niet tot twijfel aan de identiteit van de gevoegde partij. Dat betekent dat deze vordering zal worden toegewezen.
De overige materiële vorderingen heeft de verdediging niet betwist. De rechtbank stelt vast dat ook deze partijen voorkomen in de klantadministratie die verdachte heeft bijgehouden van zijn betalende klanten. Daarmee zijn deze vorderingen in zijn geheel toewijsbaar.
Dit is slechts anders in het geval van benadeelde [benadeelde] . Die benadeelde heeft in termijnen betaald. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat er op 24 mei 2020 een bedrag van
€ 230,00 is betaald op het rekeningnummer van de [bedrijf] . Die betaling kan niet correct zijn uitgevoerd, nu uit het dossier naar voren komt dat deze bankrekening op 17 oktober 2019 is opgeheven (p. 204). De rechtbank gaat ervan uit dat deze betaling is teruggestort op de rekening van benadeelde partij [benadeelde] en vermindert de te vergoeden schade met € 230,00 en stelt deze vast op in totaal € 920,00.
De toegewezen vorderingen zullen worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente. Voor de ingangsdatum daarvan is waar mogelijk aansluiting gezocht bij het moment waarop benadeelden hun betalingen aan verdachte hebben gedaan. Waar het gaat om termijnbetalingen wordt de datum gekozen die (ongeveer) in het midden ligt van de termijnen.
Benadeelde partijen [benadeelde] , [benadeelde] en [benadeelde] hebben hun vordering onderbouwd met rekeningafschriften. Ten aanzien van een groot deel van de overige benadeelde partijen zijn hun vorderingen tot het dossier te herleiden. Zo zit in het dossier een rekeningafschrift waaruit de datum blijkt waarop [benadeelde] heeft betaald (p. 168). Daarnaast volgen uit de opgevraagde gegevens van de ING bankrekening van [bedrijf] (p. 183-184), in combinatie met de bevindingen uit het door verdachte aangeleverde klantenoverzicht (p. 208-209), betalingen van de benadeelden [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] , [getuige 2] , [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] , [benadeelde] en [benadeelde] . Voor benadeelde [benadeelde] is het grootste deel van de vordering te herleiden tot een betaling op de rekening van verdachte. In al die voorgaande gevallen zal bij die concrete betaaldata worden aangesloten ter bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente. In de overige gevallen schieten deze administratieve gegevens tekort en is voor de ingangsdatum van de wettelijke rente aansluiting gezocht bij de datum van de overgelegde facturen of, wanneer ook die ontbreken of onvoldoende duidelijk zijn, bij de datum die (ongeveer) in het midden ligt van de bewezenverklaarde periode, te weten 1 april 2017.
De schadevergoedingsmaatregelen
De rechtbank zal ten aanzien van de 20 toegewezen vorderingen ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij (telkens) de schadevergoedingsmaatregel opleggen met daaraan gekoppeld het aantal dagen gijzeling, zoals genoemd in de onderstaande tabel, als verdachte niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.
Conclusie
De rechtbank wijst de vorderingen tot vergoeding van materiële schade toe, als volgt:
Benadeelde partij
Toegewezen bedrag aan materiële schade
Ingangsdatum wettelijke rente
Aantal dagen gijzeling
1
[benadeelde]
€ 290,00
22 september 2015
2
2
[benadeelde]
€ 307,60
1 maart 2016
3
3
[benadeelde]
€ 480,00
4 september 2015
4
4
[benadeelde]
€ 1.640,00
28 september 2015
16
5
[benadeelde]
€ 480,00
30 juni 2015
4
6
[getuige 2]
€ 480,00
15 juni 2015
4
7
[benadeelde]
€ 1.924,00
11 januari 2016
19
8
[benadeelde]
€ 850,00
15 april 2015
8
9
[benadeelde]
€ 962,00
12 oktober 2015
9
10
[benadeelde]
€ 725,00
1 september 2017
7
11
[benadeelde]
€ 740,40
1 augustus 2016
7
12
[benadeelde]
€ 909,00
1 april 2017
9
13
[benadeelde]
€ 2.070,00
1 december 2016
20
14
[benadeelde]
€ 290,00
1 december 2015
2
15
[benadeelde]
€ 960,00
1 april 2017
9
16
[benadeelde]
€ 920,00
15 november 2016
9
17
[benadeelde]
€ 2.000,00
28 mei 2015
20
18
[benadeelde]
€ 6.900,00
15 augustus 2016
59
19
[benadeelde]
€ 395,00
15 augustus 2016
3
20
[benadeelde]
€ 1.775,00
27 januari 2015
17

9.De beoordeling van het beslag

9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer van alle in beslag genomen goederen gevorderd.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen goederen terug dienen te worden gegeven aan verdachte vanwege de bepleite vrijspraak.
