ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ5886
Rechtbank Groningen
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verbod op concurrerende activiteiten van EOC jegens CBR op grond van participatieovereenkomst
CBR en EOC sloten in 1998 een participatieovereenkomst waarbij EOC een 50% belang in CBR nam, met afspraken over samenwerking en non-concurrentie. In 2003 ontstonden conflicten, waarna EOC de non-concurrentieovereenkomst opzegde en concurrerende offertes uitbracht aan klanten van CBR in Nederland en Duitsland.
Eiseressen vorderden een verbod op deze concurrentieactiviteiten en stelden dat EOC zich niet aan de overeenkomst hield. EOC stelde dat zij niet langer gezamenlijke zeggenschap had en dat de non-concurrentieclausule daarom niet meer geldig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er nog steeds sprake is van gezamenlijke zeggenschap en dat EOC onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de non-concurrentieovereenkomst niet meer van toepassing is. EOC werd veroordeeld om de non-concurrentie na te leven met betrekking tot expliciet genoemde klanten en kreeg een dwangsom opgelegd bij overtreding.
Uitkomst: EOC wordt verboden concurrerende producten aan specifieke klanten van CBR te leveren en veroordeeld tot naleving van het non-concurrentiebeding met dwangsom.