9.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de ‘3 STK Stof’ op de beslaglijst, voor zover het de lege vaten betreft, zonder de inhoud, met betrekking tot welke het feit is begaan verbeurd verklaren.
De rechtbank hoeft geen beslissing te nemen ten aanzien van de inhoud van de vaten (het in beslag genomen lichaamsmateriaal). Dit beslag is ingevolge artikel 134, lid 2, onder c, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geëindigd na de vernietiging van het weefsel in opdracht van het openbaar ministerie. De inhoud van de vaten is namelijk vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv Pro en het voorwerp is niet om baat vervreemd.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 wijst het verzoek tot het horen van de 20 getuigen af;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
 verklaart verbeurd het voorwerp op de beslaglijst ‘3 STK Stof’ met uitzondering van de inhoud (het lichaamsmateriaal).
Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen:
 veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding, zoals vermeld in de onderstaande tabel, aan de benadeelde partijen, bestaande uit materiële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum vermeld in de tabel tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in deze procedure hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de in de tabel genoemde benadeelde partijen, de daarbij vermelde bedragen aan materiële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum vermeld in de tabel tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen het aantal in de tabel vermelde dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij
Toegewezen bedrag
Ingangsdatum wettelijke rente
Aantal dagen gijzeling
1
[benadeelde]
€ 290,00
22 september 2015
2
2
[benadeelde]
€ 307,60
1 maart 2016
3
3
[benadeelde]
€ 480,00
4 september 2015
4
4
[benadeelde]
€ 1.640,00
28 september 2015
16
5
[benadeelde]
€ 480,00
30 juni 2015
4
6
[getuige 2]
€ 480,00
15 juni 2015
4
7
[benadeelde]
€ 1.924,00
11 januari 2016
19
8
[benadeelde]
€ 850,00
15 april 2015
8
9
[benadeelde]
€ 962,00
12 oktober 2015
9
10
[benadeelde]
€ 725,00
1 september 2017
7
11
[benadeelde]
€ 740,40
1 augustus 2016
7
12
[benadeelde]
€ 909,00
1 april 2017
9
13
[benadeelde]
€ 2.070,00
1 december 2016
20
14
[benadeelde]
€ 290,00
1 december 2015
2
15
[benadeelde]
€ 960,00
1 april 2017
9
16
[benadeelde]
€ 920,00
15 november 2016
9
17
[benadeelde]
€ 2.000,00
28 mei 2015
20
18
[benadeelde]
€ 6.900,00
15 augustus 2016
59
19
[benadeelde]
€ 395,00
15 augustus 2016
3
20
[benadeelde]
€ 1.775,00
27 januari 2015
17
 verklaart de in de tabel genoemde benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van immateriële schade;
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.W. van de Meerakker (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. M.J. Wasmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.
Mr. K.A.M. van Hoof en mr. M.J. Wasmann zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 17-154, gesloten op 3 oktober 2023, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] van 21 juni 2023, p. 195-196, en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 januari 2026.
3.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 juni 2023, p. 80.
4.Proces-verbaal van bevindingen onderzoek 14 september 2023, p. 206-207.
5.Schriftelijk bescheid, te weten een brief namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan verdachte van 16 oktober 2014, ongenummerd.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 26 april 2018, p. 87-88.
7.Schriftelijk bescheid, te weten een brief van inspecteur [getuige 1] van de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan verdachte d.d. 2 juli 2014, aanvullend dossier, p. 1.
8.Schriftelijk bescheid, te weten een mail van verdachte aan inspecteur [getuige 1] d.d. 29 juli 2014,
9.Schriftelijk bescheid, te weten een mail van inspecteur [getuige 1] aan verdachte d.d. 17 oktober 2014,
10.Schriftelijk bescheid, te weten een mail van verdachte aan inspecteur [getuige 1] d.d. 27 oktober 2014, p. 148.
11.Schriftelijk bescheid, te weten een brief van inspecteur [getuige 1] van de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan verdachte d.d. 25 november 2015, p. 128-129.
12.Schriftelijk bescheid, te weten afbeeldingen van de website [website]
13.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 januari 2026.
14.Proces-verbaal relaas, p. A2.
15.Schriftelijk bescheid, te weten een e-mail van verdachte van 26 mei 2016, p. 160.
16.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 26 april 2018, p. 88.
17.Schriftelijk bescheid, te weten een afbeelding van de website [website] d.d. 27 mei 2017, p. 95.
18.Schriftelijk bescheid, te weten een afbeelding van de website [website] d.d. 27 mei 2017, p. 99.
19.Schriftelijk bescheid, te weten een afbeelding van de website [website] d.d. 27 mei 2017, p. 100.
20.Schriftelijk bescheid, te weten een afbeelding van de website [website] d.d. 27 mei 2017, p. 101.
21.Schriftelijk bescheid, te weten een afbeelding van de website [website] d.d. 27 mei 2017, p. 107.
22.Schriftelijk bescheid, te weten een afbeelding van de website [website]
23.Proces-verbaal van aangifte, p. 36-37.
24.Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailwisseling, p. 39-40.
25.Een schriftelijk bescheid, te weten een brochure van de [bedrijf] , p. 64-65.
26.Proces-verbaal van aangifte, p. 36-37.
27.Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailwisseling, p. 42-43.
28.Een schriftelijk bescheid, te weten een formulier ‘Opslag Stamcellen’, p. 62.
29.Proces-verbaal van aangifte, p. 33-34.
30.Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mail met als bijlage een betalingsbevestiging, gevoegd als Bijlage 4 bij de vordering benadeelde partij van mevrouw [benadeelde] .
31.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 8 januari 2026, aanvullend dossier, p. 2-3, en een schriftelijk bescheid, te weten een factuur d.d. 17 juni 2015, aanvullend dossier, ongenummerd.
32.Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht van bankmutaties, p. 183.
33.Een schriftelijk bescheid, te weten een formulier ‘Opslag Stamcellen’, verstrekt door [getuige 2] , aanvullend dossier, ongenummerd.
34.Schriftelijk bescheid, te weten de ‘Algemene voorwaarden [bedrijf] ’ verstrekt door
35.Proces-verbaal van aangifte, p. 1-2.
36.Schriftelijk bescheid, te weten de ‘Algemene voorwaarden [bedrijf] ’ verstrekt door
37.Een schriftelijk bescheid, te weten een formulier ‘Opslag Stamcellen’, p. 6.
38.Een schriftelijk bescheid, te weten de rekeninggegevens, p. 183.
39.Proces-verbaal van aangifte, p. 12-13.
40.Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 26 april 2018, p. 91.
41.Een schriftelijk bescheid, te weten een ‘toestemmingsverklaringsformulier’, p. 16.
42.Een schriftelijk bescheid, te weten een formulier ‘Opslag Stamcellen’, p. 26.
43.Het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ benadeelde partij [benadeelde] d.d. 7 juli 2025, ingekomen op het parket d.d. 19 januari 2026, inclusief bijlagen; het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ benadeelde partij [benadeelde] d.d. 3 juli 2025; het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ benadeelde partij [benadeelde] d.d. 18 juli 2025, ingekomen op het parket d.d.
44.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 januari 2026.
45.Een schriftelijk bescheid, te weten Bijlage 8E, p. 1-2, gevoegd bij de vordering benadeelde partij van [benadeelde] d.d. 28 juli 2025.